Gastcolumn

De glamour van ontwikkelingshulp

In deze tijd verliest saamhorigheid het vaak van zelfzucht. Maar er zijn goede ideeën om hulp zinvol te laten uitpakken.
HULP IS EEN KWESTIE van aandacht. Een bedelaar die strompelend en struikelend over straat loopt, haalt meer op dan een stoere knul die een euro wil voor een koffie. Zo ook ontwikkelingshulp: strompelende en struikelende landen als Bangladesh of Angola krijgen meer dan landen die een beetje aantrekkelijk zijn of als vakantieoord kunnen gelden.
Eigenlijk is het hele idee van ontwikkelingshulp niet sexy meer. Zoals NRC Handelsblad berichtte (26 september) zijn steeds meer ‘gewone Nederlanders’ het eens met rechtse en extreem-rechtse partijen dat hulp sterk moet worden verminderd of helemaal afgeschaft. Saamhorigheid verliest het van zelfzucht. Toch woedt ook onder voorstanders van hulp een felle discussie over de vraag waarom het zo vaak niet werkt en hoe het dan wel moet. En ook hier weer: degenen die hun standpunt zo sexy mogelijk weten te brengen, krijgen de meeste aandacht.
Wim Bossema wees laatst in de Volkskrant (29 september) onder de kop ‘Afrika moet afkicken’ op de bestseller Dead Aid van Dambisa Moyo, waarin ze zegt dat veel Afrikaanse staten hulpjunkies zijn geworden en dat het tijd is voor ‘cold turkey’. Tegenover Moyo plaatst Bossema Jeffrey Sachs, nog bekender in het ontwikkelingsdenken. Op het eerste gezicht is hij een goed geïnformeerde maar weinig imponerende man: hoge jukbeenderen, bruin, sluik haar, professoraal. Maar hij ontmoette toen hij nog maar in de dertig was de belangrijkste regeringsleiders van Afrika en Zuid-Amerika; hij was adviseur van Kofi Annan en nu van Ban Ki-moon; Bono van U2 noemt hem liefkozend ‘My Professor’ en ook sterren als Angelina Jolie willen graag met hem op de foto. Van een beetje glamour heeft hij geen last.
Om de armoede uit te bannen, zegt Sachs, zijn flinke geldinjecties noodzakelijk: geen miljoenen maar honderden miljarden. Tegensprekers zeggen dat het Westen al dertig jaar miljarden heeft gestoken in arme landen en dat dat tot niets heeft geleid. En dat juist landen die hoofdelijk weinig buitenlandse hulp kregen, zoals India, China en Brazilië, de armoede het eerst ontgroeiden.
Sachs wijst die tegenwerpingen af: hij heeft het niet over druppels op een gloeiende plaat, zoals hij de huidige ontwikkelingssamenwerking noemt, maar over een hoosbui. En dat het vaak mis ging geeft hij toe, maar kleine maatregelen kunnen dat soms veranderen. Sachs vertelt graag over de gratis anti-malariaklamboes voor Midden-Afrika. Ze vielen verdacht vaak van de vrachtwagen, of men zag ze terug als visnetten of bruidsjurken. Iemand kwam op het idee om lokale mensen zoals schoolmeesters en ziekenverzorgers vijf dollar te geven voor elke opgehangen klamboe. En steeds meer muskietennetten kwamen aan het plafond terecht.
Toch heeft Moyo gelijk dat grote geldinjecties gevaarlijk kunnen zijn. We kunnen dicht bij huis blijven: Nederland gaf Suriname bij de onafhankelijkheid 3,5 miljard gulden cadeau. Omgerekend was dat een ton per iedere geboren Surinamer. De geldbuidel bleef hangen, omdat er geen goede bestedingsplannen waren, het kleine grabbelen was al begonnen en dat trok juist het geboefte aan: eerst de militairen die een graantje wilden meepikken en toen drugsbazen en andere malafide ondernemers.
In glamour en overtuigingskracht doet Dambisa Moyo niet onder voor Jeffrey Sachs. Ze is geboren in Lusaka, Zambia, en heeft de zelfde air van authenticiteit over zich als Barack Obama. Ze studeerde aan Oxford en Harvard, kwam als econoom in de top van de Wereldbank en heeft gewerkt voor Goldman Sachs.
Moyo is nog niet op de foto geweest met Angelina Jolie, maar ze was onlangs in de beroemde comedy show van Stephen Colbert – in een strak gesneden jurk met een voor haar kenmerkend laag decolleté, én met een ferm verhaal. Stephen Colbert bedankte haar voor haar boek Dead Aid, omdat hij nu eindelijk af was van het schuldgevoel nooit een cent aan een hulpfonds te hebben gegeven. Dambisa Moyo lachte hartelijk mee, maar antwoordde kordaat dat dat nonsens was. De bilaterale hulp van regering aan regering is gedoemd te mislukken, maar de kleine particuliere hulporganisaties, de ngo’s, bereiken heel wat, zegt Moyo. Hun projecten zijn klein en overzichtelijk en ze zien erop toe dat ze meestal tot een goed eind komen en dat lokale ondernemers niet worden weggeconcurreerd.
Allemaal goed en wel, maar de ngo’s hebben een ander probleem: draagvlak. Bij elke economische crisis of heropleving van xenofobie kalft dat draagvlak af, zoals we nu zien in Nederland. Maar daar kan iets aan gedaan worden, zegt een man zonder glamour en zonder sterrenstatus. Hij heet Dilip Ratha, geboren in Orissa, de armste streek van India. Zijn hele familie betaalde mee aan zijn scholing, met een kleine staatsbeurs studeerde hij aan de Universiteit van Delhi. In een opwelling besloot hij te solliciteren bij de Wereldbank, waar hij het hoofd werd van het nieuwe Migration and Remittances Team. Ratha had namelijk uitgerekend dat de bilaterale hulp van land tot land jaarlijks weliswaar honderd miljard bedraagt, maar dat de kleine geldovermakingen van migranten aan hun familie in het herkomstland in totaal, en alleen al volgens de officiële banktransacties, oplopen tot het drievoudige daarvan!
Vroeger deden de grote instellingen smalend over deze kleine en onzichtbare giften aan grootmoeder, vader of neef: ze zouden meteen worden gebruikt voor voeding of bruiloftsfeesten. Wat dan nog, zegt de immer softspoken Dilip Ratha: je hoeft niet naar Harvard te zijn geweest om te weten dat gevoede mensen harder werken, en zo’n bruiloftsfeest is voor de eigenwaarde, wat ook een ontwikkelingsdoel zou moeten zijn.
De Wereldbank erkent tegenwoordig dat grote geldinjecties als van Jeffrey Sachs niet werken, maar ook dat de ngo’s van Dambisa Moyo lijden onder een afnemend draagvlak. Remittances daarentegen gaan van familie naar familie en hebben geen kunstmatige solidariteit of naastenliefde nodig. Je ziet geen glimmende posters met de tekst: ‘Geef wat voor je eigen grootmoeder’.
Toch krijgt zo’n wereldidee als dat van Ratha nog niet de aandacht die het verdient. De man loopt rond met vettig haar en zijscheiding en zijn redevoeringen leest hij woordelijk en stuntelig voor, met een hemeltergend Indiaas accent. Zelfs de jasjes die hij draagt vallen hem te groot.
Het is toch vreemd dat iets van zo’n groot belang voor miljarden mensen in deze tijd afhangt van een makeover?