Echte menselijke interactie in een decadente nepwereld

De glans van neon

In haar films legt Sofia Coppola de bij vlagen vernietigende effecten van de populaire cultuur bloot, zo ook in haar nieuwste: Somewhere, over een filmster op zoek naar een echt leven.

ZE KUSSEN ELKAAR, lang. Een paar seconden eerder. Hij fluistert iets onhoorbaars in haar oor, slechts bestemd voor haar, en niet voor ons, kijkers. Het geheim van Bob (Bill Murray) en Charlotte (Scarlett Johansson) is verleidelijk, romantisch, maar het creëert ook een moment van analytische zelfkastijding. Want we willen het eigenlijk niet horen. Als we zouden weten wat hij zegt, dan zouden we eindelijk alles weten; dan zou het mysterie van de film, Sofia Coppola’s Lost in Translation (2003), een kern van betekenis krijgen, een algemene waarde die gewicht aan het verhaal en de personages in de film zou verlenen. En dat is niet echt gewenst, zeker niet in het kader van de tijdgeest destijds, toen alle soorten betekenissen mogelijk waren dankzij de verlokkelijke willekeur van het idee dat de ultieme waarheid niet bestaat. Zoals Bryan Ferry op de soundtrack zingt: ‘More than this/ You know there is nothing.’

Dat einde blijft wonderschoon. Maar iets vreemds gebeurt als je het werk vandaag de dag weer bekijkt, namelijk dat er in werkelijkheid maar een enkele interpretatie van die scène mogelijk blijkt. Niks geen ambiguïteit. Het ligt voor de hand wat Bob precies tegen Charlotte zegt, hij zegt natuurlijk: ik heb je lief, maar het kan nooit wat worden tussen ons. Ik, een filmster die kampt met een midlife crisis, jij een beeldschone jonge vrouw op zoek naar liefde. Natuurlijk is dat wat hij zegt. Wat kan hij anders zeggen? We weten het, omdat het spel met feit en fictie, dat zo kenmerkend was voor het tijdperk van postmodernistische ironie en willekeur, plaats heeft gemaakt voor een hunkering naar realisme, naar de ‘echte’ ervaring. Eigenlijk is dat soort authenticiteit ook precies waarnaar Bob en Charlotte in Tokyo op zoek zijn. En wat ze bij elkaar vinden.

De nieuwe context waarbinnen Lost in Translation valt te bekijken wordt ook gecreëerd door de twee films die regisseur Coppola in de jaren daarna maakte: Marie Antoinette (2006) en vooral Somewhere, haar nieuwste film, waarmee ze vorig jaar de Gouden Leeuw op het festival van Venetië won. Het was een controversiële keuze. Veel critici vonden dat het verhaal, waarin een steenrijke Hollywood-acteur op zoek gaat naar de zin van het leven, toch echt niet kon in deze tijd van economische crisis waarin echte mensen met echte problemen worstelden.

Toch is dat het punt niet. Het gaat er eerder om dat Sofia Coppola met Somewhere net als in Marie Antoinette en Lost in Translation een verblindend mooi en filmisch meesterlijk beeld van een veranderende tijdgeest heeft gecreëerd. Deze films vormen een essentiële, informele trilogie over de staat van de mens en de bij vlagen vernietigende effecten van de populaire cultuur aan het begin van de nieuwe eeuw; ze problematiseren de overgang van de fragmentatie van het deconstructivisme naar een nieuwe sensibiliteit waarin de cultuur van oppervlakte en show simpelweg niet meer goed genoeg is. De personages in Somewhere zoeken nu naar iets concreters dan een onhoorbare, gefluisterde zin in een straat overspoeld door de fake glans van neonlicht – ze hunkeren naar authenticiteit.

POPMUZIEK BIEDT IN alle films van Sofia Coppola een accurate reflectie van waar het allemaal over gaat. Neem: ‘The problem of leisure/ is what to do for pleasure.’ Zo zingt Gang of Four aan het begin van Marie Antoinette. En dat zet de toon: in de decadente hofhouding van de Franse koningin in Versailles rond 1770 draait alles om de oppervlakte, van de bespottelijke regels over hoe de Dauphine zich ’s ochtends moet kleden tot de hilarische, geformaliseerde vorm van copulatie waar Marie en Louis aan moeten doen teneinde de troonopvolging veilig te stellen. Het is een leven van spiegelbeelden, van een versie van jezelf creëren gebaseerd op wie je denkt dat je bent of zou moeten zijn.

Marie, prachtig gespeeld door Kirsten Dunst, stapt speels in de rol van de koningin. Maar het effect is dat ze zichzelf, wie zij ooit was, nooit weer zou kunnen terugvinden. Het spel, de fictie, wordt de enig mogelijke werkelijkheid. De vraag is hierbij of Marie dat wel zou willen. Retorisch. Want, ah, Versailles! Republiek van vermaak. Bow Wow Wow: ‘So sweet you make my mouth water/ I want candy/ Yeah!’ En Gang of Four: ‘A market of the senses/ Dream of the perfect life/ Economic circumstances/ The body is good business.’ En maskers, overal maskers. Siouxsie: ‘Disorientated you enter in/ unleashing scent of wild jasmine.’

Alles oppervlakte, alles nep. Wat er werkelijk is, wat het allemaal echt betekent, dat mogen wij niet weten. Want het gevaar is levensgroot dat we doorkrijgen dat er eigenlijk niets is om te weten, niet echt. Geen betere illustratie hiervan dan een verbijsterende scène ergens in het midden van Lost in Translation die verder niets met het verhaal of de personages te maken lijkt te hebben: op de voorgrond is een golfspeler in opperste concentratie bezig zijn slag te oefenen. Hij heeft alleen oog voor het balletje, voor hoe je een perfecte swing voor elkaar krijgt. Dat lukt; met een sierlijke boog trekt het de lucht in, over de groene velden heen, wit afgeketst tegen een achtergrond gevormd door de berg Fuji, een overweldigend en mysterieus en eeuwig fenomeen, maar desalniettemin voor de golfspeler een onzichtbaar verschijnsel.

De berg is evenwel alles: net zo als de golfspeler de poëtische schoonheid van de berg negeert, zo zijn de mensen waarmee Bob en Charlotte in de stad in aanraking komen, stuk voor stuk eendimensionale personages die alleen maar de waan van de dag najagen. Echte, menselijke reacties lijken niet meer mogelijk, noch zijn deze anonieme figuren in de stad vol felgekleurde lichtjes ertoe in staat een menselijke connectie met elkaar te maken. Het is alsof dat neonlicht alle diepte wegneemt. Communicatie faalt; alles van waarde, emotie, gevoel, gaat verloren in de onmogelijke vertaling.

Lost in Translation gaat over de leegte van de cultuur van vermaak en celebrity. Coppola’s personages wandelen dromerig door het leven, getraumatiseerd door de afwezigheid van schoonheid in het alledaagse. Hierbij is het zowel tragisch als onvermijdelijk dat ze nauwelijks in staat zijn een verandering te forceren. Coppola laat een stad, een maatschappij zien waarin entertainment een religie is, opium voor het volk. Waarin iedereen een ster wil en kan zijn. De karaokescène waarin Bob probeert More Than This te zingen is zowel hilarisch als tragisch. De poging een echte popster na te doen oogt moe, cynisch bijna. Plichtmatig. Omdat het spelen van een rol het enige is wat hij kan.

NOG EEN KEER Bryan Ferry, maar nu in Somewhere. Hij zingt: ‘Something here inside cannot be denied.’ Het nummer Smoke Gets in Your Eyes illustreert de verandering in de thematische ontwikkeling bij Coppola: iets hier wacht om te worden ontdekt, iets menselijks.

Na Lost en Marie focust zij opnieuw op een beroemdheid: de ogenschijnlijk leeghoofdige actiester Johnny Marco (Stephen Dorff) die in een hotel in Hollywood woont waar veel andere sterren en andere buitenissige artiesten thuis zijn. Wanneer zijn elfjarige dochter Cleo (Elle Fanning) voor de deur staat verandert er blijkbaar niet zo veel; de gescheiden Johnny gaat door met drinken, pillen slikken en anonieme seks. En vooral met niets doen. De film opent met een prachtige scène waarin Johnny minutenlang rondjes rijdt met zijn zwarte Ferrari. Coppola rekt de scène doelbewust lang uit waardoor tijd een metafoor wordt voor de zinloosheid van Johnny’s leven. Decadent als Marie Antoinette en verveeld als Bob huurt hij twee paaldanseressen in voor een show in zijn kamer. Johnny ligt op bed naar de jonge, halfnaakte vrouwen te staren. De performance is mechanisch, leeg, het betekent niets.

Wanneer Cleo verschijnt verandert de toon van de film. Coppola beeldt haar uit als een engel die over haar verfomfaaide vader heen buigt, haar gezicht vol in beeld, de belichting zacht, met zelfs de suggestie van een stralenkrans.

Haar puurheid, zo duidelijk dat het onmogelijk te ontkennen valt, staat in schril contrast met Johnny, wiens identiteit een wirwar van spiegelbeelden is. Voor een film moet hij zich een masker laten aanmeten bij de special-effectsafdeling. Coppola’s camera brengt zijn gezicht, bedekt onder een dikke laag wit, vloeibaar rubber, in beeld: een man zonder een identiteit behalve datgene wat aan de oppervlakte zichtbaar is. Het statement is even secuur als doelbewust: de acteur gaat ten onder aan de ontmenselijking die onvermijdelijk het gevolg van het gefabriceerde massavermaak is. Voor karakter, iets echts en waardevols, is geen plaats meer.

Net als andere Coppola-personages is ook Johnny beroemd, maar het punt is juist dat ze allemaal ook gewone mensen representeren. Een van de belangrijkste ontwikkelingen in de populaire cultuur van de laatste jaren is juist dat de kloof tussen ‘filmster’ of ‘acteur’ en gewone mensen verdwenen is, wat Coppola effectief communiceert door uitgerekend Chris Pontius, een gewone jongen die beroemd is geworden als lid van Jackass, te casten als boezemvriend van Johnny. Het gaat niet om het feit dat Johnny of Marie of Bob beroemd is of dat ze acteren, maar om het idee dat het ‘spelen’ in hun leven de plaats van echte emoties en gedachten heeft ingenomen. Alle drie personages proberen hiervan weg te breken. Dat doet vooral Bob als hij aan het einde van Lost in Translation ‘iets’ in het oor van de mooie Charlotte fluistert. Wat hij zegt is echt, waardevol, en juist daarom mogen wij daar geen deelgenoot van zijn.

En Johnny? ‘Ik ben niets’, zegt hij tegen zijn ex, ‘niet eens een mens.’ Finaal verloren lijkt hij. Maar Coppola is een te goede cineast om het hierbij te laten. In Lost in Translation is haar statement dat de essentie van menselijke interactie echt, tastbaar en waardevol zou moeten en kunnen zijn, ook al is de wereld om deze personages heen ook nog zo nep en decadent. Maar in Somewhere levert zij eindelijk het bewijs voor deze theorie, namelijk dat zo’n verandering anno 2011 daadwerkelijk mogelijk moet zijn, ook al blijft de ideologie van het populaire in de globale republiek van vermaak verleidelijk en allesomvattend, als het vluchtige plezier van de volmaakte golfswing terwijl de eeuwige schoonheid van de berg op de achtergrond vervaagt.


Somewhere draait nu in de bioscoop