De glanzende kiemcel

De Oostenrijker Thomas Bernhard, ‘verhalenvernietiger’, is altijd omstreden geweest. Een vroege verhalenbundel bevat al de thema’s die in zijn oeuvre telkens terugkeren.

Van de in 1989 overleden Thomas Bernhard is er bij ons in de jaren zeventig en tachtig het nodige vertaald, romans en vooral toneelwerk, maar een groot succes is dat nooit geworden, zodat het na Oude meesters in 1991 (een door Thomas Graftdijk congeniaal vertaalde buitengewoon komische roman) stil werd om Bernhard – wat mij betreft een onverdraaglijke stilte.

Ik reken de Oostenrijker niet alleen tot de radicaalste maar ook tot de belangrijkste en diepst gravende auteurs van na de Tweede Wereldoorlog. Na Bernhard, is mijn ervaring, valt veel literatuur door de mand als misplaatste ijdelheid of interessantdoenerij; hij is zo’n auteur bij wie je vanaf de eerste regel voelt dat er meer op het spel staat dan het verlangen literair voor vol te worden aangezien, erbij te horen en mee te mogen op een gezellig schoolreisje naar Frankfurt. Integendeel eerder, bij Bernhard weet je van meet af aan dat dat verlangen iets suspects heeft; een schrijver, zeker een Oostenrijkse schrijver in zijn omstandigheden, kan alleen iets van belang voortbrengen als hij nergens bij wil horen.

In Mijn prijzen, nog door hemzelf samengesteld maar postuum verschenen in 2009, ook in Nederlandse vertaling, geeft hij een hilarisch verslag van de prijzen die hij aanvankelijk nog tegen heug en meug heeft aanvaard, van de dankredes die meestal regelrechte filippica’s waren en, ten slotte, van de opzegging van zijn lidmaatschap van de Academie voor Taal en Literatuur te Darmstadt, nadat Walter Scheel, voormalig Luftwaffe-officier en bondspresident van West-Duitsland, tot erelid was benoemd. Het enige doel van de bijeenkomsten van de Academie, schrijft hij, is de zelfbewieroking in luxueuze hotels om vervolgens ‘een kleine week om de half bedorven, smakeloze literaire brij heen te draaien. Is één dichter of schrijver al belachelijk en, waar dan ook, voor menselijk gezelschap moeilijk te verdragen, hoeveel belachelijker en onredelijker is een hele horde schrijvers en dichters en mensen die zich daarvoor aanzien op één hoop!’

Medium hh 15769959
Thomas Bernhard – verhalen waren hem te behaaglijk © Brigitte Hellgoth / Sueddeutsche Zeitung Photo / HH

Nu doet de kleine uitgeverij IJzer een moedige poging Bernhard ook in ons land aan de vergetelheid te ontrukken – in het Duitse taalgebied, speciaal in Oostenrijk, wordt hij in obscure kringen nog altijd als nestbevuiler weggezet, maar is zijn rang in de serieus te nemen literaire wereld inmiddels onomstreden. De nieuwe vertaling betreft een drietal verhalen uit de jaren zestig, waarvan het eerste, Kulterer, tevens Bernhards eerste prozastuk is nadat hij in de jaren vijftig was gedebuteerd als dichter. Het boek, Op de boomgrens, is een ijzersterke introductie in zijn werk. Het is, kan men achteraf constateren, tevens de kiemcel waaruit zijn kolossale oeuvre zou groeien, niet, zoals bijvoorbeeld bij Van der Heijdens Tandeloze tijd, als een zich almaar vertakkende en dus zich uitbreidende reeks verhalen, maar op een abstracter niveau: thematisch, stilistisch en filosofisch.

Want – en dat is meteen vermoedelijk de belangrijkste reden waarom hij hier zo weinig enthousiasme teweegbrengt – Bernhard is geen verhalenverteller, hij noemt zichzelf juist een ‘verhalenvernietiger’: als hij ook maar iets ziet opdoemen wat op een verhaal lijkt, zegt hij, schiet hij erop af om het te vernietigen. Verhalen zijn hem te behaaglijk, doen te veel denken aan de gezelligheid van het kampvuur, de stamtafel, de leesclub.

Kulterer is de eerste schrijversfiguur in Bernhards werk waarmee hij ook zijn eigen positie probeert af te bakenen: de man noteert als gevangene, beschuldigd van moord maar intussen absoluut geweldloos, zijn ‘nachtelijke invallen’, om ze daarna ter vermindering van de onderlinge spanningen met succes aan de andere gevangenen voor te lezen – een bemiddelende, pacificerende intentie die verrassend mag klinken voor wie Bernhard alleen als kankerende misantroop kent. Kulterer kan, net als zijn auctor intellectualis, alleen in het donker schrijven, ook alleen in een ‘volledig onbetekenende, bespottelijke en steeds kleiner wordende’, maar altijd zorgvuldig ingerichte ruimte. Alleen schrijvend, in uiterste concentratie, kan hij met zichzelf in het reine komen, pas dan voelt hij ‘grond onder de voeten, een hemel boven de aarde (…). Plotseling berustten gevolgen werkelijk op oorzaken. Opeens was er wat ook hij “hiërarchie” noemde. Links en rechts van zijn levensweg schakelde anarchie, zoals hij dacht, zichzelf vanzelf uit. En op de pijlers van de mathematiek ontdekte hij de poëzie, de muziek die alles bijeenhoudt.’

‘De muziek die alles bijeenhoudt’, dat is misschien de beste typering van Bernhards proza

Geen wonder dat hij de dag van zijn vrijlating vreest als ‘de afschuwelijkste dag’ van zijn leven, en de slotregels, waarin een citaat van Robert Walser is verwerkt, lijken dat te bevestigen: ‘Op het binnenplein hoorde hij hoe de bewaker een gevangene neersloeg. Zo vlug hij kon verwijderde hij zich van de gevangenis het landschap in, dat, heuvelig, bruin en grauw, dampte van hopeloosheid.’

‘De muziek die alles bijeenhoudt’, dat is misschien de beste typering van Bernhards proza, vooral van het latere proza, dat steeds meer berust op een procédé van eindeloze herhalingen met variaties die naar een steeds sterker, zuiverder, hyperbolischer, onmogelijker formulering tasten, waardoor de associatie met barokmuziek, soms ook met seriële muziek zich opdringt. Bernhard is een herhalings-, variatie- en overdrijvingskunstenaar, ook expliciet. Auslöschung, zijn laatste grote roman (1986), bevat tegen het einde een schitterende improvisatie over dit thema, waarin de auteur – het ruim zeshonderd pagina’s dikke boek bestaat uit één eindeloze monoloog met talloze ingebedde dialogen – zijn eigen ‘overdrijvingsfanatisme’ als enige mogelijkheid ziet om tot een overdrijvingskunst te komen ‘die de eigenlijke feiten onzichtbaar maakt’, de enige mogelijkheid dus ook om hem (en de lezer, net als de gevangenen in Kulterer) uit de armzaligheid van zijn bestaan te redden.

Bij herlezing van Auslöschung moest ik sterker dan ooit aan Adorno denken, als filosoof ook een nadrukkelijke overdrijvingskunstenaar. ‘Aan de psychoanalyse is niets waar behalve de overdrijvingen’, staat in Minima Moralia (1951). En in Erziehung nach Auschwitz (1966): ‘Ik heb het duistere overdreven, volgens de stelregel dat tegenwoordig alleen de overdrijving het medium van de waarheid is.’

Adorno is in 1969 overleden, voorzover ik weet hebben de auteurs elkaars werk niet gekend, maar de verwantschap is frappant. Bernhards onder meer in de vroege roman Frost (1963) geformuleerde inzicht in de emotionele en psychologische verharding als bijproduct van de blinde, wetenschappelijke beheersing van de natuur, zou zo uit Dialektik der Aufklärung (1944) kunnen komen. De roman- en toneelschrijver Bernhard, als ‘onecht’, vaderloos, aan een ernstige longziekte lijdend kind opgevoed door zijn geliefde grootvader, zocht zijn heil aanvankelijk in de muziek, Adorno excelleerde al vroeg als muziekcriticus en avant-gardecomponist in het spoor van Arnold Schönberg; beider proza convergeert in een uiteindelijk steeds verder gaande overgave aan de lokroep van de ritmische herhaling oftewel naar ‘de muziek die alles bijeenhoudt’.

Maar dat is niet het enige. In De Italiaan, het tweede verhaal uit Op de boomgrens, heeft een man, de vader van de ik-figuur, zelfmoord gepleegd op de plek waar twintig jaar eerder twintig Polen zijn vermoord door de Duitsers. De verteller, destijds twaalf jaar oud, heeft het schreeuwen van de Polen vanuit zijn kamer kunnen horen en sindsdien heeft hij, twintig jaar lang, ‘gedacht nooit meer te kunnen ontsnappen aan het geschreeuw van de tegen de muur gezette Polen’. En dat ‘nooit meer’ blijkt voor hem, voor Bernhard, maar evenzeer voor andere auteurs, Adorno misschien als eerste, van voorspellende waarde: het gebulder van de nazi’s, het brullen van de opgehitste hordes, het schreeuwen van de slachtoffers is in hun latere werk niet afgezwakt, integendeel, hypergevoelig als zij waren voor het voortleven van nationaal-socialistische sympathieën in democratische tijden zijn deze gruwelgeluiden steeds meer de grondtoon van hun werk geworden. Dat is zeer letterlijk het geval in Bernhards laatste, schandaal verwekkende toneelstuk Heldenplatz, geschreven in opdracht van het Weense Burgtheater dat zijn honderdjarige bestaan vierde, en daar in november 1988 ook voor het eerst opgevoerd. Plaats en tijdstip zijn van belang: het was precies vijftig jaar geleden dat Hitler op dat plein werd toegejuicht vanwege de Anschluss van Oostenrijk; bovendien lag de zogenaamde Waldheim-affaire – de controverse om de bondspresident die loog over zijn rol als gedecoreerd nazi-officier – nog vers in het geheugen.

Opnieuw is de begrafenis van een zelfmoordenaar de uitgangssituatie van Bernhards tekst: professor Josef Schuster, joods wiskundige en naar eigen zeggen een ‘precisiefanaticus’, is uit het raam van zijn appartement met uitzicht op de Heldenplatz gesprongen. Zijn broer Robert, een tot aanpassing neigende opportunist, noemt Oostenrijk niettemin ‘een geest- en cultuurloos riool dat in heel Europa zijn penetrante stank verspreidt’; de socialisten in Oostenrijk noemt hij ‘zonder meer misdadig’, het socialisme een ‘weerzinwekkend pseudo-socialisme dat het nieuwe nationaal-socialisme mogelijk heeft gemaakt’. Het stuk eindigt ermee dat de weduwe van de overleden professor, die al haar leven lang lijdt aan paranoïde akoestische hallucinaties, tijdens het diner tot gek wordens toe getergd wordt door het aanzwellende ‘Heil Hitler’-geschreeuw op de Heldenplatz, waarna zij met het gezicht voorover, dood, op tafel valt.

Het schandaal was al voor de première losgebarsten. Na voorpublicatie van een aantal fragmenten in diverse bladen gilde populistisch rechts en extreem-rechts Oostenrijk moord en brand. De voorstelling mocht niet doorgaan of moest worden gecensureerd. Waldheim vond het stuk bij voorbaat een ‘belediging van het Oostenrijkse volk’, Jörg Haider vond dat de ‘schoft’, Bernhard, uit Wenen moest worden verwijderd. Maar tijdens de voorstelling werden de fluitconcerten door instemmend applaus van een enthousiaste meerderheid overstemd. De verguisde auteur, die na afloop – voor het laatst – naast regisseur Claus Peymann op het podium verscheen, beschouwde de voorstelling als een gelukkig stemmend afscheidsgeschenk. Hij overleed een paar maanden later, op 12 februari 1989.