De gleeën van de slaap

HAFID BOUAZZA
SPOTVOGEL
Prometheus, 119 blz., € 16,95

ARTHUR WEVERS
BITTERGARNITUUR
Contact, 272 blz., € 24,95

Debutant Arthur Wevers schreef een curieuze roman in verzen in vlot lopende coupletten van elk veertien meestal jambische regels. Schatplichtig uiteraard aan het meesterwerk Eugene Onegin (1833) van Poesjkin, dat ook uit veertienregelige coupletten bestaat en een vergelijkbaar metrum bevat. Poesjkins werk is een hybride mengvorm van parodie, huiselijke banaliteit en verheven romantiek en ook wat dit betreft kent Wevers zijn klassieken.
Wevers’ verhaal speelt zich af op en rond de burelen van literaire uitgeverijen. Redacteuren en andere werknemers plus hun vriendjes, allemaal boekgekken, zitten in cafés, bezoeken boekpresentaties, gaan met elkaars vrienden en vriendinnen naar bed, drinken en roken te veel en bespreken en passant allerlei literaire kwesties. De ik-verteller is zo’n redacteur en wil een autobiografie in verzen schrijven. Dit alles levert een dolgedraaid verhaal op dat zich met volle kracht en in razende vaart aan mij openbaarde en waarin gorigheid, banale onzin, verheven filosofische bespiegelingen en pornografie pur sang gezellig dwars door elkaar aan bod komen. Een citaat, anders blijft deze bespreking te abstract: ‘Waarom had ik tegen mezelf gezegd/ dat ik een boek moest schrijven? Ik had geen tijd/ voor dat soort flauwekul. En daarbij: zo slecht/ was het met mijn geloofwaardigheid/ als redacteur toch ook weer niet gesteld?/ Ik was ook geen geloofwaardige held/ van een autobiografische roman./ Er kwam alleen maar een hoop ellende van/ als je jezelf op die manier bekeek./ Zoveel begreep ik ondertussen wel/ Bovendien: ik pleegde nu geen overspel/ met Wendy Schmidt. Mijn pik werd slap. Ik zeek./ Ik liep de kamer in. We neukten weer./ En vervolgens neukten we nog een keer.’ En zo gaat het door en door: bespiegelingen over schrijven, afgewisseld met gepeperde seksscènes, dronkemansgelal, reflecties over metaforen en spanningsbogen en dan weer braken. Als je het allemaal eens rustig bekijkt geeft dit hoogst amusante en ingenieuze verzenboek langs een omweg een satirische visie op het eeuwige vorm-en-inhoud-debat dat de literatuur tot op de dag van vandaag teistert. Is het mogelijk een roman te schrijven die niet blijft steken in de bekende clichés over de werkelijkheid waar de meeste romans het van moeten hebben? Wevers schreef een hilarisch en tegelijk interessant antwoord op deze vraag.
Ook Hafid Bouazza’s novelle Spotvogel cirkelt rond de problematiek van schrijven. Een schrijver die luistert naar de voornaam Hafid probeert in Marokko bij te komen van een moeizame periode in zijn leven. We mogen hierin voor een deel natuurlijk de schrijver Bouazza zelf herkennen, die de laatste tijd in interviews zijn drankproblematiek becommentarieerde; autobiografisch wordt het allemaal niet. Literair wel. Er is sprake van antidepressiva die niet werken en van een moeder die de schrijver verzorgt. Allemaal klassieke gegevens uit de romantische schrijftraditie: een schrijver komt bij van een moeilijke periode, hij heeft een schrijversblok, waarover moet hij schrijven? En dan biedt zich in zijn directe omgeving een verhaal aan. Of is dit verhaal een weergave van de oorzaak van zijn depressie? Gebruikt hij deze vertelling om zichzelf te genezen? Deze dubbelzinnigheid moet de aandacht gevangen houden, maar bij mij lukte het niet goed. Alles wordt verteld op de toonhoogte en in de sfeer van een sprookje in Oosterse Kringen. Niet in die van Duizend-en-één nacht, want daarin gaat het heel wat bloediger, concreter en toch ook geheimzinniger toe dan in dit verhaal over twee gelieven die elkaar niet mogen en kunnen krijgen.
Bouazza zet net als in zijn eerdere werk een sprookjesachtige vorm van schrijfverlangen in, die bij hem altijd vergezeld gaat van een uitermate bloemrijke stijl. Alles wordt bij hem van poeder, alsof alles in wazige verten ligt, in nevelen is gehuld. ‘De muren geelden, de sofa purperde, het goudde in het huis, toen ik met moeite bezweet wakker werd. Het middaglicht in het voorhof was een groene jeugdschijn, door de gleeën van mijn slaap brandde een rode gloed, en na lange tijd, zeker een halfuur van knikkebollen, was daar eindelijk weer het gouden beeld, de goudenregen, de gouden lichtregen, de goudsmidse van de middag.’ Het moet van hem blijkbaar zo, daar leg ik me dus wel bij neer, maar deze keer raakte het me allemaal niet erg. Oké, dacht ik bij het citaat hierboven: het was dus middag, so what! Waarom precies al die omhaal van woorden? Je moet dit als recensent natuurlijk niet te vaak gaan denken, voordat je het weet maak je de hele literatuur kapot, maar ik werd in ieder geval deze keer niet tot de sfeer van dit werk toegelaten. Bouazza slaagde er niet in me in te wijden, om het eens anders te formuleren. Misschien had dit toch ook te maken met de roman die ik tegelijkertijd las: De welwillenden van Jonathan Littell over de wandaden van een SS’er. Eerlijk is het vast niet om dit verpletterende en angstaanjagende meesterwerk te vergelijken met Bouazza’s weinig ambitieuze novelle. Maar toch. De kwaliteit van een roman op zich bestaat uiteraard niet, ze bestaat alleen in vergelijking met andere romans.