Essay Verslaafd aan de welvaart

De glinsterende prijzen

Geld verdienen met nietsdoen bestaat al eeuwen, maar heeft nu geleid tot een ongekende crisis in het Westen. Misschien moeten we eens goed naar onze ‘diensten’-sector kijken, die vooral bestaat uit geld maken met geld dat we niet hebben.

OP EEN OCHTEND IN 1995 verdiende ik elfduizend gulden met nietsdoen. Een paar weken eerder had ik opgevangen dat de halfjaarcijfers van ABN Amro gunstig zouden zijn. De mededeling was gedaan met een vorm van quasi-neutraliteit die mij pas een half uur later deed beseffen dat ik me op de geheime afslag naar onverwachte welvaart bevond.
Ik was in die tijd kortstondig welvarend. Van mijn roman waren in Nederland meer dan honderdduizend exemplaren verkocht, de verkoop van de rechten had in Duitsland geleid tot een veiling in een hotellobby die het hoogste bedrag ooit voor een Nederlands boek opbracht en nieuwsgierig geworden uitgevers in andere landen kwamen met uitzonderlijk hoge biedingen. ‘Zloty’s!’ om met schrijver Adam Morris, de hoofdpersoon uit Frederic Raphaels The Glittering Prizes te spreken.
Ik kocht voor negentigduizend gulden ABN Amro. Dat was op tienduizend gulden na mijn hele kapitaal. Ik wilde een beetje overhouden 'voor het geval dat’, hoewel er in die tijd eigenlijk niet zoiets bestond. Het waren de jaren van het economische wonder. Huizenprijzen stegen en bleven dat doen. De beurskoersen gingen onveranderd omhoog en ik was voor het eerst in mijn leven helemaal in sync met de tijd.
De volgende dag was mijn aandelenpakket 101.000 gulden waard. Ik belde mijn accountmanager en gaf opdracht tot verkoop. Hij sputterde tegen: 'Die stijging gaat nog wel een tijdje door. Het dubbele zit er zeker in.’ Desondanks verkocht ik, zelfgenoegzaam tevreden met enerzijds mijn snelle winst en anderzijds mijn stoïcijnse beheersing. Ik had niet het onderste uit de kan gewild. Ik was bescheiden gebleven. Ik had me beheerst en toch had ik schandalig veel verdiend. The best of both worlds.
Hoe jaren negentig kon ik zijn?

MIJN QUICK BUCK was de daad van een knutselende amateur vergeleken met wat er gebeurde in de computers van de grote handelaren. IT had in de vroege jaren negentig een vlucht genomen en slimme wiskundigen ontwikkelden steeds betere algoritmes om fluctuacties in de markt te onderkennen, daarop te reageren en eraan te verdienen. Ik had op één aandeel veel winst gemaakt, maar wiskundig aangelegde programmeurs ontdekten dat het supermarktmodel - grote omzet en geringe marge in plaats van grote marge en geringe omzet - beter werkte en meer opleverde. Door het opkomende elektronisch verhandelen van beursproducten was dat mogelijk geworden. Enorme pakketten aandelen konden nu zeer kort in bezit zijn en na geringe fluctuaties snel worden verkocht. Het leverde gigantische winsten op en leidde tot een aardverschuiving in de beurshandel. Vergeleken daarmee was mijn uitstapje als speculant verschrikkelijk old skool.
Mijn vader had zijn bedenkingen. Hij had in de jaren zestig gehandeld en het lid op de neus gekregen toen hij zestienduizend gulden spaargeld inzette op een fonds dat volgens de buurman - die in de bankwereld zat en dagelijks in aandelen handelde - niet kapot kon.
Gedurende korte tijd stegen de koersen van Bernie Cornfields IOS inderdaad tot duizelingwekkende hoogtes en droomde mijn vader waarover hij nooit had kunnen dromen. Maar van de ene op de andere dag tuimelde de koers van achttien naar twaalf en uiteindelijk twee dollar. Toen mijn vader uitstapte was zijn kapitaaltje tot de helft verdampt. Het fonds bleek een luchtbel. Er was geen onderliggende waarde. Er waren investeringen gedaan met geld dat er niet was, in de verwachting dat gunstige economische ontwikkelingen voor zoveel groei zouden zorgen dat het verschil tussen waarde en gedane investeringen vanzelf werd ingelopen.
Van het verloren geld heeft mijn vader ongetwijfeld spijt gehad. Hij had een goede baan, maar welgesteld waren we niet. Die zestienduizend gulden waren bijeengespaard. Maar nog meer spijt had hij van het feit dat hij zich had laten verleiden tot iets wat hij eigenlijk afwees. 'Het was altijd zo’, zou hij later zeggen, 'dat aandelen een investering waren in een bedrijf, in wat het produceerde. Je had letterlijk een aandeel. Als je speculeert doe je niets anders dan geld met geld maken.’
Dat was precies wat ik had gedaan met mijn gok op de halfjaarcijfers van ABN Amro. Ik had geld gemaakt met geld. En hoewel ik me had ingehouden en uit was gestapt toen ik tevreden was met mijn winst, was mijn honger naar meer van hetzelfde niet helemaal gestild. Niet lang daarna kocht ik Elsevier, in de verwachting van grote overnames en daaropvolgende waardestijging, en BolsWessanen, omdat ik gokte dat het nieuwe fusiebedrijf grote stappen zou zetten in de richting van de toekomst die biotechnologie heette. Maar mijn aandelenbezit bracht veel onrust. Ik las niet alleen, zoals altijd al, de pagina’s met beurskoersen in de krant, maar hing ook de godganse tijd rond op internetsites met koersanalyses en financieel-economische informatie. Daarom - nadat ik mezelf streng had ondervraagd: wat ben je, een schrijver of een speculant? - verkocht ik op een dag wat ik had. Hoewel speculeren met veel minder inspanning veel meer opleverde, kon ik niet anders dan constateren dat ik een schrijver was, in al mijn vezels, en daarvoor moest afzweren wat mij afleidde.
Een jaar later belde mijn accountmanager met de vraag wat ik met BolsWessanen wilde. Ik begreep niet waarover hij het had. Alles was toch verkocht? 'O, nee’, zei hij. 'U heeft BolsWessanen gehouden. Pakweg 28.000 gulden.’ Het was een tijdje stil aan de telefoon.
Ik had in het afgelopen jaar een huis gekocht en van de 325.000 gulden die het kostte had ik eenderde contant betaald. De spaarpot was daarmee leeg en dat merkte ik, want het was financieel een moeilijk jaar met flinke belastingaanslagen. Toen mijn accountmanager belde was ik net weer zo'n beetje uit het dal geraakt. En nu bleek dat ik al die tijd 28.000 gulden aan comateuze aandelen had bezeten.
Na het telefoongesprek staarde ik voor me uit. De contouren doemden op van een beeld van mijzelf dat ik niet prettig vond. Ik had snel geld gemaakt met geld, zonder werkelijk geïnteresseerd te zijn in wat ik deed en de bedrijven waarom het ging. Ik had geen inspanning geleverd, niets geproduceerd, alleen maar verdíend. Als dat vergeten pakket BolsWessanen iets aantoonde, dan de perversiteit van mijn handelswijze.

IN 1720 VOND IN ENGELAND de eerste beurskrach in de geschiedenis plaats. Nadat de South Sea Company in 1711 het monopolie had verworven op de handel in en om de Zuidzee en de Spaanse successieoorlogen twee jaar later waren uitgemond in een gunstig ontvangen vredesverdrag lag een prachtige toekomst in het verschiet voor de onbezorgde plundering van het rijke Zuid-Amerikaanse continent. Zo prachtig leek de toekomst dat de South Sea Company een deel van de Britse staatsschuld overnam, een staatsschuld die mede het gevolg was van de oorlog.
Eigenlijk, maar dat zag destijds bijna niemand, was de South Sea Company helemaal geen handelsvereniging. Het was een financieringsinstelling die, op basis van het Zuidzee-monopolie, investeerders aantrok. De paar slaventransporten die het bedrijf uitvoerde leverden nauwelijks winst op.
Toen Spanje en Engeland in 1718 opnieuw in oorlog raakten, leken de vooruitzichten van de SSC zeer slecht. Maar niet in de hongerige ogen van de investeerders. Zij keken naar voordelen die nog niet voor iedereen zichtbaar waren, de onwaarschijnlijke rijkdom die in het verschiet lag en werkelijkheid zou worden als de vijandelijkheden definitief werden gestaakt. Om meer binnenlands kapitaal aan te trekken, dat in die tijd voor een belangrijk deel wegvloeide naar de Franse Mississippi Company die het monopolie had op de Franse handel in Noord-Amerika, nam de SSC in 1719 een nog groter deel van de staatsschuld over. Daarna begon de firma de prijs van de aandelen op te drijven. Dat lukte aardig. Handel met Zuid-Amerika was de toekomst, alleen nu nog even niet. Iedereen geloofde erin. Sommige mensen maakten al grote, hetzij virtuele winsten en weer anderen, daardoor enthousiast geworden, staken nog meer geld in de maatschappij. Nieuwe investeringsmaatschappijen, sommige bonafide, veel malafide, volgden het aanstekelijke voorbeeld van de SSC en er ontstond een koorts die zijn weerga niet kende. Wie niet meedeed, leek gedoemd een krabbelaar te blijven. Wie zijn geld rustig op de bank rente liet vergaren of het in onroerend goed stak, moest met afgunst kijken naar durfals die in een maand tijd stinkend rijk werden. De manie nam groteske vormen aan. De bouwmeester die onder Chistopher Wren verantwoordelijk was voor de constructie van St. Paul’s Cathedral, bijvoorbeeld, leende geld uit de bouwkas en belegde dat in de SSC (en werd inderdaad stinkend rijk).
In februari 1720 was een aandeel SSC 175 pond waard, tegen het einde van de volgende maand 380 en eind mei 520. Eind juni werd de duizendpondgrens bereikt. Op dat moment sloeg de stemming om en won de scepsis het eindelijk van het geloof. Aandeelhouders begonnen te verkopen. Toen zelfs de directeuren hun portefeuilles van de hand deden ging het snel bergafwaarts. In september bedroeg de waarde van een stuk nog maar 135 pond. De ballon liep leeg en faillissementen, zelfmoorden, een politieke crisis en gefnuikte carrières waren het gevolg. In het Britse parlement werd een motie in stemming gebracht om bankiers in met slangen gevulde zakken te stoppen en in de Theems te gooien. Toen Sir Isaac Newton werd gevraagd of hij, als wiskundig genie, chocola kon maken van de zaak zou hij hebben gezegd dat hij weliswaar de baan der hemellichamen kon berekenen, 'but not the madness of men’.

IK VOND HET PERVERS zoals ik in 1995 geld had verdiend met geld. Maar was het dat ook?
De grote monotheïstische godsdiensten hebben altijd een probleem gehad met geld. Alle drie - jodendom, christendom en islam - hebben gepoogd de geldhandel te reguleren en rente te verbieden. Maar er is geen verbod of gebod of er wordt wel een interpretatie of sluipweg gevonden en dus is geldhandel, monetaire manipulatie en rente net zo gewoon geworden als andere zondes.
De islam lost het probleem van de hypotheek op door een overeenkomst aan te bieden waarin de bank het huis aankoopt, tijdelijk bezit en daarna met opslag van kosten en een winstmarge doorverkoopt aan de cliënt, die de koopsom vervolgens in termijnen afbetaalt. In het jodendom bracht de nogal weidse formulering van het gebod 'Gij zult van uw broeder geen rente nemen’ uitkomst. En in het nieuwe testament wordt gesuggereerd om leningen à priori van renteopslag te voorzien, waardoor er technisch gezien geen rente over de looptijd wordt geheven. Alle drie de godsdiensten hebben het berekenen van rente overigens toegestaan zolang het niet in eigen kring gebeurde. Als de jood aan de christen en de moslim leende, de christen aan de jood en de moslim en de moslim aan de jood en de christen, was er geen vuiltje aan de lucht.
Rente, geld verdienen met geld, wordt blijkbaar als een zo essentiële systeemeigenschap gezien dat God noch gebod daar iets tegen kan doen.
Maar er is een enorm verschil tussen het berekenen van een redelijke rente op uitgeleend geld - als compensatie voor ontwaarding en het ongemak van het missen van het uitgeleende bedrag - en het maken van geld met geld. Joden, christenen en moslims zagen dat als een vorm van parasiteren.
Een verrassend aantal ondernemers en bankiers in het Europa van de vroege industriële revolutie voelde zich nog zeer aangesproken door het morele appèl van de religie. Zij hadden weliswaar geen bezwaar tegen inkomen uit rente, maar deelden de opvatting dat wie veel heeft daar niet nog een keer van hoeft te profiteren door geld uit te lenen aan hen die minder hebben. De oudtestamentische opvatting dat je jouw geluk, in de vorm van financiële welstand, moet delen en niet mag gebruiken om minder fortuinlijken te laten bloeden, leidde tot de opkomst van ongekende filantropie in de vorm van goede huisvesting voor arbeiders, de stichting van ziekenhuizen, studiefondsen voor de kinderen van minvermogenden en armenondersteuning. Overigens is er wel wat aan te merken op de negentiende-eeuwse liefdadigheid. Het was niet alleen een diepgevoeld moreel appèl dat de rijken uit die tijd deed schenken. De misprijzende regel uit het Nieuwe Testament indachtig dat een kameel makkelijker door het oog van een naald gaat dan dat een rijkaard in de hemel komt, zagen ze hun goede werken ook als een eersteklas kaartje naar een beter leven in het hiernamaals. Blijkbaar voorziet het kapitalisme niet alleen in welvaart bij leven, maar ook in meer spirituele voordelen.

DE BRITSE HISTORICUS Eric Hobsbawm geeft de jaren zestig van de negentiende eeuw aan als het moment waarop het begrip 'kapitalisme’ zijn intrede deed in het economische en politieke vocabulaire. Volgens hem is het een rechtstreeks, en ongelukkig, uitvloeisel van het revolutiejaar 1848. Het failliet daarvan, in een groot aantal Europese landen, schiep ruimte voor de middenklasse. Die was door de volksopstanden in een positie geraakt waardoor zij eindelijk haar kennis, macht en geld kon laten spreken. Die kans werd de bourgeoisie gegeven door de machthebbers, omdat de middenklasse werd gezien als een middel om stabiliteit te brengen in het onrustige Europa. Daardoor ontstond de merkwaardige situatie dat de opstand van het proletariaat, die 'lente der volkeren’, uitmondde in wat de triomf van de middenklasse zou blijken: een handelgedreven economie die het best gedijde in een behoudzuchtig politiek bestel.
De industriële revolutie, die ongeveer gelijk op ging met de politieke revoluties van 1848 en later, werd het domein van de middenklasse, ingenieurs en ondernemende zielen die met een kleine investering grote stappen konden maken in de nieuwe wereld van mechanische massaproductie. En zo, terwijl het proletariaat aan die bloedige opstanden niet veel meer overhield dan een beetje democratie en mooie grote woorden als vrijheid, gelijkheid en broederschap, die al snel niet meer bleken te zijn dan dat, kapitaliseerde de bourgeoisie het vrijheidsideaal van de strijd door het aan te wenden voor de handel. Wat begon als een streven naar universele vrijheid voor alle mensen verwerd tot het ideaal van de ondernemer die, nauwelijks gehinderd door beperkende maatregelen, kapitaal kon maken en vermeerderen. Zoals Hobsbawm schrijft in The Age of Capital: 'The (British) industrial revolution had swallowed the (French) political revolution.’
Dat is onze erfenis, want hoe groot de zegeningen van de industriële revolutie ook zijn, de meeste zijn terechtgekomen bij een relatief kleine groep entrepreneurs die de opvatting lijken te huldigen dat hun zakelijke voorspoed net zo'n mystiek godsgeschenk is als de absolute macht van de vorstenhuizen die door de Franse Revolutie aan het wankelen werden gebracht.

DE LOFFELIJKE VRIJHEIDSIDEALEN die de moderne westerse staten de rest van de wereld zo graag mogen voorhouden hebben sinds 1848 vooral de kapitalistische economie gediend en, eerlijk is eerlijk, daarvan hebben we allemaal geprofiteerd. Onze immense welvaart heeft tot even immens welzijn geleid, waardoor onze levensverwachting hoger is, onze scholing beter, ons dagelijks leven makkelijker en onze oude dag gerieflijker. We betalen relatief minder geld voor beter voedsel (in het Westen tien tot vijftien procent van het inkomen, in China dertig en in ontwikkelingslanden tot tachtig procent, bron: NCDO). We hoeven minder tijd te besteden om te voorzien in onze eerste levensbehoeften en hebben daardoor meer tijd over voor zelfontplooiing. Een groot deel van onze behoefte aan voedsel en producten laten we produceren door arme mensen in arme landen, terwijl wij ons steeds meer bezighouden met wat wij 'diensten’ noemen, diensten die voor een belangrijk deel bestaan uit het in stand houden en uitbreiden van de geldeconomie, geld maken met geld.
Ik verlang niet naar de oude hippiedroom van een prekapitalistische fantasietijd toen iedereen zijn eigen moestuin had en een geit en de achterdeur uitnodigend openstond. Ik geloof ook niet dat de experimenten met het 'wetenschappelijke’ socialisme hebben geleid tot gezonde economieën met rechtvaardige verdelingen van kennis, macht en kapitaal. Maar ik denk dat het anders en beter kan.
Ik denk dat we tevreden kunnen zijn met wat we hebben, in plaats van altijd maar bezig te zijn met wat we kúnnen hebben (dat is waar geld maken met geld om gaat). Ik denk dat we tegelijkertijd welvarend en bescheiden kunnen zijn. Ik denk dat we veel, nee: genoeg, hebben, en dat we niet steeds meer hoeven te hebben, want er zal altijd meer zijn om te hebben. Ik denk dat we af moeten van onze verslaving aan steeds maar toenemende welvaart, dat we om ons heen kunnen kijken en kunnen constateren dat het goed is. Ik denk dat we af moeten van het idee dat we onze behoeftes kunnen financieren met geld dat we niet hebben, maar door de economische groei die we verwachten ooit denken te krijgen.
Er zit iets in het ongemak dat de grote godsdiensten voelen als het gaat om de omgang met de geldeconomie. Het kapitalistische idee dat je je geld 'voor je moet laten werken’ is precies dát: dat je zelf niet meer werkt, dat je niet productief bent. En op die manier zijn de grote financiële instellingen ook niet productief. Ze herverpakken leningen en hypotheken en stoppen ze in pakketten met een bepaald risicogehalte, en andere geldbezitters kopen die pakketten om te speculeren op ontwikkelingen in de markt of de economie. Er wordt niets gemaakt, er wordt niets toegevoegd aan het bestaan, er wordt alleen maar gegokt in de hoop nog rijker te worden dan we al zijn.
De Bhagavad Gita zegt dat de mens het recht heeft om te werken om wille van het werk, niet om wille van de vruchten. In de geldeconomie zijn alleen de vruchten van belang.