De glorie van de nietigheid

Een typische Carmiggelt-zin bevat alles: relativering, archaïsmen, melancholie – en vooral ironie. Ter ere van zijn honderdste geboortedag verschenen twee bundels met zijn ‘Kronkels’.

Medium carmiggelt gedundrukt hi res
Medium carmiggelt   dwalen door adam

Willem Frederik Hermans noemde Simon Carmiggelt ‘een literaire grootindustrieel’. De ‘Kronkels’ die Carmiggelt dagelijks voor Het Parool schreef, irriteerden hem. Vooral de thematiek vond hij storend: ‘Toneeltjes uit de huiskamer, wijze woorden van kinderen, wilde neven die wilde haren verliezen, enz. enz. gaan er altijd in als koek bij een groot publiek. Een en ander dan geschreven op de toon van ach, ach, hoe een dolle poëtische jongeling was ik vroeger en kijk eens wat een burgerlijke klungel ik tegenwoordig ben, ja, ja, zo gaat het maar, de dichtertjes hebben ongelijk.’

Daartegenover staat de opvatting van oud_-Groene-_hoofdredacteur Martin van Amerongen die de stijl van Carmiggelt van een ‘roesverwekkende perfectie’ vond, ‘slechts vergelijkbaar met een rush over het middenveld of een fuga van Bach’.

Het is inderdaad die stijl van Carmiggelt waarom hij destijds mateloos werd bewonderd. Hij was de man van de mooie zinnetjes. Je kunt er duizenden vinden in zijn kleine verhaaltjes. In elke Kronkel zit wel een mooie, poëtische zin. Carmiggelt stierf in 1987, mateloos populair. Hij zou dit jaar, op 7 oktober, honderd jaar zijn geworden.

Uitgeverij Van Oorschot en uitgeverij De Arbeiderspers komen daarom beide met een boekje met een selectie van de Kronkels. De keuze van de Kronkels bij Van Oorschot, Gedundrukt, is gemaakt door Carmiggelts zoon Frank Carmiggelt, die van De Arbeiderspers door Carmiggelts biograaf Henk van Gelder, Dwalen door Amsterdam.

De bundel van Van Oorschot is prachtig uitgegeven en is in alle opzichten een fraai bezit en wint het daarom van die van De Arbeiderspers die daarbij, ook wat betreft de inhoud, wat schril afsteekt. Maar beide zijn verder een uitstekende inleiding in de taalvaardigheid van Carmiggelt. Ze laten niet alleen een Amsterdam zien dat niet meer bestaat, maar ook een Nederland dat verdwenen is. En misschien is dat wel de reden dat Carmiggelt de afgelopen dertig jaar niet meer zo intensief werd gelezen; hoe we in die tijd veranderd zijn, tonen ons die Kronkels die soms weemoedig, hilarisch, bitter, humoristisch en pijnlijk zijn, maar nooit hard en fel. Dat is opvallend als je die Kronkels herleest: nergens is Carmiggelt, althans in zijn Kronkels, ruw of meedogenloos.

Integendeel. Blijkbaar hebben we de laatste jaren behoefte gehad aan harde oordelen.

Frank Carmiggelt heeft zijn vader recht willen doen door niet alleen de, naar zijn mening, beste Kronkels uit te kiezen, maar ook door het hele palet aan kleuren van zijn vader in de etalage te leggen. Je ziet Carmiggelt dwalen door de oorlog, langs gaan bij acteurs en actrices, hij zit in cafe’s en je ‘ziet’ en ‘hoort’ vooral mensen spreken. Van Gelder heeft zich beperkt tot Kronkels die over Amsterdam handelden. Minder breed dus. Opvallend daarbij is dat Carmiggelt niet zozeer de stad beschreef, hij gebruikte die als decor. Artis, de Wallen, de Dam – het stond al voor iets wat hij dan juist niet hoefde te beschrijven.

Maar wat was het nu in dat taalgebruik dat Carmiggelt zo goed maakte? Ik geef wat voorbeelden van typische Carmiggelt-zinnen. Uit Gedundrukt.

‘Zijn echtgenote, die wij op een moeilijk levenstijdstip aantroffen, dwarrelde gastvrouwelijk rond en sloeg fonteinen geestdrift uit een rots van wanhoop.’

‘Ik voelde me een beetje op de glijbaan van het lot gezet.’

‘Mijnheer Geurs is bij een bank. Hij doet daar al jaren iets heel stils in een hoekje.’

Gewone mensen. Daarover wilde hij schrijven. Maar waarom? Zeker, hij zocht het contrapunt in de krant waarin – zeker in die tijd – uiterst archaïsch werd geschreven; de taal van de ambtenaar, de rechter en de politicus straalde niet alleen gezag uit, het was usance in de pers. Wie ‘gewoon’ schreef, werd bij voorbaat al niet serieus genomen.

Maar er was nog een andere reden om te schrijven als Carmiggelt schreef en de onderwerpen te kiezen die hij heeft gekozen. Een politieke. Zijn ouders waren sociaal-democraten, echte sdap’ers. Carmiggelt: ‘Vader kwam gewoon uit de arbeidersklasse, was een vreselijk weetgierige man die altijd las. Hij las elke dag acht kranten.’ De familie, maar ook de kring van vrienden van Carmiggelt en zijn broer Jan zagen de oorlog aankomen.

Carmiggelts vriend Jan Meijer zei eens: ‘We leefden in de volstrekte zekerheid dat de oorlog zou komen. Voor ons is die oorlog niet in 1940 begonnen, maar in 1929.’

‘De zon scheen de kamer binnen, het was ochtend. Mijn vrouw zei: “Ik ben met een Canadees naar bed geweest”’

Carmiggelt – verslaggever – zat toen al in een groepje bohemiens dat je geëngageerd zou kunnen noemen: Rico Bulthuis, Ben van Eysselsteyn, Eduard Veterman, Henri Borel, Willem Hussem, Jan Roëde, Jan Meijer, Max Nord, Paul Steenbergen, Caro van Eyck, Nico Elslander, Alexander Pola… Ze hadden allemaal een gezonde hekel aan het nazisme en begrepen dat de oorlog het einde van hun vrijheid betekende. En broer Jan was er. Vier jaar ouder dan Simon. Ook journalist, bij Het Volk. Econoom. Een náám. Jan Carmiggelt had gezag, was briljant. Hij was zelfs ministeriabel. Henk van Gelder schrijft in zijn biografie over Carmiggelt: ‘Steeds schrijnender werd het verschil met zijn briljante broer, die al bijna aan het begin stond van een glanzende carrière in de arbeidersbeweging.’

De oorlog breekt uit en broer Jan gaat in het verzet. Hij wordt opgepakt. Dan moeten Simon en zijn schoonzusje op een dag naar de Sicherheitsdienst. ‘Ze was zeer zwanger en toen zei ik: “Nou ik ga wel met je mee.” En toen kwamen we daar op het Binnenhof en er was een vent, een portier, en die zei: “Oh, ja, gaat u daar maar naar dat gebouw.” Ik zeg tegen mijn schoonzusje: “Ga daar maar zitten.” Dus ze bleef op de gang en ik ging die kamer binnen. God, wij dachten, we krijgen een mededeling dat-ie naar en ander kamp gegaan is, hè. En daar zat dus een vent en die zat achter een bureau, en d’r liepen daar van die goedkope meissies die bij de SD werkten, weet je wel, en een van die juffrouwen komt naar me toe met een papier in d’r hand en die las mij voor dat hij dood was, terwijl mijn schoonzusje op de gang stond. Die las het gewoon voor. Nou, toen moest ik het dus aan haar vertellen, daar op die gang. En toen moest ik naar huis en toen moest ik het aan mijn vader vertellen. En ik weet nog dat mijn vader, toen ik hem dat vertelde – dat mijn vader toen zei: “Alles tevergeefs.”’

Wim van Norden, een van de oprichters van Het Parool: ‘Simon was altijd een vrolijke Frans geweest. Hardheid of wraakzucht had hij niet in zich. Maar na de dood van Jan werd dat anders.’

Het zou de toon van Carmiggelt een bittere rand geven. Simon ging naar Amsterdam en hielp mee Het Parool op te richten. Het Parool was weliswaar een verzetskrant, maar was ook een krant die de vrijheid vierde en begreep dat het met Nederland anders moest. Ze omarmden de sociaal-democratie.

Medium carmiggelt

Het Parool moest een krant worden voor gewone mensen, er moest gewoon geschreven worden, het verhaal van de gewone mensen moest verteld worden. Maar de krant wilde ook gezag houden, een rol spelen in de politiek, ze stonden dan ook dicht bij de sdap en de pvda. En goedbeschouwd zie je die ambities in de stijl van Carmiggelt.

Zijn zinsbouw en woordgebruik kenden nog de gezaghebbende archaïsmen, maar kregen altijd een wending om het ‘gewoon’ te maken. En de onderwerpen van de Kronkels stonden natuurlijk haaks op wat er verder in de krant stond: de stijve naoorlogse Nederlandse politiek, de Koude Oorlog, de politionele acties. Er viel in die tijd nog een wereld te winnen. De krant was zeer anticommunistisch – en ook Carmiggelt liet zich daarin niet onbetuigd. Maar zijn Kronkels kun je lezen als aandacht voor de Gewone Man, met hoofdletters, om wie het in feite zou moeten gaan. De ‘geklofte jongen’ was het, die leed aan het menselijk tekort. Carmiggelt wilde hem laten zien als de schlemiel die misschien zelf wel dacht dat hij de slimste was, maar toch gevangen bleef door de werkelijke macht.

Elk verhaal schuurde en was doortrokken van een bijna cynische melancholie. Godfried Bomans: ‘Het is betrekkelijk eenvoudig om van piraten, inbrekers, gifmengers en sluipmoordenaars een leesbaar boek te maken. Maar het vereist meer om een figuur tot leven te wekken, die iedereen voorbij loopt: de kleine burger. Carmiggelts glorie is de nietigheid van zijn verhaal.’

Het centrum van deze kleine nietigheid was natuurlijk het café, de beheersbare microkosmos van de wereld van de gewone man, zijn huiskamer, zijn Tweede en Eerste Kamer, zijn kantine, keuken en kerk en natuurlijk ook biechtstoel. De caféganger: ‘Hij leek me een beetje bejaarder dan ik, maar hij miste de chagrijnigheid waarmee veel oude mannen hun niet langer gehonoreerd gelijk door het leven vervoeren.’ (‘Motregen’, in Gedundrukt.)

Een typische Carmiggelt-zin waarin alles zit: relativering, archaïsmen, melancholie – en vooral ironie, waarop ik straks terugkom.

Kees Fens zei eens over die kroeg: ‘De kroeg is de terzijde-wereld. De buitenwereld is ver; soms laat ze even haar gezicht zien en het is niet verwonderlijk, dat het nooit aangenaam, maar altijd herfstig is. (…) De wereld moet buitengesloten blijven.’

De stijl van Carmiggelt was daarom in die na-oorlogse jaren indrukwekkend. De arbeider, de harde werker, de trouwe kantoorbureaucraat, de kleine ambtenaar: ze herkenden zichzelf, en Carmiggelt gaf hun niet alleen de taal die ze zelf nog niet hadden, maar ook een zekere waardigheid; ze werden serieus genomen, hun verhaal werd verteld, en dat niet alleen: hun bestaan werd verguld door die literaire verheffing.

Kijk je naar de auteurs die Het Parool toen had, dan zullen je de overeenkomsten in stijl opvallen: Han Hoekstra, Jeanne Roos, Annie M.G. Schmidt, Henri Knap, maar aan de andere kant ook een tijdgenoot als Gerard Reve hadden in meer of mindere mate die stijl. En Willem Wittkampf en Jan Vrijman (weliswaar in de Haagsche Post, maar toch bij het groepje horend) maakten die gewone man zelfs tot nieuws. En zelfs in die verhalen voerde de _Parool-_ironie de boventoon.

Die ironie was typisch iets voor de jongens en meisjes die de oorlog hadden meegemaakt, meestal in het verzet hadden gezeten en iets wilden inhalen. De oorlog was een ernstige tijd geweest, en zij wilden absoluut niet ernstig zijn. Annie M.G. Schmidt vertelde mij wel eens: ‘Er moest en zou gelachen worden. We wilden dat ook erg graag.’ En Carmiggelt: ‘Er was jarenlang niet gelachen, het werd nu tijd om dat wel te doen.’ En de ironie hielp om het leven niet zo heel serieus te nemen – je kon iets zeggen, maar het omgekeerde bedoelen. Je kon je sentimenten achter die ironie verschuilen; de ironie gaf je een subtekst waarmee je iets kon uitdrukken dat gezegd moest worden, maar te banaal zou zijn om rechtstreeks te vertellen. Carmiggelt kon dat weergaloos. Vooral in de stukken die over de oorlog gingen. In Gedundrukt staat een aantal prachtvoorbeelden. Een man die zegt: ‘Ik heb de oorlog bij me. Hier.’ En die vertelt dan een schitterend verhaal over zijn tijd in de oorlog, hoe hij opeens een dief werd om in leven te blijven, en dan komt de bevrijding. De Canadezen op de Dam. ‘Ik had die dag een hoop werk te doen. Pas aan het eind van de avond kwam ik thuis. Mijn vrouw was er niet. Er lag een briefje op tafel en daar stond op: “Ik ben de stad in. Met Elsje.” Dat was een vriendin, ook achtentwintig. Ik deed mijn schoenen uit en ging op bed liggen, moe van het werk en de emoties. Toen ik wakker werd, stond mijn vrouw naast me, met haar mantel aan. De zon scheen de kamer binnen, het was ochtend. Mijn vrouw zei: “Ik ben met een Canadees naar bed geweest. En Els ook.”’ Er ontstaat een korte discussie over het waarom. De man krijgt van zijn vrouw een pakje sigaretten en zegt: ‘“Nou weet ik ook hoe een pooier zich voelt.” Toen begonnen we allebei te lachen. Hij keek me aan. “Nee”, zei hij, “ik heb in die jaren een hoop geleerd. En afgeleerd.”’

Je kunt bijna niet anders dan met de man meeleven en meelachen. Wat zou het mooi zijn als er nog meer delen gedundrukt zouden verschijnen.


Simon Carmiggelt. Gedundrukt_. Van Oorschot, 308 blz, € 24,90._

Simon Carmiggelt. Dwalen door Amsterdam met S. Carmiggelt. Samengesteld door Henk van Gelder_. De Arbeiderspers, 256 blz, € 12,50_