De god van de boer

Ondanks het feit dat filosoof Theo de Boer (65) graag over God delibereert, interesseert de vraag of Hij bestaat hem totaal niet. Sommigen noemen hem daarom een ‘crypto-atheïst’. Aan de vooravond van zijn vertrek van de Vrije Universiteit komt hij er ruiterlijk voor uit: ‘Ik geloof niet dat er een Opperwezen is.’
THEO DE BOER heeft een aantal succesvolle boeken op zijn naam staan. Het in 1988 verschenen De God van de filosofen en de God van Pascal beleefde zelfs een paar drukken. Onlangs deed hij een essaybundel het licht zien: Langs de gewesten van het zijn, waarvan het kernthema niet wezenlijk verschilt van De God van de filosofen en de God van Pascal. Dat thema luidt: is het juist dat er een onderscheid wordt gemaakt tussen de God van de rede (dat is: de God van de filosofen) en de God van het geloof en de openbaring?

Er is echter ook een verschil tussen de twee genoemde boeken: een deel van Langs de gewesten van het zijn is voor een wat breder publiek geschreven. De Boer ziet namelijk niets in filosofie die niet op enigerlei wijze maatschappelijk functioneert. De Boer: ‘Dat klopt. Ik vind het dan ook jammer te moeten constateren dat veruit de meeste filosofie een armetierig bestaan leidt.’
Komt dat niet ook doordat Nederland sowieso niet filosofie-minded is?
'Inderdaad, het leeft hier niet. Nederland is vooral een theologisch land. Dat is vermoedelijk ook de reden waarom mijn boek De God van de filosofen en de God van Pascal zo populair is: het had twee maal het woord “God” in de titel. Theologie heeft hier de positie die de filosofie in Frankrijk heeft - les maîtres penseurs worden filosofen daar nog steeds genoemd. Natuurlijk komt er ook een hoop betweterij uit voort, maar toch, ik ben er wel eens jaloers op. In Nederland daarentegen kun je 35 jaar lang een krant lezen en niet eens van het bestáán van filosofie weten.’
In de kranten worden wel eindeloze debatten over ethische kwesties zoals euthanasie gevoerd.
'Ik houd niet van ethiek. Het gaat altijd over wat net wèl en wat net níet meer kan. In feite is het casuïstiek. De veel fundamentelere vraag waarom leven beter is dan dood zijn, wordt echter nooit gesteld. Dàt noem ik pas een interessante vraag. Zolang er leven is, is er hoop, zegt het spreekwoord. Maar waarom is dat zo? Ook dat is een filosofische vraag. Enfin, als ik dood ga, hoop ik dat niemand zich ermee bemoeit.’
En de kwestie of een moraal zonder God mogelijk is, heeft die wèl uw belangstelling?
'Ook die kwestie vind ik totaal oninteressant. Als God niet bestaat, is alles geoorloofd, zei Dostojevski. Levinas heeft het omgekeerd: als God wèl bestaat, is alles geoorloofd. Dat lijkt me een veel interessantere stelling. Want als hij bestaat, kun je je verantwoordelijkheden op een ander afschuiven. Trouwens, kijk nu gewoon eens om je heen, dan zíe je toch dat er moraal zonder God mogelijk is. Waarom zou je daar van die eindeloze debatten over moeten voeren? Ach, het is precies wat ik al zei: Nederland is een theologische land, ook dat oeverloze gepraat over moraal hoort daarbij. God en de moraal, dat zijn in Nederland de issues.’
U ZEI ZOJUIST weinig met ethiek op de hebben. Maar u heeft zich zeer in het werk van Levinas verdiept, waarin de ethiek toch zeer nadrukkelijk aanwezig is.
'Levinas’ werk heeft zeker een soort ethische uitstraling. Het gaat over de situatie van mensen. Maar dat is niet wat tegenwoordig onder ethiek wordt verstaan. Veel ethici zeggen hem dan ook niet te begrijpen. Maar niet kunnen begrijpen is vaak ook niet willen begrijpen.’
Bij levensfilosofen als Levinas gaat het vooral om de ervaring. Maar hoe die ervaring zich tot de wetenschap verhoudt, leek hem niet te interesseren.
'Inderdaad stelde hij de ervaring centraal, hij was niet voor niets een leerling van Husserl, de grondlegger van de fenomenologie. Husserl legde er de nadruk op dat wat we feitelijk waarnemen, slechts zelden spoort met een natuurwetenschappelijke theorie. Als we naar een concert gaan, dan horen we het lied toch op het podium en niet, zoals wetenschappers beweren, in ons oor? Ik denk dat het in dit kader belangrijk is onderscheid te maken tussen levensfilosofie en grondslagenonderzoek. Deze laatste tak van de filosofie is wat wetenschappelijker ingesteld. Zij zou wel degelijk de vraag stellen hoe de ervaring van het lied op het podium zich verhoudt tot het neurobiologische gegeven dat de sensatie van het geluid in de hersenen wordt gecreëerd. Levensfilosofen als Levinas stellen die vragen niet, die gaan uit van het lied dat ze dáár horen.’
NEDERLAND, zou je kunnen zeggen, is grofweg verdeeld in twee filosofische kampen: de wat meer positivistisch ingestelde filosofen versus de traditionele levensfilosofen. Deze tweedeling vinden we ook terug in de discussie over de vraag of theologie en levensfilosofie vandaag de dag nog aan de universiteit thuis horen. Uiteraard vinden de positivisten van niet.
'Ik kan me voorstellen dat als je de theologie wilt afvoeren, je hetzelfde wilt met de levensfilosofie. Gelijke monniken, gelijke kappen. Punt is alleen dat je er dan nog wel meer vakken uit kunt gooien: de literatuurwetenschap, delen van de psychologie, de figuratiesociologie, eigenlijk alle vakken die het voor een groot deel van interpretatie moeten hebben. Maar als ik me nu even beperk tot de theologie en de levensfilosofie, dan geef ik op één punt het andere kamp gelijk: een filosofie die uitgaat van de waarheid van de openbaring vind ook ik tamelijk zinloos. Maar een theologie die de waarheidsvraag stelt, waarom zou dat niet kunnen of mogen?
Daar komt echter nog iets bij. Als je al die genoemde zaken eruit gooit, dan zou dat een verarming van de universiteit betekenen. Een universiteit is namelijk ook een instituut waarin men behoort na te denken over vragen aangaande het leven. Toen ik nog aan de Universiteit van Amsterdam werkte, heb ik het standpunt verdedigd dat èlke universiteit een grondslag moet hebben; een universiteit staat immers ook voor bepaalde waarden. Ik wil maar zeggen: de universiteit is niet alléén een wetenschapsinstituut. Dat is ze ook nooit geweest.’
Aangaande de theologie had u het over het stellen van de waarheidsvraag. Doelt u op de vraag of God wel of niet bestaat?
'Dat is nog de minst belangrijke vraag. Met het stellen van de waarheidsvraag doel ik bijvoorbeeld op de vraag waarom het volk van Israel veertig jaar door de woestijn heeft gezworven. Wat leerden ze daar nu eigenlijk? De woestijn, dat is een heel centraal symbool in de bijbel. Waarom? En: wat is de waarheid ervan voor ons? Om die dingen gaat het. Of het Opperwezen werkelijk bestaat, ach, dat is in feite een heel onwezenlijke vraag. Als filosoof stel ik me de vraag: waaròm moet Hij bestaan? Wat is het belang ervan? Maar ja, dat zijn geen wetenschappelijke vragen, dus worden ze nauwelijks meer gesteld.
Als je leest wat volgens filosofen als Cliteur en Philipse bewezen moet worden, dan hoop ik eigenlijk dat Hij niet bestaat. Want wat heb ik aan dat bestaan? In het laatste gezang van “Het paradijs” van Dante wordt God aangeroepen met de woorden: “O eeuwig licht dat slechts rust in uzelf/ slechts uzelf kent en door uzelf begrepen/ en kennend uzelf, uzelf bemint en toelacht.” Welnu, wat heb ik eraan om te weten dat er een zichzelf veroorzakend wezen bestaat dat volkomen perfect en gelukkig is, totaal in zichzelf gekeerd en dat zich dientengevolge van het lijden niets kàn aantrekken? Ik vind dat godsbewijzen het geloof in feite vernietigen. Vergelijk het met de liefde: als je wilt bewijzen dat je partner van je houdt, en dat zou je lukken, dan zit je met lege handen. De essentie van de liefde is immers de inherente onzekerheid waarin je verkeert. Zo is het ook met geloof. Als je kunt bewijzen dat God bestaat, dan is de aardigheid er volgens mij meteen af. Daarom heet het ook: hoop, geloof en liefde - het is een lofzang op de onzekerheid.’
In Trouw schreef u onlangs dat u geen flauw idee heeft waarover de oorlog tussen geloof en wetenschap zou moeten gaan. Maar u kent toch wel die 'ware’ gelovigen die er als de kippen bij zijn om, onder het motto 'het is maar vanuit welk gezichtspunt je het bekijkt’, de wetenschap proberen te relativeren?
'Dat is absoluut waar. Als je van mening bent dat het Opperwezen echt bestaat, dan krijg je bijna automatisch problemen met sommige takken van de wetenschap, vooral met de evolutietheorie. Zelf zie ik het scheppingsverhaal als een grandioos gedicht. Ook vind ik het een fantastische vondst om het ontstaan van de wereld te beschrijven vanuit die indeling in zeven dagen. Die zeven dagen waren er kennelijk al, die waren al geschapen. Hetzelfde geldt voor de duisternis - die moet er ook al zijn geweest. Hoe kun je anders licht scheppen? Ook Augustinus had moeite met dit soort kwesties. Daarom liet hij God twee keer scheppen: eerst chaos, toen orde. Maar waaròm staat dit alles dan niet wat nauwkeuriger in het scheppingsverhaal omschreven? Omdat het triviaal is. Met andere woorden: het scheppingsverhaal gáát helemaal niet over de oorsprong van de wereld of over de oerknal. Dat is toch kul?
Ik begrijp ook absoluut niet wat christenen tegen de evolutietheorie hebben. Ik zeg wel eens: als je ergens een spoor van God vindt, dan is dat juist in de evolutie. Wat wij vanuit onze ervaring zien, is immers almaar toenemende chaos. In de evolutie zie je het tegenovergestelde: orde uit chaos. God roeit als het ware tegen de stroom op. Ach, je kunt toch niet serieus beweren dat er een Opperwezen is geweest dat op zeker moment even met de vingers heeft geknipt?
Veel christenen zijn geobsedeerd geraakt door de vraag wat de eerste oorzaak is. Die eerste oorzaak geldt alleen niet voor het Opperwezen zelf, Die heeft zichzelf veroorzaakt, denken ze. Ik lees momenteel Brieven aan geschoolde arbeiders van Van het Reve. Daarin beschrijft hij een droom waarin hij tijdens een feestje God tegenkomt als jongeman, uiteraard een jongeman van een ongelooflijke aantrekkelijkheid. Met zijn bekende schroom en brutaliteit stapt Van het Reve op de jongeman af en zegt: “Zichzelf veroorzakend wezen, hoe maakt u het?” Het antwoord van de luidt: “Ik ben erg gelukkig, mijn bevrijding is begonnen.” Nu kan dit twee dingen betekenen: ik ben de bevrijder of ik zal bevrijd worden. Met feilloze intuïtie kiest Van het Reve dan voor Gods eigen bevrijding. Die zelfveroorzaking is immers ook de beschrijving van de absolute eenzaamheid.
Augustinus heeft op dit thema ooit een grapje bedacht. Vraag: wat deed God voor de schepping? Antwoord: Hij was bezig een hel te maken voor degenen die die vraag stellen. Dat is een grap van grote filosofische diepgang. Je kunt immers niet vragen wat God deed vóór… als er helemaal nog geen sprake van tijd is.’
HET IS ALSOF ik een citaat uit het 'Atheïstisch manifest’ van Herman Philipse hoor.
'Philipse zei ooit tegen me dat ik niet interessant voor hem was. Volgens hem ben ik namelijk een crypto-atheïst, een bedrieger met andere woorden. Maar ik zit de zaak heus niet te bedonderen. En uiteraard kan ik niet helder denken. überhaupt kunnen gelovigen volgens hem niet helder denken. Zeker, ik moet natuurlijk de theoretische mogelijkheid openhouden dat Philipse beter kan denken dan ik. (Luid lachend.) Maar dat is wel ècht theorie, hoor.’
U bent geen crypto- maar gewoon atheïst?
'Ik ben in elk geval géén crypto. Mij gaat het om de vraag: wat bedoel je met het woord “God”, en niet om de vraag of Hij wel of niet bestaat.’
U gelooft dus niet in het feitelijke bestaan van een Opperwezen - laten we deze mist tenmìnste even wegblazen.
'Klopt, ik geloof niet dat er een Opperwezen bestaat. Ik heb wel eens gezegd dat ik geloof in de manier van denken zoals ik die in de bijbel aantref, en de bijbel zie ik als een netwerk van overtuigingen. Wie is dan God? Hij wordt impliciet in die verhalen en overtuigingen gedefinieerd.’
Maar die overtuigingen hebben ook een hoop moord en doodslag veroorzaakt.
'Dat is zo. Het christendom bestaat nu tweeduizend jaar, en het is een hopeloze zaak te willen verdedigen wat er in die tijd allemaal is gebeurd. De eigenlijke reden om met geloven op te houden ligt dan ook daarin, en niet in de wetenschap.
Aan de andere kant: hebben de atheïstische ideologieën ons dan zo veel verder geholpen deze eeuw? Het marxisme heeft in de loop van de tijd alle kenmerken van religie gekregen. Er wordt op dit moment in Rusland geruzied over de vraag of Lenin alsnog moet worden begraven. Tegenstanders vinden dat deze daad Lenin zou “ontheiligen”. Nu ja, net wat ik zei: de feitelijke reden om ongelovig te worden ligt buiten de wetenschap. Ook dit heeft Van het Reve heelmooi verwoord in zijn dichtregel: “Dat Koninkrijk van U, weet U wel, wordt dat nog wat?”’