De godbouwers

Na de mislukte opstand van 1905 verkeerden de bolsjevieken in een diepe crisis. Sommigen, onder wie de schrijver Gorki, zochten ten einde raad hun heil in God. Tot Lenin daar koelbloedig een eind aan maakte.

IN DE ZOMER VAN 1909 confereerde te Parijs de bolsjevistische fractie van de Russische Sociaal-Democratische Partij. Op de agenda stond een resolutie die in felle bewoordingen de activiteiten van de zogeheten ‘godbouwers’ veroordeelde. De resolutie werd aangenomen. God was bij acclamatie afgeschaft.
De reden waarom de bolsjevieken, toch een vereniging van notoire atheisten, het op dat moment noodzakelijk achtten hun ongeloof in God nog eens nadrukkelijk te betuigen, was omdat de Almachtige er op slinkse wijze in was geslaagd het hart van de partij binnen te dringen. Als vehikel voor Zijn subversieve campagne had Hij Aleksej Maksimovitsj Pesjkov uitverkoren, een wereldvermaard schrijver uit Nizjni Novgorod, de stad die later door Stalin ter ere van diezelfde Pesjkov 'Gorki’ zou worden gedoopt, wat 'De Bittere’ betekent.
Wat Aleksej zo geschikt maakte voor Gods bedoelingen, was om te beginnen zijn ellendige jeugd. Hij was vier toen zijn vader stierf, zijn moeder schreed enkele jaren later hemelwaarts, zodat Aleksejs opvoeding in handen viel van zijn even godvruchtige als gewelddadige grootvader. Aleksej hield het er niet lang uit: op zijn veertiende liep hij van huis weg om een leven te gaan leiden als zwerfjongere, hongerend en bedelend langs des Heren wegen. Dat bestaan vol ontberingen, uitmondend in een mislukte zelfmoord, werd de bron waaruit hij, eenmaal in de jaren des onderscheids, de fel-realistische verhalen putte die hem, onder de naam Maxim Gorki, in een klap over de hele wereld beroemd zouden maken.
Gorki’s wereldwijde faam was zo groot dat toen hij na de vergeefse Petersburgse opstand van 1905 vanwege zijn openlijke sympathie met de demonstranten werd gearresteerd, een golf van internationaal schrijversprotest op de tsaar neerdaalde. Gorki werd vrijgelaten, uitgeroepen tot martelaar van de revolutie, in die hoedanigheid opgenomen in de rijen der bolsjevieken, en heel speciaal aan het hart gedrukt door hun leider, de fanatieke advocaat Vladimir Iljitsj Oeljanov, alias Lenin.
GORKI WERD LENINS boodschappenjongen. In Parijs schold hij de schrijvers uit die tegen zijn arrestatie hadden geprotesteerd, omdat zij niet hadden verhinderd dat de Franse regering de Russische tsaar een aanzienlijk oorlogskrediet verstrekte. En in New York kweet hij zich van zijn bolsjevistische plichten door er vlammende aanklachten tegen het mensonterende kapitalisme te laten horen. Amerika bereidde de ondankbare gast een passend antwoord: mediamagnaat Hearst, door de geheime dienst van de tsaar op de hoogte gesteld van het feit dat de vrouw met wie Gorki reisde niet zijn wettige echtgenote was, startte een korte maar heftige perscampagne, die inspeelde op de laagste puriteinse gevoelens. Onmiddellijk werd Gorki uit zijn hotel gezet en niemand, zelfs collega-volksschrijver Mark Twain niet, wilde hem nog te logeren hebben. Op de moedige miljonair John Martin na, die Gorki zijn huis op Staten Island aanbood, alwaar hij zijn allerberoemdste want allersentimenteelste roman schreef: De moeder.
Eenmaal terug in Europa vestigde Gorki zich op het feeerieke eiland Capri, voor de kust van Napels. Uiterlijk leefde hij er het luxe leven van de bewierookte schrijver: een prachtige villa, een tuin met uitzicht op de Vesuvius, een mooie vriendin met aanleg voor het goede leven, en rijen beroemde bezoekers uit alle delen van de wereld. Innerlijk maakte hij echter een hevige crisis door, die hem in de diepste diepten van zijn ziel naar de ultieme zin van zijn bestaan deed zoeken. De eerste twee romans die hij op Capri schreef, leggen van die crisis een hartverscheurende getuigenis af.
In de eerste, De geschiedenis van een nutteloos mens, speurt Gorki naar zijn kwade ik. Hoofdpersoon is een wees, Gorki zelf dus, die na de nodige omzwervingen op het slechte pad geraakt: hij wordt verklikker bij de tsaristische geheime dienst. 'De passages over het door angst geregeerde, psychotische milieu van de geheime politie lijken badend in het zweet te zijn geschreven’, merkt een recensent op. 'De heftigheid waarmee de schrijver zijn eigen angsten voor wat er van hem terecht had kunnen komen blootgeeft, is verbijsterend.’ Het verhaal eindigt in een bittere zelfmoord.
Na aldus met zijn kwade ik te hebben afgerekend, ging Gorki in zijn volgende roman, Een biecht, op zoek naar zijn betere ik. Hoofdpersoon is een wees, Gorki zelf dus, die na de nodige omzwervingen op het goede pad geraakt: de enige ware God, zo ontdekt de jonge zoeker, is niet de God van monniken, kluizenaars en schriftgeleerden, maar de God die opbloeit in de harten van de verworpenen der aarde. Het boek veroorzaakte onder zijn politieke vrienden een regelrecht schandaal. De van religieuze ijver doordesemde roman zette niet alleen zijn vriendschap met Lenin op het spel, hij dreigde zelfs te leiden tot een breuk in de bolsjevistische gelederen, een dreiging die slechts kon worden afgewend door middel van de Parijse resolutie van 1909.
NU HAD GOD al eerder in de Russische intelligentsia zitten stoken. Rond de eeuwwisseling was religie in het denkende deel der natie ineens weer razend populair geworden, nadat voordien het nihilisme er de toon aangaf. God had zich van de tsaar afgewend - als teken waarvan Hij hem de duivelse Raspoetin zond - en mengde zich onder de opstandige intellectuelen. Dichters en denkers meenden terstond in Hem de leidsman te hebben gevonden die het geteisterde Russische volk van het tsaristische juk zou weten te bevrijden. Een van Zijn belangrijkste profeten werd Nikolaj Berdjajev, een christelijk geinspireerde marxist die zich op den duur tot een verbeten criticus van de bolsjevieken ontwikkelde. Na de revolutie van 1917 smeten die hem dan ook prompt het land uit, waarna Berdjajev vanuit Parijs zijn kruistocht tegen het communisme en voor een christelijk socialisme voortzette en een belangrijke voordenker werd voor allerlei Derde-Weggers.
Toen Gorki op Capri landde, waren de pogingen van Berdjajev en zijn zogeheten 'godzoekers’ om twijfel in de bosjevistische gelederen te zaaien al gestrand. God moest dan ook naarstig op zoek naar nieuwe profeten om in Zijn Naam de gestaalde gelederen te breken. Dat werd dus Gorki, maar er waren ook nog andere kandidaten. Wat lag er bijvoorbeeld meer voor de hand dan de top-bolsjeviek in te schakelen die zich nota bene zelf de schuilnaam 'Bog-danov’ - letterlijk: 'God- gegeven’ - had aangemeten?
Aleksandr Aleksandrovitsj Bogdanov, geb. Malinovski, was een kleurrijke radicale intellectueel, uitpuilend van de talenten op het gebied van economie, sociale wetenschap, geneeskunde, filosofie, journalistiek, politiek en cultuur. Kaliber Lenin dus, misschien zelfs nog een tikkeltje zwaarder. Aanvankelijk was Bogdanov inderdaad diens concurrent voor het bolsjevistische leiderschap. Het kwam Lenin dan ook zeer gelegen dat Bogdanov zich ineens voor het 'godbouwen’ begon te interesseren en naar Capri afreisde. Onmiddellijk begon de partijleider aan een reeks furieuze kritieken op Bogdanovs metafysische gedachtengoed. De schotschriften vermochten weliswaar filosofisch nauwelijks te overtuigen, ze betekenden wel Bogdanovs politieke doodvonnis. Wat echter niet voorkwam dat de intellectuele duizendpoot na de revolutie van 1917 groot succes oogstte als denker en leider van 'Proletkult’, een beweging voor proletarische cultuur die miljoenen arbeiders op de been wist te brengen - totdat Lenin het ook daar benauwd van kreeg en eigenhandig het project de nek omdraaide.
Gods derde infiltrant in de top van de bosjevistische partij was Anatoli Vasiljevitsj Loenatsjarski - ook al zo'n breed ontwikkelde intellectueel, met een speciale passie voor de talmoed-studie en het schrijven van toneel. Hij bewoog zich met even veel gemak in de kringen van Berdjajevs 'godzoekers’ als in die van de bolsjevistische samenzweerders en kwam al vroeg met voorstellen om het bolsjevisme het karakter van een religie te geven. God, zo redeneerde hij, is de collectieve geest, het proletariaat is de gemeenschap der gelovigen, en arbeid is een vorm van bidden. Lenin reageerde aanvankelijk lacherig op deze voorstellen, totdat ook Loenatsjarski de boot naar Capri nam om zich aan het 'godbouwen’ te wijden. Lenin had er weer een dissident bij, al weerhield hem dat er later niet van Loenatsjarski in zijn eerste regering op te nemen als volkscommissaris voor cultuur, in welke hoedanigheid hij de hoeder werd van de fameuze bloei der kunsten in de eerste helft van de jaren twintig.
GORKI, BOGDANOV en Loenatsjarski, drie prominente bolsjevieken bijeen op Capri, pogend het onverenigbare te verenigen: God en de Revolutie. Dat was geen factie meer, dat was een heuse school! En het werd een school. Gorki investeerde er een deel van de overvloedige revenuen uit zijn boeken en toneelstukken in. Met dat geld werden talentvolle arbeiders van Rusland naar Capri gesmokkeld om er in het 'godbouwen’ te worden geinstrueerd. Plechanov, Trotski, Kautsky, Rosa Luxemburg, ja zelfs Lenin, werden uitgenodigd om cursussen te geven. Natuurlijk sloeg Lenin de uitnodiging woedend af en bewerkte hij de anderen zodat ook die voor de eer bedankten. Vervolgens probeerde hij Gorki uit de trojka los te weken. Pas op voor die Bogdanov en Loenatsjarski, telegrafeerde hij vanuit Parijs, 'de ideeen van dat tweetal zijn van a tot z abject, verderfelijk, filistijns en door en door priesterlijk’. 'O ja, de hartelijke groeten aan je vriendin’, voegde hij er nog aan toe, 'zij is, mag ik hopen, toch niet in God, he?’
Het drietal liet zich niet uiteendrijven en gaf de cursussen toen maar zelf. Waarop Lenin zijn laatste troef uitspeelde: hij richtte zich rechtstreeks tot de studenten, die hij een voor een overhaalde naar zijn zojuist opgerichte kaderschool in Parijs te komen. Dat lukte, zodat de drie 'godbouwers’ bij gebrek aan een gehoor hun ideeen maar aan het geduldige papier toevertrouwden. Loenatsjarski schreef een reeks essays die hij bundelde onder de titel Religie en socialisme; Bogdanov schreef de utopische roman Rode ster, over een socialistische gemeenschap op Mars, waar een soort religieuze harmonie heerste; en Gorki schreef zijn autobiografisch getinte road-novel Een biecht.
AUTOBIOGRAFISCH, jawel, want de vraag naar God was in Gorki’s leven al vele malen opgedoken, ook al had hij hem steeds met een vehement 'nee’ beantwoord. Een tikkeltje al te vehement soms, waarmee hij verraadde dat het hem toch niet helemaal lekker zat. Zoals tijdens zijn bezoek aan Lev Tolstoj, waarvan hij in een brief aan Anton Tsjechov verslag deed.
'Plotseling, als een klap in mijn gezicht, stelde hij mij de vraag: “Waarom gelooft u niet in God?”
“Ik heb geen geloof, Lev Nikolajevitsj.”
“U liegt”, antwoordde de oude tovenaar. “U zult er spoedig achter komen. U gelooft niet omdat u een stijfkop bent. Maar u bent in staat tot liefhebben, en geloof is geintensiveerde liefde. Een ongelovige kan niet liefhebben.”
Is het waar, Anton Pavlovitsj, heeft men een God nodig?’
De vraag bleef hangen en in Een biecht probeert Gorki er een oprecht antwoord op te vinden. Al wijst hij in die roman Tolstojs antwoord getergd af in een scene die ten overvloede duidelijk maakt hoe ambivalent hij tegenover de literaire reus stond. Tolstoj treffen we aan in de figuur van de monnik Antonius, voor wie de hoofdpersoon Matvej aanvankelijk een devote bewondering koestert. Maar al spoedig merkt hij dat Antonius er een liederlijke levenswijze op nahoudt, met veel drank en seks. En wanneer de monnik zijn minnares opdraagt zich voor Matvej te ontkleden, vlucht de jongeling het klooster uit in de zekerheid dat daar in ieder geval God niet te vinden is.
Antonius is slechts een van de vele zonderlingen die Matvej op zijn zoektocht naar God raadpleegt. Priesters, pelgrims en kluizenaars, monniken, abten en aartsbisschoppen, boeven, hoeren en nonnen - het is een boeiend zooitje ongeregeld dat het dolende weeskind op zijn pad treft. Maar geen van hen heeft een overtuigend antwoord op zijn prangende vraag. Sterker nog, de meesten blijken oplichters en huichelaars te zijn. Totdat hij een klein, oud en wijs mannetje ontmoet, Jehudiel, die hem duidelijk maakt dat je God niet moet zoeken maar dat je Hem zelf moet scheppen.
GOD IS EEN voortbrengsel van de menselijke verbeelding, krijgt Matvej van Jehudiel te horen. Ook de God der christenen is een bouwsel van mensen. 'Doch men heeft Hem weggerukt uit ons binnenste. Angstig geworden door de vragen die ons verstand steeds weer stelde, schiep men een God die ons menselijke begrip te boven gaat, een God die ver van de mensen staat en die de vijand is der mensen, de rechter en gebieder van het heelal.’ Maar er is hoop, vervolgt hij: 'Op het ogenblik zijn ze weer bezig een nieuwe God in het leven te roepen, dezelfde waar jij je ook mee bezig houdt, de God van schoonheid, wijsheid, rechtvaardigheid en liefde.’
'Maar wie zijn dan die godenmakers?’ vraagt Matvej.
'Die godenmaker is… het volk - het onaanzienlijke, gemene volk. Daaronder zijn heilige martelaren die hoger staan dan degenen die de kerk verheerlijkt. Daar is de God die wonderen verricht. Het onsterfelijke volk. Daarin geloof ik, diens macht erken ik.’
Matvej gelooft hem eerst maar half. Pas wanneer hij door Jehudiel naar een fabriek wordt gestuurd om er de kracht van het volk te leren kennen, begint hij ervan overtuigd te raken dat daar de reddende God huist waar hij al die tijd naar op zoek was. Maar hij is pas volledig overtuigd wanneer onder zijn ogen een wonder gebeurt. Tijdens een processie voor de Moeder Gods ziet hij hoe een verlamd meisje uit haar wagentje opstaat, louter en alleen omdat het samengedromde volk het daartoe aanspoort. ’ “Loop”, riep het volk, “loop.” Haar gelaat was nat van zweet en tranen, maar door het natte tranenfloers heen schitterde en straalde ze het geloof uit in de kracht van het volk. Zij stond rechtop en beefde over haar hele lichaam. Zij hield haar armen voor zich uit en zocht daarmee houvast in de lucht die gedrenkt was door de kracht die uitging van het volk. Langzaam liep het meisje tussen ons door…’
En Matvej bad tot het volk: 'Gij zijt mijn God en Gij zijt de schepper aller Goden. Gij hebt die Goden doen geboren worden uit de schoonheid van uw geest, door uw beproevingen, door uw zoeken. En de wereld zal geen andere goden naast u dulden, want gijzelf zijt de enige God die wonderen verricht. Dat is mijn geloof en mijn belijdenis.’
MEN HEEFT EEN BIECHT wel eens het Derde Testament genoemd. Daar heeft het inderdaad alle kenmerken van. Elke episode in de roman is een parabel over goed en kwaad. Matvej is een soort Jezus-figuur, die na de 'school des levens’ te hebben doorlopen tot het ware inzicht komt en het Woord gaat verkondigen. En het Woord belooft de mensen verlossing en een, nee niet hemels maar aards paradijs.
Maar wat moet je met een evangelie zonder apostelen? Want Lenin slaagde daar waar Herodus faalde. In plaats van Gorki te kruisigen, bleef hij hem paaien, net zolang totdat de schrijver de onmogelijkheid van zijn missie inzag. 'Wat het “godbouwen” betreft, daar moeten we voorlopig maar van afzien’, schreef Gorki in 1913 in een essay over de God van Dostojevski. 'Wat? Voorlopig?’ riposteerde de sluwe Lenin onmiddellijk per brief, om op strenge toon te vervolgen: 'U verklaart dat u slechts “voorlopig” tegen het “godbouwen” bent? Ik sta perplex! Wat is dat? Nog een overblijfsel van “Een biecht”, het boek waar u, naar ik begrepen meende te hebben, afstand van hebt genomen?’
Gorki kwam er niet meer op terug. Vanaf dat moment was hij een hondstrouwe partijman. Het 'godbouwen’ was voorgoed verleden tijd.
Of toch niet? Want was de persoonlijkheidscultus rond Stalin, waaraan Gorki in de jaren dertig zo hartstochtelijk deelnam, niet de ultieme schepping van een heuse volksgod?