In het Amsterdamse Stadsarchief is een kleine expositie over Jan Pieterszoon Sweelinck (1562-1621), tot Louis Andriessen geframed als grootste Nederlandse componist, sinds diens dood dit jaar als grootste man vóór Andriessen, welja. In dit canongekke land moet er voor de consensus één de beste zijn. Voor de schilderkunst Rembrandt of Van Gogh, voor de sport Johan Cruijff, in de schrijverij de man die in Amerika werd neergezet als de Homerus van de lage landen, en Mulisch zou het niet bestrijden. Van de levende componisten moest het Louis Andriessen zijn, de beroemdste van allen. Nou dan.

Zijn grote mannen dood, dan gaan we ze herdenken als de grootsten. Het scheelt een hoop evaluatiewerk. Met de Sweelinck-doctrine is vierhonderd jaar Nederlandse muziekgeschiedenis in één klap afgehandeld: op Louis na alles tweederangs. Sorry, Alphons Diepenbrock (hoewel dit jaar zijn honderdste sterfdag niet helemaal wordt genegeerd), Willem Pijper, Hendrik Andriessen, Henriëtte Bosmans, Henk Badings, Rudolf Escher, Robert Heppener, Ton de Leeuw, Peter Schat, Hans Kox, Tristan Keuris of Otto Ketting, om maar wat prominente overledenen te noemen. Het enige waarop ze kunnen hopen is kortstondige verlichting van hun lot. Een vroede stichting, een welwillende herdenking, een uitgave van brieven en beschouwingen, een documentaire of biografie die ongeacht zijn inhoud om zijn goede werken wordt geprezen en vergeten. Want ze bestaan niet meer en waarom zou het ook, we hebben toch de grootste al.

Dus niemand stelt de vraag: kennen we de anderen genoeg om één man boven hen te mogen stellen? Er is geen levend muziekleven dat in vitale dialoog met het verleden tot het stellen van de wezenlijke vragen komt. De kennis en de wil ontbreken in een post-cultuur waar de orkesten hun vergrijzende en dus uitstervende gehoor Brahms door de strot duwen met de Libelle-hashtags romantisch, melancholisch en meeslepend.

Dat is erg, al kan de goede Sweelinck het niet helpen. Maar voor hem is het grote werk tien jaar geleden al gedaan. Toen verscheen ter gelegenheid van zijn 450ste geboortedag het Sweelinck Monument, een onovertroffen lees- en luisterproject met voorbeeldig toegelichte opnamen van alle 250 vocale werken door het Gesualdo Consort onder leiding van Harry van der Kamp; zeventien cd’s in zes gebonden, rijk geïllustreerde naslagwerken. Sindsdien alsjeblieft geen discussie over zijn gehalte meer. Het is meer de vraag waarom hij nu al op herhaling moet.

Geen klagen verder over de kleine krenten in de jubileumpap. De Sweelinck-tentoonstelling is een lief bescheiden naschrift bij een leven waar we bijna niks van weten. Op zijn werk na liet de meester weinig sporen achter. Geen correspondentie, geen esthetica, geen Kabeljauwse twisten. Sweelincks persoonlijkheid blijft schimmig. De schaarse documenten wijzen op een zorgzaam en sociaal temperament, maar zelfs de kwestie of hij na de Amsterdamse alteratie van 1578 katholiek bleef of hervormd werd is niet opgelost. Zijn oeuvre geeft geen uitsluitsel: katholieke Cantiones sacrae, 150 calvinistische psalmen in de Franse berijming van Clément Marot en Théodore de Bèze.

Het wonder, wat is ervan over? Wat je nu ook nog in Sweelinck hoort – geen wonderen

De levensfeiten gaan in een Wikipedia-lemma. Geboren in Deventer, zoon van een vader die in Amsterdam organist werd van de Oude Kerk, de positie die Jan Pieterszoon rond 1580 maar wellicht eerder overnam en tot zijn dood bekleedde. Getrouwd, tot ver buiten de landsgrenzen gerespecteerd, bij zijn graf geloofd door Vondel. ‘Daar streckt hij/ meer dan hier kon vatten ons gehoor/ Een goddelijke galm in aller Englen oor.’ Een cynicus zou zeggen: daar begon de ellende. De dichtervorst trompetterde de Orpheus van de lage landen naar de A-status, dan moest het wel waar zijn.

Daar moet ik in het Stadsarchief aan denken boven de vitrines met de brokstukjes van een gezegend leven, de materiële echo’s van de goddelijke galm. De schaarste van het materiaal ontroert. Van 1592 dateert een leerlingencontract – de zestiende eeuw sloot voor elke kleinigheid contracten af – voor Sweelincks klavecimbelleerlinge Catharina Oyens, een soort getuigschrift met de schriftelijke bevestiging dat tot grote tevredenheid van Fernando Oyens zijn nichtje Catharina dagelijks werd onderwezen door de meester. Sweelinck was een vermaard pedagoog. Duitse organisten liepen de deur bij hem plat om terug in Hamburg, Leipzig, Halle, Hannover en Berlijn tot in Danzig het fundament te leggen voor de Noord-Duitse orgelschool die via Samuel Scheidt, Jacob Praetorius, Heinrich Scheidemann en zijn stokoud geworden pupil Johann Adams Reincken de brug slaat van Sweelinck naar de tijd en muzikale leefwereld van J.S. Bach, die voor Reinckens orgelspel meerdere voetreizen naar Hamburg ondernam.

Voor een componist van zijn reputatie leidt Jan Pieterszoon een provinciaal bestaan. Hij komt Amsterdam nauwelijks uit, waar hij genoeg te doen heeft: orgelbespelingen, genoeglijk zingen en spelen met de rijke zakenvrienden van het Collegium Musicum, zijn uitgebreide en lucratieve lespraktijk, het componeren van psalmen, cantiones sacrae, chansons, motetten en klavierwerken voor orgel en klavecimbel. Hij maakt in 1604 één buitenlandse reis naar Antwerpen om voor de stad Amsterdam bij de vermaarde bouwer Ruckers een klavecimbel aan te schaffen. De door Pieter Isaacsz in 1606 monumentaal gedecoreerde klep is in het Stadsarchief te zien. Een enkele keer reist Sweelinck als orgelinspecteur naar steden als Deventer en Harderwijk. In een album amicorum van de Harderwijkse burgemeester Ernst Brinck kan het Stadsarchief een van de twee bewaard gebleven handschriften van Sweelinck tonen, een vierstemmige canon op tekst uit het boek Prediker, vanitas vanitatum et omnia vanitas/ ijdelheid der ijdelheden.

En daar ligt het eerste boek Psalmen in een Haarlemse uitgave van 1624, het titelblad in het Frans. ‘Pseaumes de David/ a 4, 5, 6 & 7 parties, mis en musique par Mre Jean Piere Sweling, jadis Organiste d’Amfterdam.’ Verderop de doopinschrijving van Dirck Jansz Sweelinck, de zoon, op 22 mei 1591, volgens het archief van de burgerlijke stand in het bijzijn van zijn vader ‘Jan Pietersen, orgelist, dije moeder Claessen Dijrricks, dije getuigen Aeltgen Dijrricks, het kind Dijrrick’.

Ook deze Sweelinck werd organist in de Oude Kerk, en een soort pedagoog. Zijn Livre septième van 1644 – ‘dat is, het boeck vande zangh-kunst’ – bevat didactische aanwijzingen voor het noten lezen. Een ‘corte instructie om (fonder veranderinge) wel Mufick te leren’ toont schema’s met de notennamen, de sleutels, notenlengtes. Volgt een bloemlezing met ook werk van zijn vader. De geschiedenis heeft hem uitgewist. Ook hij, door Vondel even vurig aangeprezen als de vader, verdween in het niets.

De heilige geest kan de sweelinckse techniek niet tot mysterie transcenderen

Terwijl na het verscheiden van ‘den alder-cloeksten ende constichsten Organist’ Jan Pieterszoon de ‘grote klok’ wel twee uur werd geluid en een ‘Lyck-klacht’ van zijn vriend Nicolaes Voocht verstikt in tranen. ‘O wonder van het land, o! Phoenix van het spelen/ o! dichter van de sangh/ en meester van het queelen.’

Dat wonder, wat is ervan over? Wat je nu ook nog in Sweelinck hoort –geen wonderen. Zijn meesterschap houdt op hoog peil altijd maat. Nergens een ontwrichtende chromatische ontsporing, en nimmer breekt een lijdend, woedend ego door het fraaie stuc- en metselwerk. In de Psalmen degelijke vroomheid, de Chansons jubilant met mate. Het klavierwerk dito. Van de onbarmhartig constructieve naaktheid in de Fantasia chromatica kun je je nog voorstellen waarom een Glenn Gould erop aansloeg, maar een Pavana lachrymae blijft kalm en bezonnen, afkerig van hysterie, een zondagsschool voor het gevoel; ziet, kinderen, zo weent men. Het is voorspel tót. De muziek is drachtig van een wonder. Het kunnen is in aanleg daar. Daar zit de ontroering. Maar de heilige geest zweeft er een beetje boven, nog niet in. Hij kan de sweelinckse techniek niet tot mysterie transcenderen.

Het is niet dat Sweelinck geen revolutionaire daden stelde – dat deed Bach evenmin. Toch mis je iets, en misschien zijn het de redeloze driften van de noodlijdende ziel die bij de jonge Bach de Here al zo kwijnend de profundis ‘aus der Tiefen’ aanroept en bij Sweelincks doorgelegen tijdgenoten als een veenbrand in de psyche woedt. Terwijl de vroede Sweelinck met onberispelijke smaak zijn stemmen stapelt, huilt tweeduizend kilometer verderop de gekke Gesualdo bloed met tuiten, en beramen in Florence de denkers en kunstenaars van de Camerata de theoretische grondslagen voor het genre opera. Daar wordt de weg naar het sublieme en afgrondelijke ingeslagen. Men stelle zich voor: de menselijke stem niet langer vier- tot zevenvoudig polyfoon maar solo, het noodlot drukkend op de schouders, en alleen die melodie om jammerlijk geroerd te sterven aan het leven, o Dio. Wat Sweelinck in dat perspectief nekt is zijn oer-Hollandse reserve.

Zo zullen laat-zestiende- en vroeg-zeventiende-eeuwse oren het niet hebben waargenomen. Ene Baudartius, predikant te Kampen, hoort op bezoek bij Sweelinck de meester stom van bewondering variaties improviseren op ‘het liedeken Den lustelicken Mey is nu in zijnen tijdt, d’welck hij, soo ik goede memorye daer van hebbe, wel op vijf-en-twintigley wijsen speelde, dan sus, dan so’. Dat zal me een knalfuif zijn geweest. Maar wij, die via Bach en Wagner, Schubert en Berg tot onszelf zijn doorgedrongen, zien door de bril van Baudartius licht huiverend de burgerwereld van Hildebrands Camera obscura voorgloeien. Nooit meer zal voor ons Sweelinck zo groot zijn als voor hen, die een reus zagen zoals wij Bach – want er was nog geen Bach. Zoals stijlen en culturen sterven, zo verbleekt een taal die niet voor onze tijd bedoeld was en die door hogeren in rang onttroond werd.

Wat blijft? Op zijn best een symbool. Al in 1934 kan Sweelincks biograaf Bernard van den Sigtenhorst Meyer, die hem werkelijk vereert, concluderend weinig anders dan hem roemen als ontzuilende verbinder: ‘In zijn allesomvattendheid bindt Sweelinck ons allen aan zich; hij was een groot Nederlander. Nederlander juist omdat de beide gedachten, rooms en hervormd, zo dooreengeweven in hem zijn, kenmerkend voor ons land, dat op godsdienstig gebied zulk een dubbel karakter heeft. Te midden van alle godsdiensttwisten, die, toen zowel als nu, ons land jammerlijk verscheurden en verbrokkelden, staat Sweelinck ver boven het betweterig gedoe van de grote menigte; een man, die zonder vooroordeel in elke richting de schoonheid en het grote onderkent en van wie alles getuigt, dat hij was een verlicht, edel en groot mens.’

Nog zo’n zin, en je gaat gillen.

Sweelinck, stadsmusicus van Amsterdam, t/m 9 januari in het Stadsarchief Amsterdam. Op 23 en 24 oktober vinden vier concerten plaats in het Stadsarchief. Kaarten via het Sweelinck Festival, sweelinckfestival.nl