Dagboek van een slecht jaar

De goddelijke vonk

J.M. Coetzee
Dagboek van een slecht jaar
Cossee, 190 blz., € 22,90

Halverwege zijn nieuwe roman Dagboek van een slecht jaar levert Coetzee bij monde van zijn schrijvende hoofdpersonage een idee voor een verhaal. Misschien moet ik hier eerst bij vermelden dat, zoals de titel al aangeeft, de roman is opgebouwd uit genummerde dagboekaantekeningen. ‘Idee voor een verhaal’ is aantekening nummer 10 uit het tweede dagboekdeel. Het idee behelst de confrontatie – tijdens een universiteitscongres – van een beroemde romanschrijfster met een zeer gestudeerde professor in iets even gespecialiseerds als obscuurs. Ze komt tot de schokkende ontdekking dat waar zij in de watten wordt gelegd en ieder woord uit haar mond op een dankbaar publiek kan rekenen, het arme professortje ergens op een bank moet slapen en amper toehoorders trekt. Als ze dit onrecht aankaart bij de organiserende decaan luidt zijn verweer dat dergelijke geleerden absoluut niet zo slecht af zijn als zij denkt. Ze hoeven niet bang te zijn voor ontslag en ontvangen geld voor onderzoek dat in feite niet meer is dan een antieke hobby. De schrijfster, nog immer verontwaardigd, bericht hierover nadien aan de professor in kwestie. Zit er niet over in, luidt zijn reactie. Ik hoef niet rijk of beroemd te worden. En wat u betreft: u verdient alles wat u ten deel is gevallen, u hebt de goddelijke vonk. Zijn opmerking brengt bij de schrijfster alleen maar meer innerlijke strijd teweeg. Want wanneer heeft zij voor het laatst een goddelijke vonk gehad?

De dagboekschrijver becommentarieert in dezelfde aantekening zijn eigen idee voor een verhaal: ‘Het zou een volstrekt levensvatbaar verhaal zijn, van een minder belangrijke soort. Maar ik betwijfel of ik er ooit aan toe zal komen om het te schrijven.’ Het lijkt erop, verklaart hij, dat met het ouder worden het bedenken van opzetjes voor verhalen een substituut is geworden voor het schrijven ervan, zoals in hartsaangelegenheden het flirten in de plaats komt van de liefde zelf.

Deze gedachtelijn doortrekkend: Dagboek van een slecht jaar heeft nog het meest weg van een substituut voor een roman. Het is het werk van een vermoeide schrijver, die de vonk mist om zijn wereldomspannende ideeën over de actualiteit en de menselijke conditie in een verhalende compositie te dwingen en uit arren moede de vormloosheid van zijn hersenspinsels verpakt in wat door moet gaan voor een meerstemmige roman. Het slimme van Coetzee is echter – en ik weet niet of dit een teken van zijn onverbeterlijke brille of een vorm van boerenbedrog is – dat hij, zoals ook blijkt uit het voorbeeld dat ik hierboven van het ‘Idee voor een verhaal’ gaf, zelf al commentaar levert op wat hij aan het doen is. Dus tja, wat valt hem nog echt aan te rekenen, want áls je hem al iets aanrekent geef je zelf er alleen maar blijk van iets niet goed te hebben begrepen, of geen oog te hebben voor het wie weet vernuftige literaire spel dat hier op hoog niveau wordt gespeeld.

Vooral het eerste deel van de roman irriteert. Boven aan de bladzijdes staan telkens de dagboekaantekeningen, die neerkomen op oeverloze politieke beschouwingen, over democratie, pedofilie, geleidingssystemen, noem maar op. Onder aan de bladzijdes ontwikkelt zich parallel aan het schrijven van het dagboek het kwijlerige verhaal van de oude schrijver die zich laat opgeilen door de jonge passante. Hij vraagt haar of zij zijn stukken wil uitwerken, en al gauw ontstaat er een soort dans van aantrekking en afstoting. Na enige bladzijden komt er nog een verhalende stem bij (zodat er dus drie verhaalstroken op één pagina staan), de stem van de verleidster: ‘Als ik hem passeer, met de wasmand in mijn armen, zorg ik ervoor dat ik wiegel met mijn achterwerk, met mijn verrukkelijke achterwerk…’ Zoals al aan dit citaat valt af te lezen, gaat deze stem op geen enkele manier waarachtig klinken, zij blijft het op hol geslagen hersenspinsel van de schrijver.

In het tweede deel van het dagboek neemt de schrijver het commentaar van de jonge vrouw op zijn al te algemene stukken ter harte, en produceert hij persoonlijker beschouwingen, over fanmail, erotiek, ouder worden en zo meer, die inderdaad een stuk interessanter zijn. En grappig genoeg wordt in de verhalen die eronder verdergaan, de soapachtige verwikkelingen van de oude schrijver en zijn amour fou, precies ook mijn irritatie verwoord bij monde van de jonge vrouw en haar jaloerse minnaar. Zelfs de uitgeblustheid die in dikke dampen van de pagina’s opstijgt, wordt door de schrijver zelf alvast gepareerd, met name in de beschouwing die hij wijdt aan ‘het schrijversleven’. Hij haalt hierin een opmerking van Gabriel García Márquez aan dat het in het schrijversleven aankomt op die momenten waarop alle obstakels wegvallen, alle conflicten verdwijnen, ‘en dan kom je op dingen waar je nooit van had gedroomd, en dan is er in het leven niets mooiers dan schrijven’. Je hoort de schrijver die dit citeert hierna diep zuchten. Is het een kwestie van vasthoudendheid, om die momenten te bereiken, of komt het aan op ‘gestaag vuur’? Hoe we haar ook noemen, concludeert de schrijver, ik bezit haar niet meer. Om zijn dagboek te besluiten met twee lemma’s gewijd aan zijn geestelijke vaders, kunstenaars die de lat op onbereikbare en tegelijkertijd troostende hoogte hebben gelegd: J.S. Bach en Dostojevski.

Wat te denken van dit dagboek van een slecht jaar, anders dan de titel al voorspelt?