Totoya Hokkei, Climbing a mountain in Liuzhou, uit de serie ‘Prentenboek van Chinese gedichten’ (Toshi gafu no uchi), circa 1830-44 © Heritage Images / Getty Images

Het gesprek tussen mens en natuur verstomde toen het christendom de goddelijke levenskracht van de aarde naar een verre hemel verplaatste. De moderne wetenschap deed de deur nog verder dicht. Mineralen, planten, vissen, alles in de natuur werd gedegradeerd tot zielloze materie waar de mens voortaan vrijelijk over kon beschikken. Religiewetenschapper Karen Armstrong betreurt de verbanning van god uit de natuur en roept op tot actie: ‘We moeten iets terugvinden van de verering van natuur, die mensen duizenden jaren lang zorgvuldig hebben gecultiveerd. Als we dat niet doen, stevenen we af op een milieuramp van ongekende omvang.’ Maar hoe vinden we dat ‘iets’ terug?

In De heilige natuur neemt Armstrong de lezer mee op een inspiratiereis langs tradities en wereldreligies die het goddelijke element in de natuur ook nu nog in ere houden. Armstrong begint bij de grote levensbeschouwelijke tradities in China, India en het MiddenOosten. De schrijfster had dichter bij huis kunnen beginnen, want ook voor de zeventiende-eeuwse filosoof Baruch Spinoza waren god en natuur synoniem: Deus sive natura. Dat God de Vader niet in de hemel zou zetelen maar als alomtegenwoordige scheppingskracht aanwezig is in insecten, bomen en gras, dat ging de Amsterdamse joodse gemeenschap te ver. De godslastering werd bestraft met verbanning van de filosoof uit de geloofskring.

Een ding bestaat nooit op zichzelf maar uitsluitend in relatie tot andere dingen

Armstrong schrijft dat Spinoza niet alleen stond in zijn opvatting over de goddelijke vonk in de natuur. Gedurende het grootste deel van de menselijke geschiedenis werd al het leven een ziel toebedacht en als heilig beschouwd. Ook nu nog zijn harmonie en empathie met alles wat leeft, en met het schijnbaar levenloze zoals bergen en rivieren, de centrale principes in natuurgodsdiensten en levensbeschouwelijke stromingen. Weliswaar staat de respectvolle levenshouding die de tao, het confucianisme en het boeddhisme ons voorhouden niet garant voor een ideale samenleving, maar volgens Armstrong is een spirituele band met de natuur wel een voorwaarde om de vernietiging van onze planeet een halt toe te roepen.

De heilige natuur leunt sterk op Armstrongs eerdere studies over de grote wereldgodsdiensten. Slechts heel terloops noemt ze ‘tribale’ culturen, terwijl juist dit gedachtegoed in onze tijd weer actueel is. Leiders van inheemse volkeren laten hun stem steeds duidelijker horen in de strijd om behoud van natuur. Samen met juristen en natuurbeschermers vechten de eerste bewoners van Nieuw-Zeeland, beide Amerika’s, Scandinavië, Siberië, Indonesië en ook andere landen voor zelfbeschikkingsrecht van zalmen, rivieren, bergen en regenbossen. De acties, vaak uitgevoerd met gevaar voor eigen leven, illustreren het diepgevoelde respect voor de natuur waar Armstrong zo vurig voor pleit. Toch dicht ze tribale culturen geen rol van betekenis toe in het huidige discours: ‘De tribale religie, hoe diepgaand ook, werd niet langer als relevant ervaren in de nieuwe en complexe beschavingen waarin veel mensen inmiddels leefden.’ Het simplificeren en marginaliseren van inheemse culturen is al eeuwenlang een slap excuus om een zinvol gesprek over het dekoloniseren van westerse denkbeelden uit de weg te gaan. Jammer dat Armstrong hierin meegaat, hoewel ze het ongetwijfeld niet slecht bedoelt.

Compassie kan niet selectief zijn, haalt Karen Armstrong de Boeddha aan

Toch is de weerstand tegen het erkennen van belangrijke inheemse bronnen van kennis voor degenen die het betreft ‘bijna net zo irritant als om te horen te krijgen dat je een onschuldig natuurkind bent’. Het citaat komt uit het vuistdikke Het begin van alles, waarin wetenschappers David Graeber en David Wengrow de geschiedenis van de mensheid grondig herschrijven en dekoloniseren. Het punt is namelijk dat antropologen en andere onderzoekers de complexiteit van tribale culturen niet kúnnen doorgronden omdat zij simpelweg niet over de kennis en het benodigde inlevingsvermogen beschikken om de radicaal andere wereldbeschouwing op waarde te schatten. Armstrong ziet wel meer zaken over het hoofd. Zo is de door haar bepleitte herwaardering voor bezielde natuur allang aan een opmars bezig. Overal roeren grote groepen jonge mensen zich uit onvrede over de slome aanpak van de klimaatcrisis. Zij laten zich inspireren door hedendaagse seculiere denkers en doeners zoals ecofeminist Donna Haraway (Staying with the Trouble), etno-botanist Robin Wall Kimmerer (Braiding Sweetgrass), filosoof Bruno Latour (Het parlement van de dingen), antropoloog Eduardo Kohn (How Forests Think) en Polly Higgins (Stop Ecocide). Een voorhoede van wetenschappers, kunstenaars, juristen, ontwerpers, ecoboeren en klimaatactivisten brengt in de praktijk wat Armstrong voor ogen staat: opkomen voor natuur, Gaïa, de levende planeet.

Karen Armstrong is op haar best als ze vertelt over de voormoderne tijd. Dat doet ze in elk hoofdstuk aan de hand van een centraal thema uit een van de wereldgodsdiensten. Het boek opent met mythos en logos. In vervlogen tijden waren mythos en logos twee beproefde methoden die elkaar aanvulden om tot waarheid te komen. Tegenwoordig staat ‘mythe’ voor een vaag en onwaar verhaal en is logos op het schild van waarheid geheven. We hechten waarde aan verifieerbare informatie, logos, zeker als het over klimaatverandering gaat. Maar als feiten de wereld konden redden, benadrukt Armstrong, dan hadden we nu geen klimaatprobleem. Stikstofemissies, vervuilingsniveaus, biodiversiteit: de functionele termen doen het uitstekend in rapporten maar het hart beroeren ze niet. Wil er iets ten positieve veranderen aan onze gemankeerde omgang met natuur, dan hebben we naast de ratio ook goed beklijvende mythes nodig die vertellen over betekenisvolle relaties, over verwantschap met andere schepselen en over het essentiële verschil tussen voldoende en almaar meer. We hebben, kortom, nieuwe verhalen nodig, die ons bij de nek grijpen en niet meer loslaten. En dat is precies wat mythos doet. Met een snoekduik haakt die zich vast aan diepere lagen van ons bewustzijn en bekommert zich daar om menselijke zielenroerselen en zingevingsvragen. Een goede mythe bestaat uit twee dingen, schrijft Armstrong: een sterk verhaal en actie in de vorm van een ritueel dat de ervaring bekrachtigt en stevig in het lichaam verankert. Zo’n gebaar kan een respectvolle buiging zijn maar ook een brandend staafje wierook of het meelopen in een processie. Ons lichaam onthoudt veel meer dan we denken en door te participeren kruipt de kernboodschap van de mythe onder de huid, waar die beklijft.

Een ding bestaat nooit op zichzelf maar uitsluitend in relatie tot andere dingen. Een iets behoort altijd tot een grotere familie ietsen: ik, wij, zoogdieren, fauna, aarde, zonnestelsel, universum. Tot zover is de redenatie nog te volgen. Maar in de Chinese filosofie is een ding, wu, nog meer dan een object gedefinieerd door relaties. Elk ding, of het nou een microbe of een berg is, beschikt over een uniek moreel vermogen. Vanwege dit ‘principe’, of heilige kwaliteit, moet we alles in de natuur behandelen als onze gelijken, als vrienden. Sympathie voelen voor een mug, rivier of wolk komt bij ons al snel zweverig over. Bovendien, wat heb je eraan? Maar in de tao, het confucianisme en het boeddhisme is empathie voor al het leven een basisprincipe. De geestelijke houding moet je wel voortdurend trainen om de obsessie met het ‘ik’ en ‘mijn’ te overstijgen en dat vergt tijd en commitment. Maar gezien de penibele situatie waarin wij verkeren, loont het de moeite. Het omarmen van het Chinese concept van concentrische cirkels van empathie naar alles in de natuur ziet Armstrong als een reële mogelijkheid om vernietiging van de planeet een halt toe te roepen. Woudreuzen op grote schaal kappen, levende rivieren indammen, de zee leegvissen, dat doe je niet meer zo makkelijk als je steentjes leert gooien in een vijver van empathie, en mededogen zich als vanzelf uitbreidt naar alles om ons heen. Compassie kan niet selectief zijn, haalt Armstrong de Boeddha aan. Het is zelfzuchtig om alleen maar in actie te komen voor mensen en dingen die je van nature na aan het hart liggen. Dagelijks een eenvoudig gebed citeren kan helpen. ‘Laat alle wezens gelukkig zijn! Zwak of sterk, klein of groot (…), levend of nog ongeboren – moge ze allen volmaakt gelukkig zijn!’

Halverwege het boek wijdt Armstrong een hoofdstuk aan de spirituele praktijk van kenosis, een Grieks begrip dat staat voor ‘leegmaken’ en het opgeven van het ego. Als ex-non heeft ze daar ervaring mee. Ze bracht enkele jaren in een klooster door en laat nu de lezer in de spiegel kijken van ‘ons neurotisch bewustzijn’. ‘Wij specialiseren ons in het dienen van onszelf en tijdens dat proces leggen we anderen en de natuur onze wil op.’ Een beetje nederigheid, zo is het idee, kan geen kwaad in een samenleving die veel waarde hecht aan scoren en zelfpromotie. De observatie van Armstrong klopt. Toch vraagt de lezer zich gaandeweg het boek af waar de heilige natuur uit de titel is gebleven. De klik met de goddelijke vonk blijft uit omdat het lastig is contact te maken met het onzichtbare als niet eerst de verbeeldingskracht wordt wakker gekieteld of gekust. De ruige, zinnelijke natuur met al haar geuren, kleuren en uitbundige vormen komt niet tot leven bij de grote kamergeleerde die Karen Armstrong is. Het grote wonder blijft uit. Waar de schrijfster wel in slaagt is het openen van onze ogen voor de belangrijke plaats die natuur inneemt in de grote filosofische stromingen en religieuze tradities.

Arita Baaijens is ontdekkingsreiziger, fotograaf, bioloog en schrijver van o.a. Woestijnnomaden