Essay Het ‘dunne ik’ van Marokkanen

De goddeloze buitenwereld

Terwijl het individualisme van autochtone Nederlanders onder vuur ligt vanwege hufterig gedrag, zouden Marokkanen juist hun groepscultuur moeten onderzoeken. ‘Het gevoel een islamitische eenheid te vormen, is bijna dictatoriaal.’

Saoud is niet meer bang om ‘ik’ te zeggen. Maar dat is niet gemakkelijk voor haar, een vrouw die uit een 'gezamenlijke’ cultuur komt. 'Leren praten over zichzelf hebben deze vrouwen nooit geleerd. Ze denken dat het egoïstisch is om over jezelf te praten (…) Zo heb ik het ook geleerd: eerst aan de ander denken en dan pas aan jezelf (…) Waarom denk je dat zoveel Marokkaanse vrouwen ziek worden? Ze kunnen niet praten over zichzelf en weten niet wie ze zijn.’
Niet meer bang om 'ik’ te zeggen: het Zina-pamflet uit 2008 waarin Saoud haar verhaal doet bevat een emancipatie-ideaal dat actueler is dan ooit. Het is slechts één van de levensverhalen die het Zina Platform heeft verzameld van migrantenvrouwen die stapje voor stapje als individu te voorschijn durven te komen uit een cultuur waarin het collectief centraal staat.
Ook bij Fayza Oum'Hamed is de angst 'ontploft’. Na een gedwongen huwelijk met een Nederlandse Marokkaan werd zij jarenlang in huis opgesloten, verkracht en mishandeld. Ze schreef er het boek De uitverkorene over: 'Het is niet verkeerd om voor jezelf te kiezen, het is niet slecht om te zeggen dat je niet meer mishandeld wilt worden. In Marokko is iedereen bezig met: wat denken de buren, wat denkt de familie. Maar het is een menselijk recht om jezelf te zijn’ (de Volkskrant, 15 augustus 2009).
Gemeenschapsdenkers als Jan Peter Balkenende, André Rouvoet en Jan Marijnissen en neoconservatieven als Andreas Kinneging en Bart Jan Spruyt herhalen graag dat het individualisme 'dood’ is. Maar de idealen van zelfbeschikking en persoonlijke ontplooiing zijn in elk geval springlevend en urgent voor vrouwen als Saoud en Fayza, voor wie de individualisering eigenlijk van voren af aan moest beginnen.
We stuiten hier op een wonderlijke paradox. Migrantengemeenschappen worden vaak gezien als sterk gemeenschaps- en familiegericht en dus rijp voor 'westerse’ of 'Nederlandse’ individualisering (hun aanpassing aan 'onze’ cultuur wordt hiermee vaak gelijkgesteld). En inderdaad: veel problemen rond integratie en islam, zoals geloofsafvalligheid, vrouwen- en homo-emancipatie of huiselijk en eer-gerelateerd geweld hebben te maken met groepsdwang en gebrekkige individualisering, dus met een 'te dun ik’.
Maar een dominante stroming in de Nederlandse cultuur en politiek is juist kritisch gestemd over de doorgeschoten individualisering, de cultuur van het egoïsme en het 'dikke ik’. Zij verlangt juist meer saamhorigheid, gemeenschapszin of familie- en clubgevoel, hier en daar aangezet met een toefje religieus besef en een vleugje nationale eenheid. Denk aan het motto van het inmiddels ontplofte kabinet-Balkenende IV: samen leven, samen werken. Volgens informateur Herman Wijffels moest het woord 'individualisering’ uit het regeerakkoord worden geschrapt omdat Balkenende en Rouvoet (Wouter Bos liet dit passeren) het associeerden met losbandigheid, onverschilligheid en hedonisme.
Het ligt dan voor de hand om te zeggen: migrantenculturen lijden aan te veel gemeenschapszin, de autochtone Nederlandse cultuur aan te weinig, dus: laten we gelijk oversteken. Migranten kunnen de 'oude’ Nederlanders bijvoorbeeld weer de waarde van familiesolidariteit en eerbied voor onze ouderen bijbrengen. Andersom kunnen zij weer wat leren van de Nederlandse zelfredzaamheid. Zij moeten nog, zo niet door de Verlichting, dan toch door de libertaire jaren zestig heen; wij hebben inmiddels geleerd dat vrijheid-blijheid ook niet alles is, dat gezag en orde niet achterhaald of rechts zijn, dat hedonisme en hebzucht moeten worden ingetoomd, en dat stabiele gezinsstructuren beter zijn dan loslopende individuen die van de ene vrijblijvende relatie naar de andere fladderen.

Daar zit wat in. Toch is die wij/zij-constructie te simpel en de conclusie te gemakkelijk. De integratie is in dit opzicht geen symmetrische invuloefening. Voor zowel oude als nieuwe Nederlanders zou ik juist een positieve, sociale vorm van individualisme willen aanprijzen, ook als een ideaal dat beide groepen kan binden. Maar dat vereist wel dat we de donkere keerzijde en de onbedoelde gevolgen van het jaren-zestigindividualisme recht in de ogen zien. Als de individuele vrijheid wordt verabsoluteerd, ontwikkelt zij gemakkelijk een asociale zelfkant van eigendunk, onbeschoftheid en zinloze agressie.
Willen we het individualisme blijven zien als een positief, emancipatorisch ideaal, dan zullen we het moeten verbinden met sociale deugden als matiging, verantwoordelijkheid, zelfbeheersing en zelfkritiek. Maar in die verzachte, gematigde vorm is het nog steeds een kritisch wapen tegen de domme kracht en overmacht van dwingende culturen en (religieuze, nationale, etnische) identiteiten. Dat geldt ook voor de cultuur van de markt, die de absolute keuzevrijheid predikt, maar ondertussen een zachte dwang uitoefent op zogenaamd vrije consumenten om allemaal hetzelfde te kiezen. Zie de reclameslogan voor 'indiviDUVELisme’: daar zit inderdaad de duivel in.
Dit sociale individualisme vormt ook het logische eindpunt van het streven naar culturele diversiteit. In zijn traditionele vorm wordt diversiteit vaak collectivistisch geïnterpreteerd, zoals in de Nederlandse verzuilingstraditie, het klassieke multiculturalisme of de postmoderne identiteitspolitiek. Maar we vatten het diversiteitsideaal niet radicaal genoeg op als we halt houden bij de grenzen van groepen, culturen en gemeenschappen. De pluralistische democratie houdt immers niet alleen in dat de meerderheid oog heeft voor en rekening houdt met de opvattingen, wensen en belangen van minderheden, maar ook met die van minderheden binnen die minderheden, dus uiteindelijk voor die van de minderheid van één.
Werkelijke diversiteit is het recht om anders te zijn, te denken en te leven, om als individu het verschil te kunnen maken. Het vereist dus de verdediging van vrijzinnigheid en non-conformisme binnen alle groepen, culturen en gemeenschappen. Een voor de hand liggend voorbeeld is de godsdienstvrijheid. Dat is inderdaad een collectieve vrijheid die wordt genoten door levensbeschouwelijke groepen. Maar zij houdt tegelijkertijd de individuele vrijheid in van andersdenkenden binnen die groepen, plus de vrijheid om van het geloof af te vallen, plus de vrijheid om volstrekt areligieus door het leven te gaan. De individuele godsdienstvrijheid geniet dus altijd voorrang boven de collectieve godsdienstvrijheid.
Er bestaat met andere woorden een duidelijke hiërarchie tussen de oude politieke idealen van vrijheid, gelijkheid en broederschap. Het vrijheidsideaal staat voorop. De gelijkheid is het belangrijkste instrument om die vrijheid voor iedereen daadwerkelijk te realiseren. Het is echter oppassen geblazen met het broederschapsideaal, dat vaak beklemmend werkt en in het slechtste geval kan uitmonden in totalitair eenheidsdenken. Terwijl de democratie er juist voor is uitgevonden om onze onenigheid, ons gebrek aan eenheid, saamhorigheid en broederschap zo goed mogelijk uit te houden en te kanaliseren.
Dat maakt de erkenning van de inwendige diversiteit van groepen en gemeenschappen tot een lakmoesproef voor de democratie. Wat dit betreft had Wilders’ anti-islamfilmpje Fitna uit maart 2008 een bijzonder effect. In plaats van verontwaardigd te reageren namen de Nederlandse moslims een bedaarde houding aan, zelfs enigszins schouderophalend en verveeld. De onderlinge onenigheid trad duidelijker aan het licht, met name in de heftige polemiek die losbrak tussen de Haagse orthodoxe imam Fawaz Jneid en de (toen nog) Amsterdamse stadsdeelvoorzitter Ahmed Marcouch. Fawaz verweet Marcouch dat hij als pragmatische bestuurder compromissen sloot met de 'onaantastbare letter’ van de koran. Marcouch riposteerde: 'Ik heb geen boodschap aan blinde etnische solidariteit. Ik ben solidair met het recht tegen het onrecht.’
Ook Fouad Sidali, destijds voorzitter van het Samenwerkingsverband van Marokkaanse Nederlanders, protesteerde tegen de arrogantie van de Haagse imam: 'We vinden het welletjes, de manier waarop dit soort mensen menen te kunnen spreken namens de islam (…) We willen niet meer leven onder het juk van de moslimbroederschap (…) Het idee dat moslims broeders zijn, zit diep, het gevoel een islamitische eenheid te vormen, is bijna dictatoriaal (…) We moeten laten zien dat moslims volstrekt andere opvattingen kunnen hebben en toch allen goede moslims kunnen zijn.’ Inderdaad begon Fawaz zijn opponent aan te spreken als 'Broeder Marcouch’, maar hij hield daar na de eerste gedachtewisseling wijselijk mee op. Zo is de Nederlandse moslimgemeenschap in het spoor van Fitna prettig verdeeld geraakt (en misschien moet Geert Wilders daar nog eens voor worden bedankt).
Een oprisping van dezelfde 'eenheidswoede’ deed zich voor bij de installatie van Ahmed Aboutaleb als burgemeester van Rotterdam in januari 2009. ’s Avonds verscheen in het NOS Journaal een jonge gehoofddoekte Marokkaanse vrouw, die Aboutaleb neerzette als 'een verrader van zijn ras’, vanwege de uitspraak dat 'de huidige etnisch-religieuze solidariteit de emancipatie van moslims in de weg staat’. Aboutaleb leek daarmee te reageren op uitspraken van Fawaz dat je als moslim geen gebruiken van een ander volk, in dit geval van de Nederlanders, moest overnemen omdat dit 'verraad betekent aan je eigen volk en cultuur (…) Wie een volk imiteert, behoort tot hen’ (De Telegraaf, 3 december 2008). Als voorbeeld noemde Fawaz kinderen die via hun (islamitische) school meededen aan de dodenherdenking of hun verjaardag vierden. Religieus eenheidsdenken en etnisch 'volksdenken’ komen hier (net als bij Wilders) akelig dicht bij elkaar.

Gelukkig worden de inwendige verschillen (en dus ook problemen) binnen de Marokkaanse gemeenschap steeds duidelijker erkend. Een indrukwekkend voorbeeld hiervan was de open brief in december 2008 van Rabiaa Bouhalhoul, moeder en medewerker sociale integratie bij de gemeente Rotterdam, waarin zij een klemmend beroep deed op Marokkaanse ouders om hun verantwoordelijkheid als opvoeders te nemen. Als klein meisje had ze vooral moeten leren luisteren, gehoorzamen, en zich aanpassen aan de normen van de familie. Over ingewikkelde kwesties zoals seks, liefde en de verschillen tussen jongens en meisjes kon niet worden gesproken. Nog steeds schuwden Marokkaanse ouders de dialoog, met elkaar en met hun kinderen. Opvoedingsproblemen werden gemakkelijker geweten aan de goddeloze buitenwereld dan dat de ouders zelf daarvoor verantwoordelijkheid namen.
Angst voor de moderne wereld en angst voor wat andere Marokkanen konden zeggen bepaalde het leven van veel ouders. Bouhalhoul riep ertoe op de schijn niet langer op te houden en een einde te maken aan de gescheiden werelden van man en vrouw: 'We moeten ons openstellen voor elkaar. Ouders en kinderen moeten een echt gezin vormen, dat past in de moderne wereld (…) In die wereld kunnen we het ons als ouders permitteren naast onze kinderen te gaan staan, in plaats van ons gezag van bovenaf te laten gelden. Het is niet zwak mee te denken met onze kinderen, naar hen te luisteren, zaken te delen en hen te vertrouwen. Het is juist een teken van kracht (de Volkskrant, 9 december 2008).
Bouhalhouls open brief maakte veel los. In Rotterdam werd de brief leidraad voor het project 'Marokkanen spreken elkaar aan’, waarin een groot aantal vaders in discussie ging over hun rol als opvoeder en stadsburger. Volgens het rapport van die bijeenkomsten, dat in februari werd uitgebracht door de Stichting Al Jisr, maakten de vaders een verslagen indruk en spraken zij openlijk over hun gevoelens van onmacht, schaamte en verdriet. Ze gaven toe dat het onacceptabel was om de schuld op de samenleving af te schuiven. Dat ze onvoldoende in staat waren geweest hun kinderen bij te sturen en op de rails te houden, zagen ze vooral als hun eigen probleem. Een van hen gaf toe: 'Bij mij is er geen sprake van een gezin. Mijn gezin is al een tijdje uit elkaar gevallen. Ik zoek mijn rust in de moskee, de kinderen gaan de straat op en mijn vrouw geeft mij de schuld van alles.’
Het rapport geeft inkijk in een groot opvoedingsdrama. Ouders en kinderen leven langs elkaar heen. Er is nauwelijks communicatie, gebrek aan onderling vertrouwen, geen wil om problemen samen op te pakken. De mannen vluchten naar de moskee, de kinderen vluchten de straat op. De vrouwen geven de mannen de schuld omdat ze niet in staat zijn de boel bij elkaar te houden. Er is nauwelijks sprake van een band tussen ouder en kind. Vaders worden onzeker van hun mondige kinderen en zijn bang om hun gezag te verliezen. Veel Marokkaanse gezinnen zijn vooral bezig met wat anderen van ze vinden, en doen er alles aan om gezichtsverlies en aantasting van de eer te voorkomen. Angst, roddels en wantrouwen bepalen de opvoeding. Kinderen leren niet wat niet mag, maar vooral hoe ze 'verkeerde zaken’ moeten achterhouden en verbergen.

Het is een gezinsdrama en een generatiekloof die in veel opzichten doet denken aan die van de jaren zestig. Voor een deel heeft zij ook dezelfde sociaal-economische oorzaken: een welvaartsgeneratie die een armoedegeneratie opvolgt, kinderen die (veel) beter zijn opgeleid dan hun ouders en die zich proberen los te worstelen van de patriarchale gezinscultuur en de sociale controle van de (geloofs)gemeenschap. Maar de kloof reikt tegelijkertijd dieper. De botsing is scherper: tussen het nieuwe welvaartsindividualisme en de 'gezamenlijkheid’ van het ouderlijk milieu, tussen de thuistaal en het Nederlands, en tussen de culturele armoede van soms analfabete ouders en de culturele rijkdom van jonge studenten en afgestudeerden aan hbo en universiteit.
Deze 'verticale’ kloof wordt steeds groter. Marokkaanse elites worden zichtbaarder en invloedrijker in de cultuur, de politiek, de intellectuele wereld, de sport en het ondernemerschap. Deze hoogopgeleide jongvolwassenen, zo liet het rapport Geloof en geluk van Forum uit 2008 zien, zijn betrokken in een proces van individualisering en secularisering: ze wonen vaker zelfstandig, gaan minder vaak pas het huis uit als ze trouwen, vinden vaker dat ze hun eigen partner mogen kiezen, en vinden ook dat getrouwde vrouwen moeten kunnen blijven werken.
Deze nieuwe elite kan daarom inspiratie putten uit de culturele revolutie van de jaren zestig en de idealen van openheid, democratische zeggenschap en individualistische kansengelijkheid die toen werden geformuleerd. Anders dan neoconservatieven geloven, leveren de jaren zestig nog steeds een belangrijke waardenbasis voor verzet tegen autoritaire gezins- en gezagsverhoudingen en de zwaartekracht van religieuze en culturele tradities. Democratisering van het gezin en andere sociale instituties, seksuele bevrijding, feminisering van de samenleving (de zachte krachten tegen het machismo), homo-emancipatie, zelfrelativering en ironie: idealen als deze zijn voor zich emanciperende nieuwe Nederlanders nog steeds van het grootste belang.
Naast de generatiekloof groeit ook de intergenerationele kloof tussen de 'college boys’ en de 'corner boys’: jongens die wel en die niet willen deugen. De termen stammen uit het klassieke boek van de Amerikaanse socioloog William Whyte Street Corner Society uit 1943. Whyte deed eind jaren dertig onderzoek naar eerste- en tweede-generatie Italiaanse immigranten in North End, toen nog een slum in Boston. Het is overigens frappant dat de Italianen toen door veel Amerikanen werden verdacht van sympathieën met Mussolini’s fascisme (denk aan Wilders over de islam).
Deze kloof tussen college boys en corner boys lijkt een terugkerend patroon bij golven van integratie. Ook in Nederland staat de hoogopgeleide individualistische elite op grote afstand van de straatcultuur van overlast gevende Marokkaanse straatjongens. Rellen als die in Gouda en Terweijde/Culemborg lieten nogmaals zien hoezeer gesloten familie- en groepsculturen (in het laatste geval niet alleen van Marokkanen, maar ook van Molukkers) doorwerkten in het conflict. De etnische 'bloedbroederschap’ bepaalt dat de eer (dus ook het geweld) binnen de groep blijft. Voor Mohamed Amidouche, jong pvda-raadslid in Culemborg, was het meest verontrustende niet zozeer de vechtpartij zelf, 'maar dat mensen zich direct na zo'n incident klakkeloos achter hun etnische groep scharen’. Maar hij zag ook een duidelijke ontwikkeling onder Marokkaanse ouders van kinderen die zich misdroegen: 'Zij wijzen niet alleen meer naar anderen, maar zeggen soms ook: ik schaam mij voor mijn kind. Maar er is onder hen ook veel machteloosheid’ (de Volkskrant, 16 januari 2010).
Wat de zaak ingewikkeld maakt is de ongelijke behandeling van jongens en meisjes in veel Nederlands-Marokkaanse achterstandsgezinnen. Terwijl meisjes zich moeten conformeren aan de familie- en groepsnormen en 'stil’ moeten zijn, worden jongens vaak grootgebracht als kleine prinsjes die alle vrijheid genieten en nauwelijks aan grenzen worden gebonden. Dat gebeurt in een thuissituatie waarin vaders weinig gezag genieten, moeders een ondergeschikte rol vervullen, en er überhaupt weinig wordt gepraat. Dit opvoedingsdrama veroorzaakt een scherp generatieconflict waarbij jongens buitenshuis vormen van agressief groepsgedrag ontwikkelen die sterk lijken op de hufterigheid van 'witte’ hooligans.
Een verontrustend gelijke uitkomst van twee heel verschillende opvoedingsculturen. De 'witte’ individualistische, anti-autoritaire gezinscultuur lijkt een 'grenzeloze’ generatie te hebben voortgebracht waarbij sommigen de beschavingsremmen totaal losgooien en overgaan tot 'zinloos’ geweld tegen alles wat er maar enigszins uitziet als een gezagsdrager. De autoritaire opvoedingscultuur en de dubbele moraal in veel migrantengezinnen kan zich op dezelfde manier vertalen in ongeremd machismo en agressief straatgedrag. In beide gevallen zoeken jongeren hun identiteit in de groep en wordt de groepseer bevestigd door intimidatie en geweld tegen de 'vijand’: het Gezag.
Daarmee zijn we weer terug bij de zelfkant van de vrijheid. Maar in plaats van te vervallen in de conservatieve reflex van 'harde grenzen stellen’, zero tolerance en een dwingende publieke moraal, kunnen we beter terugkeren naar de belofte van de jaren zestig. De sixties hebben de grondslag gelegd voor een morele revolutie die onvoltooid is gebleven. Het individualisme is verabsoluteerd en vercommercialiseerd, en heeft de moderne egohufter en grijpgrage consument voortgebracht. Die kent geen zelfbeheersing en zelfkritiek, zit gevangen in zijn primaire emoties en impulsen, en draaft mee met populistisch kuddegedrag. In dit opzicht hebben we dus niet te veel, maar juist te weinig individualisme.
Pas als je zelfstandig leert denken en voor jezelf leert spreken, kun je met succes meedoen in het onafgebroken gesprek dat democratie heet. In plaats van een angstige, gesloten groepswaarheid vraagt het democratisch debat een opschorting van zekerheden en een minimale relativering van de eigen standpunten, opvattingen en identiteiten. Als er iets is waarin we met z'n allen moeten integreren, oude én nieuwe Nederlanders, is het in deze relativerende, zelfkritische cultuur van democratisch burgerschap.
Daarom moet ook de nieuwe Marokkaanse elite zelfbewuster als elite optreden. Zij moet het beschavingsoffensief aandurven in de eigen gemeenschap, en het generatieconflict openlijker aangaan. Want het verschil dat de Marokkaanse gemeenschap uiteindelijk zal maken voor de Nederlandse cultuur hangt direct samen met het verschil dat de elite kan maken binnen de eigen gemeenschap. Vrijzinnigheid en individualisme zijn de vaandelwoorden van dit beschavingsoffensief. 'Overwinning van de sociale angst’, luidt een oude omschrijving van het socialistische ideaal. Weg met de groepscultuur van achterdocht, achterklap en mannelijke eer. Zodat niemand (m/v) meer bang hoeft te zijn om 'ik’ te zeggen.

Dick Pels is directeur van het wetenschappelijk bureau van GroenLinks