De goed slechte smaak (3)

Mooi is het verhaal van de bloedrijke mevrouw Verolme. Haar man was een Nederlandse scheepsmagnaat. Zij werd in de jaren zestig geïnterviewd door de VPRO.

‘Dat is een mooi schilderij dat u daar boven de bank heeft hangen. Van wie is dat?’ vroegen de interviewers. Waarna mevrouw Verolme opstond, naar het schilderij liep, rechtsonder op het doek keek en zei: 'Hier staat… R… R… Rem… brandt.’
Het schilderij als belegging, statussymbool en behang, maar niet als kunstwerk dat troost of esthetisch genoegen moet bieden.
Of toch wel?
Je kunt mevrouw Verolme moeilijk betichten van smakeloosheid; ze had immers een Rembrandt in haar kamertje hangen en van bankstel tot gordijn paste alles er keurig en sfeervol bij.
En waarschijnlijk is het zo dat zij iedere keer als zij naar het schilderij keek, heftig ontroerd raakte. Het schilderij was immers driehonderd jaar oud, de mensen erop hadden fraaie kleren aan, alles was 'heel knap’ geschilderd en daarnaast ontving zij, iedere keer weer, bijzondere reacties wanneer het schilderij werd gezien.
Wat wil je nog meer als bezitter van een schilderij, als schilder en als bekijker?
En toch deugt het ergens niet. Maar in dat schemergebied is het moeilijk onderscheid te maken, want je zou met evenveel recht kunnen zeggen (en dat gebeurt trouwens ook) dat de waarde van een schilderij wordt bepaald door de kijker en dat het zonder meer arrogant is te denken dat beschouwing en waardering van de ene mens (mevrouw Verolme) meer waard zouden zijn dan de beschouwing van de andere (prof. Van de Wetering, bijvoorbeeld).
Met andere woorden: kunnen we aannemen dat kunsthistoricus Van de Wetering meer smaak heeft dan mevrouw Verolme omdat hij meer van Rembrandt zou weten en, op grond van zijn studie, beter in staat zou zijn de kunstzinnige aspecten letterlijk te zien?
Dit probleem is onoplosbaar, tenzij je heldere en duidelijke definities opstelt over smaak of precies formuleert wat kunst zou moeten vermogen, en dat in het besef dat niet één definitie sluitend zal zijn, noch dat je ooit zou kunnen formuleren wat kunst vermag, om de simpele reden dat het aantal mogelijkheden oneindig is.
En toch zijn wij, elite, lezers, betrokkenen bij kunst en maatschappij, geneigd Van de Wetering een betere smaak toe te dichten dan mevrouw Verolme.
Het komt door de groep waartoe wij behoren. Wij, elite, weten wat we willen, hoe we kunst willen gebruiken en wat voor ons de mogelijkheden zijn. Wij beseffen hoe kunst ons leven zinvol maakt. En in wezen verdragen we geen indringers die weliswaar beweren dezelfde aandoeningen van kunst te krijgen als wij, maar daar geen blijk van geven. Als mevrouw Verolme huilt om Rembrandt en naast haar staat Van de Wetering ontroerd te wezen, dan weten wij dat die emoties niet gelijk zijn, maar we zullen nooit in staat zijn de waardevolle nuances tussen die twee volkomen duidelijk te maken.
Kortom, mevrouw Verolme komt ons leugenachtig voor en dat irriteert. Zij beweert net als wij 'ontroerd’ te zijn, wij weten dat haar ontroering anders is dan de onze, maar we kunnen dit nooit hard maken. Omgekeerd zal mevrouw Verolme ons net zo schijnheilig vinden.
Daarom irriteren kunstzinnige patjepeeërs ons ook, zoals bijvoorbeeld Loek Brons, verkoper van Willinks. De man heeft zelfs kunstgeschiedenis gestudeerd en ontleent daar gezag aan.
Maar hij devalueert ons genoegen. Hij ontluistert de kunst, hij is een gevaar voor de elite, want hij toont ons dat emoties uitgedrukt kunnen worden in bankbiljetten - en dat het niets meer is dan dat.
Niemand blijkt een goede smaak te hebben.