De goed slechte smaak (8)

In Nederland zijn banken de grote kunstsponsors. Zij kopen werken van kunstenaars, geven opdrachten en zorgen voor een groot gedeelte dat de cultuur blijft draaien.

Dat kun je betreuren, maar het is nu eenmaal zo. Banken willen waar voor hun sponsorgeld, met andere woorden: iets moet aantoonbaar kunst zijn.
Wat is aantoonbare kunst? Dat is kunst die zich al bewezen heeft - banken zullen dus altijd een Rembrandt-, Vermeer-, Van Gogh-tentoonstelling willen sponsoren.
En het is kunst waarin je ‘vermogen’ kunt zien. Het woord 'vermogen’ gebruik ik hier in de dubbele betekenis van het woord. Met 'vermogen’ bedoel ik dus dat het 'knap’ moet zijn, technisch perfect, de kunde moet je ervan af kunnen lezen.
Dus meestal moet je naturalistische kunst hebben, vanwege de herkenbaarheid. De kijker moet onmiddellijk zeggen: 'Dit kan ik niet.’ Want als de bank iets kan (laten zien) wat de klant niet kan (maken), dan heeft de bank aantoonbare kunst gekocht. En dus iets goeds. Het levert vermogen op. De goede smaak moet namelijk in de boeken kunnen worden verantwoord.
Wanneer je inkoper bent van kunst voor grote bedrijven, dan heb je een eenvoudig beroep, want je hoeft maar op drie dingen te letten.

  1. Is de kunstenaar bekend? (Dan doe je in ieder geval geen miskoop.)
  2. Is zijn technisch kunnen aantoonbaar? (Weet hij wat je met verfkwasten, linnen, etcetera, etcetera kunt doen.)
  3. Is de voorstelling die wordt afgebeeld herkenbaar? (Dus: het schilderij mag best 'Liefde’ heten, maar dan moet je wel een moeder met kind zien.) U kunt nu zelf de volgende vragen beantwoorden:
  4. Waarom willen rijke patjepeeërs altijd een schilderij aan de muur hebben van Carel Willink?
  5. Waarom is Corneille opeens zo populair, en Karel Appel een stuk minder?
  6. Wat zijn de voor- en nadelen van ideeënkunst? (Conceptual art, heet het zo?) Het postmoderne misverstand in de kunstkritiek is dat men meent dat in kunstbeschouwingen geen meningen meer hoeven te zitten. Fuchs zei onlangs dat hij meer 'filosofie’ in de kunstkritiek wilde zien. Waarom? Hoe dan? Welke filosofie? En waarover moet dan gefilosofeerd worden? En hoe doe je dat dan naar aanleiding van een kunstwerk? Fuchs brult maar wat… Een kunstrecensent moet een kunstwerk onderzoeken. Hij moet ons vertellen watde techniek is, hoe die is toegepast, wat de ideeën van de schilder zijn, van de voorstelling, in welke traditie het past, hoe het gezien kan worden. En uiteindelijk moet er een opinie komen, opdat wij de kunstrecensent weer kunnen beoordelen. Juist de kunstrecensent moet getuigen van kunde. Doet hij dat niet, dan krijgt hij geen macht en valt hem bovendien te verwijten dat hij geen smaak heeft. In Nederland is de recenserende cultuur op dit moment een zooitje. Vrijwel elke kunstrecensent schrijft onleesbare recensies. Alle, mij bekende, leesonderzoeken wijzen uit dat met name kritieken over beeldende kunst nauwelijks of niet gelezen worden. De goede smaak wordt veronachtzaamd. Hij is er wel, maar wie geloof je dat hem kan ontdekken? Wie mij vraagt drie goede kunstrecensenten te noemen, kan er drie krijgen. De Goede Smaak. Ik kijk naar het televisieprogramma Zomergasten van de VPRO. Daarin twee mensen die ik bewonder: Arnon Grunberg en Wim Schippers. Maar wat ik zie, is verschrikkelijk. Gestotter, gepruttel, er wordt niet één interessante zin de ether in gestuurd; het is allemaal prutswerk. Er is niets aan. Maar ziet, gezaghebbende kranten (onder andere de Volkskrant) hebben er desondanks lovende woorden voor over. Wie heeft nu het meeste gezag? De Volkskrant-recensent of ik?