De goed slechte smaak (9)

De Goede Smaak is de grootste onrustzaaier, omdat hij onzeker maakt. LE:

Heeft Michaël Zeeman een goede smaak? Ronald Giphart? Jeroen Brouwers? Harry Mulisch? Hans Maarten van den Brink? Martin van Amerongen? Theo van Gogh? Hugo Brandt Corstius? Dominee Visser? Heeft de Avro een goede smaak? De NCRV? Heeft mijn vriendin een goede smaak?
Elk van deze mensen heeft tegen een bepaalde achtergrond een goede smaak. Anders had Van Gogh geen drie Gouden Kalveren gehad, Hugo Brandt Corstius niet de Multatuliprijs, et cetera. Tegelijkertijd zijn er anderen die de bovengenoemden smakeloosheid verwijten.
Wie heeft er nu smaak? Het Avro-lid? Hans Maarten van den Brink? De NCRV of Dominee Visser? Het bepalen van een standpunt maakt onzeker.
Je zou het criterium van de toetsbaarheid kunnen hanteren. Elk oordeel over smaak moet op een of andere manier toetsbaar zijn of - iets ongenuanceerder - elke uitspraak over smaak moet gevolgd worden door een redenering.
Voorbeeld. Iemand schrijft in De Groene dat Freek de Jonge op zijn retour is ‘omdat’ hij nu een hit heeft met 'Er is leven na de dood’, een nummer van Dylan, hetgeen ook nog in twijfel kan worden getrokken. Freek is nu, volgens de redacteur, 'dus’ een toonbeeld geworden van Slechte Smaak.
Hier heb ik wat aan, want hier wordt een redenering blootgelegd waaraan ik die van mij kan toetsen. Want: klopt het? Is Freek het pad der smakeloosheid op gegaan omdat hij nu een hit heeft?
Ik vind uiteraard van niet. Ik heb het altijd onterecht gevonden dat Freek nooit eerder een hit had; er bestaat voor mij ook geen verband tussen hit en slechte smaak. Ik ken het nummer van Bob Dylan en ik vind zelfs dat Freek dit heel goed heeft vertaald. Kortom: ik kan mijn eigen overwegingen en die van de Groene-redacteur op de balans zetten en voor mezelf een juiste afweging maken.
De beste smaak heeft dus diegene die anderen in argumentatie overklast. Als de Avro beweert dat haar Prinsengrachtconcerten een smaakvolle bijdrage zijn aan de muziekcultuur 'omdat’ het zoveel mensen plezier doet, en veel mensen die anders nooit naar klassieke klanken luisteren in het hart raakt, dan dien je dit gelijk te toetsen aan je eigen argumenten indien je de muziek die je hoort rotzooi vindt. Het kan dan best zijn dat je denkt: muzikaal boeit het me niet, maar wat een sfeer op de Prinsengracht! Met andere woorden: je kunt je ook onttrekken aan het kwaliteitsoordeel door er zelf met een ander idee naar te kijken. Zo is 'camp’ ontstaan, de stroming die kitsch opeens tot kunst verhief: het rottige kunstwerk ging in een andere context opeens wel een artistiek doel dienen. En zodoende zijn we beland bij wat ik de kern van de Goede Smaak noem: de ironie.
Ironie is niet populair heden ten dage - het is voor mij de enige levenshouding die er is. Ironie suggereert dat het zich ontrekt aan een oordeel van smaak, maar dat is niet zo: het draagt juist bij tot een voortdurende vorm van… herbezinning, zoals een dominee zou zeggen. Het kenmerk van ironie is dat het achter elke zin vraagt: 'Of niet?’ Wat een mooie tentoonstelling… of niet?
Wat een lelijk ding… of niet?
Ironie houdt het debat op gang… of niet?
Opheffer heeft helemaal gelijk… of niet. Hij neemt ons bij de neus… of niet?
Goede Smaak kan niet tegen ironie, want ironie ontluistert de Goede Smaak.
De reden moge duidelijk zijn: ironie draagt altijd het tegendeel met zich mee. Het verdraait alles tot een paradox.
Waar de Goede Smaak het voor het zeggen heeft gekregen, is ironie de enige mogelijkheid om die macht te ontkrachten.