H.C. ten Berge, P.C. Hooftprijswinnaar 2005

De goede beginner

In de bundel Swartkrans (Polak & Van Gennep, 1966) van H.C. ten Berge (1938) vond ik een vergeeld briefje waarop staat: «Dit kaartje trof ik aan in Uw uitgave. Gaarne zou ik door U regelmatig ingelicht willen worden over Uw nieuwe uitgaven.» Ik heb het kaartje ingevuld en opgestuurd aan Polak & Van Gennep. Ik richtte mijn naam aan het adres waar inmiddels een ander kantoor is gevestigd en ik richtte de woorden Gaarne en nieuwe aan het jaar 1966. Het is als een slok geschiedenis nemen van een whisky die ouder is dan jezelf. Of een gedicht lezen dat geschreven is voordat je werd geboren.

Ik had de kaartentruc nodig om de moed op te brengen te beginnen aan het met de P.C. Hooftprijs bekroonde oeuvre van Ten Berge, schrijver van gedichten, korte verhalen, essays, romans, vertaler van gedichten, en oprichter van het tijdschrift Raster, dat vanaf 1972 zichtbaar maakte wat zich aan poëzie bewoog binnen en buiten de grenzen van Holland.

Ik las in zijn gedichten dat Ten Berge zelf opvallend vaak is begonnen. In Nieuwe ge dichten (De Bezige Bij, 1981) staat de cyclus Zeven tijdstippen, waarin de dichter op steeds een andere plaats begint met de tijd te noteren. Vriescheloo 7.1.77/ 9.15 uur. Hij gebruikt het houvast van de dagboekschrijver die zijn bestaan wil bevestigen met het in kaart brengen van details over waar hij zich bevindt, op welke dag en op welk tijdstip, voordat hij aan de dag kan beginnen. De schrijver die meent dat deze feiten belangrijk zijn, dicht betekenis toe aan alles wat hij ziet, alle momenten die hij meemaakt. De wereld bepaalt hem, maar omdat hij de wereld in kaart brengt met een atlas, een kalender en een horloge heeft het er de schijn van dat hij de wereld naar zijn hand kan zetten.

De tijd opschrijven is een goed begin. Van een gedicht, maar ook van een dag. Maar Ten Berge laat ook de machteloze houding zien die eraan ten grondslag ligt of die eruit voortvloeit. De dichter schreef in Vriescheloo om kwart over negen in de ochtend van 7 januari 1977 het begin van een gedicht waaruit blijkt hoe moeilijk het is te bestaan in het heden, en hoe nietig de mens is ten opzichte van de alles opslokkende geschiedenis. Hij begint met een schets van een naakte man die zich gaat wassen of al gewassen heeft:

Een koude badcel en de buidel zonder geld

tussen twee naakte benen;

straks

de schrale mythe van het laagland schrijven

De naakte man staat hier behalve aan het begin van een te schrijven gedicht ook aan het begin van de dag, een leven. Hij is schoon, of van plan het te worden, en kan zichzelf en wat hij zal maken nog helemaal invullen.

Hij vult zich met een uitzicht, in woorden die over de pagina verspringen alsof hem tijdens het kijken af en toe een detail in het oog springt:

stilstaand weer, de eindige landweg

door nevels versluierd

twee graden

vorst, lege bomen

vol spreeuwen paardehaar

berijpt aan prikkeldraad

brem kraakt onder het raam

tranen wellen

in het vierkant van de ruit

En het uitzicht mondt uit in een inzicht:

het uitzicht krimpt

maar ik zie meer dan ooit

denk aan

acres road, zwarte weg

tussen besneeuwde dorpen

en dat een tijdstip nog bestaat

nadat zij is vernietigd

en dat ik zelf vernietig,

op weg naar het wit

steeds volmaakter vernietig

De sneeuw heeft het land gewit, de man is schoon en bleek, en hij houdt vol dat zijn registraties van de tijd in ieder geval overeind zullen blijven. Dat is natuurlijk ook zo, elke lezer van dit gedicht kan hem ervan verzekeren, maar je kunt niet leven in een concept. In het wit van de pagina die gevuld moet worden ziet de dichter zijn einde. Hoe vaker hij begint aan een gedicht, hoe meer hij aan het leven voorbij gaat. Bovendien laat hij zien dat het wit dat op de slotregel volgt meer impact heeft dan het woord wit of het door hem opgeroepen wit. Op die manier cijfert hij zich met zijn woorden weg, geeft hij ruimte aan wat hem omringt, zoals het sneeuwlandschap dat hem omgeeft, en in een laatste poging weerstand te bieden aan wat hem klein maakt, meent hij dat hij de vernietiger is. Ondertussen toont hij hoe hij erdoor wordt opgeslokt.

De strijd van het individu tegen wat hem overkomt, en de interpretatie van zijn rol daarin is sterk aanwezig in het werk van Ten Berge. Het begin dat steeds gemaakt moet worden door de dichter fungeert daarin als een podiumangst voor het leven. Het openingsgedicht van Leeg toneel onder een grijze lucht uit Texaanse elegieën (De Bezige Bij, 1983) begint met:

Leeg toneel onder een grijze lucht

Tijd van afweer en omhelzingen

Verstikt gejammer binnenin

Alle woorden zijn gebruikt

Begin, schrijf

bij voorbeeld

Dat wij leven, zeiden ze,

Dat wij leven in zo’n systeem

En dat het steeds wankelt

Waardoor men moet behoeden

Wat ons zou beschermen

En zo is het begonnen

De dichter legt de verantwoordelijkheid voor de onmacht van het individu dit keer niet bij een landschap maar bij een massa die hij «men» noemt, en «ze»:

Leg je er bij neer

Of je zult neergelegd worden (zeiden ze)

In de roman De jaren in Zeedorp (Meulenhoff, 1998) geeft hij een portret van het leven van Edgar Moortgat, die in de jaren vijftig opgroeit in Bergen. Hoewel Moortgat zich nadrukkelijk van de tennissende middenstand distantieert is het een verademing te lezen dat niet elke Hollander in het decor van De Avonden is opgegroeid. In deze versie van de jaren vijftig bestaan tennisbanen, jazzavonden en hockeymeisjes.

Edgar maakt er geen deel van uit, maar kijkt toe. De buitenstaander weet zich een eeuwige beginneling: «Zo is het me een leven lang vergaan. In wezen ben ik een hardleerse, eeuwige beginneling gebleven. Keer op keer moet ik me oude inzichten weer eigen maken. Steeds opnieuw moet ik de woorden zoeken in de warrige takkenbos van taal die ik onzichtbaar op mijn hoofd en schouders meedraag.

Door wat het leven destijds met zich meebracht ben ik het niet beter gaan be grijpen. Menselijke verhoudingen, ik heb ze niet sneller leren doorzien. Pas toen ik mijn lot in dat van anderen weerspiegeld zag, verwierf ik een scherpere kijk op de wereld en op de volstrekte nietigheid van ons bestaan.»