Raster 99: Ars moriendi

De goede dood

De ‹Ars moriendi› gaven nauwkeurige aanwijzingen voor aanstaande doden hoe zij moesten sterven. Maar is sterven wel zo’n kunst? Iedereen kan het.

Aan het leven is niets zo veelomvattend als het sterven. De laatste overgang, naar een andere, vaak betere wereld, of naar het grote Niets, vereist uitgebreide voorbereiding, ongeveer een leven lang.

In de late Middeleeuwen had men zeer precieze opvattingen over hoe men moest sterven. In de Ars moriendi waren de aanwijzingen vastgelegd hoe men de laatste adem diende uit te blazen zodanig dat de duivel er niet vandoor zou gaan met de ziel, maar dat die onbekommerd zou kunnen opstijgen naar God.

Op zijn sterfbed werd iedereen bestookt door verleidingen, het werk van de duivel. Maar tegenover elke verleiding stond een passende troost, het werk van God en zijn engelen. Toen de boekdrukkunst net was uitgevonden, bestond een aanzienlijk deel van de geproduceerde werken uit verschillende Ars moriendi-uitgaven, wat erop wijst dat iedere Middeleeuwer een serieuze zaak maakte van het sterven en zijn voorbereiding daarvan.

Het sterven is de raison d’être van de opera. De scènes waarin de hoofdpersonen hun droeve einde vinden, vrijwel altijd de apotheose van het stuk, duren lang, en de stervende krijgt zoveel tekst dat de wachters aan de hemelpoort ruim de tijd hebben om de poort te openen en met klaroengeschal en engelengezang de overledene te verwelkomen. In het personage is per slot van rekening zoveel emotie geïnvesteerd dat we hem of haar zo lang mogelijk willen meemaken, tot het allerlaatst. Op hem of haar projecteren we onze diepste gedachten, onze angsten, onze hoop op troost.

Het toppunt in de kunst van het sterven in opera is het drie keer doodgaan van Mimi in La bohème van Puccini. «Wie hierbij zelf geen tranen voelt opkomen, is geen liefhebber», schrijft Kasper Jansen in Raster 99, gewijd aan de Ars moriendi. In de opera van de twintigste eeuw gebeurt het sterven het meest schokkend en aangrijpend in Jenufa van Janácek, als een grootmoeder een baby laat verdrinken onder het ijs. «Het verhaal over de bedoeling van deze dood van een pasgeborene, een ander helpen aan een beter leven, snijdt door de zaal. Dit operabezoek heeft niets meer te maken met een avondje uit. Het publiek is steevast ten diepste geraakt. Applaus na afloop is nauwelijks mogelijk. De operaliefhebber heeft voorgoed een schram op de ziel, is ook een beetje dood.»

Wie het sterven bijwoont, kan niet anders dan zelf ook een beetje doodgaan. Het maakt diepe indruk op ons. We komen, hoe kortstondig ook, even in aanraking met het diepste fundament van ons eigen leven. We schampen heel kort langs de zin en betekenis van alles: de dood. En we willen niet weten dat de ultieme, en enige zin van het leven de dood is. Dat is een onhoudbare paradox. Om daarmee toch te kunnen leven, hebben we van het sterven een mysterie gemaakt. Iets ontzagwekkends, iets ondoordringbaars, te raadselachtig om te kunnen begrijpen. Liever bedrijven we levenskunst, en treden we de wederwaardigheden van het bestaan tegemoet met sprezzatura, bestudeerde nonchalance, dan stervenskunst. Het postmoderne hedonisme houdt deze waarheid voor vanzelfsprekend, noteert classicus David Rijser, die in zijn bijdrage aan Raster het kunstwerk van de dood door de geschiedenis heen beschrijft.

De middeleeuwse ars moriendi, meent Rijser, deden het zonder gevoeligheid of melancholie, en waren ten diepste naïef. Maar men kan zich wel verbazen over deze naïviteit van handboeken voor een goede dood — het is niet alleen het formuleren van de «handige tips» op zichzelf dat bevreemdt, maar vooral het reductionistische karakter ervan. De onbeholpenheid van de voorschriften voor het goede sterven hangt ook samen met het feit dat het om een van de eerste vormen van massacultuur gaat, om het helpen van ongeletterden. «De dood is er voor iedereen. Maar er mee omgaan lijkt toch ook een kwestie van training. En is dus blijkbaar leerbaar. En als dat zo is, moet je bij het gemene volk eenvoudig beginnen. Dat doet de ars moriendi.»

De dood, niet alleen de eigen dood, heeft iets sacraals. De westerse cultuur is vanaf het begin doordrenkt geweest van het sterven. En bijna altijd hing er het zweem van heiligheid en onbegrijpelijkheid omheen. De meeste bijdragen aan deze Raster bewaren eenzelfde eerbied en afstandelijkheid ten opzichte van de dood. Een doorwrocht stuk van Helen King over De dokter aan het sterfbed, bijvoorbeeld, of Jacq Vogelaars De wereld één sterfbed: Kieren in de sterfscène van Sokrates, het mooie verhaal Indringers: Over vaders en zonen van Cyrille Offermans of de verrassende Drie verhalen van Hedda Martens.

Hoezeer contrasteert met die bijna-plechtigheid de bijdrage van Bert Keizer, Vooruitblik. Keizer is arts en publiceerde eerder de roman Het refrein is Hein, over zijn (talrijke) ervaringen met euthanasie. Ook nu neemt Keizer de ruimte en de tijd om te beschrijven wat wij allemaal niet of zelden hebben meegemaakt: hoe een mens daadwerkelijk sterft. Het moment waarop, volgens de een, de ziel het lichaam verlaat, of, volgens de ander, het tijdelijke voor het eeuwige wordt verwisseld, of, volgens nog een ander, bijvoorbeeld Bert Keizer, de machine die het lichaam heet, wordt stilgezet. Want er moeten binnen in het lichaam heel wat apparaten uitgeschakeld worden voordat buiten de zwarte vlag definitief gehesen kan worden.

Keizer: «Na het uitdoven van het bewustzijn, dat in het buitenste hersenrandje zit, vallen stuk voor stuk de andere organen stil. De dood klimt langs de evolutionaire ladder omlaag het lichaam in, en één voor één worden de verschillende machines stilgezet: nieren, lever, longen, hart, ademhaling. Na hartfalen blijft als laatste, nogal storende reflex het ademcentrum ergens laag in de hersenstam nog wel zo’n tien tot twaalf minuten hardnekkig vuren. Dat leidt er toe dat stervenden soms lang nadat het hart is opgehouden met kloppen toch nog af en toe een halfhappende beweging maken met mond en keelspieren in een poging nog een keer adem te halen: ‹gaspen› is het onprettige Engelse woord.»

Raster 99 bevestigt onze onbeholpenheid tegenover het sterven en laat mooi zien hoe wij onze cultuur hebben ingericht rond de dood. De liefde en de dood, dat zijn de enige mysteries van het leven — dat is de teneur van vrijwel alle bijdragen, en zonder de dood zouden we geen leven hebben dat iets voorstelde.

Keizers nuchtere verhaal benadert de zaak van een andere kant. Hij is als man van de praktijk, die tientallen mensen een zacht sterven heeft gegund, gespitst op dingen die van achter het bureau nooit te ervaren zijn. Zijn kennis, zijn wijsheid en zijn milde ironie zijn een verademing.

Om de dood hoeft niet altijd gehuild te worden.

«Ars moriendi, de Kunst van het Sterven. Kunst?» schrijft Keizer. «Er kan niet veel aan zijn, wan ttotnutoe blijkt elke mens het te kunnen. Het is bij mijn weten tenminste nog niet voorgekomen dat iemand er niet in slaagde over de laatste hindernis heen te komen. Moeilijk is het dus niet. Waarom stervenden interessanter zouden zijn dan mensen met een blindedarmontsteking, of aardigheid in skiën, of een mongools kindje, of in het bezit van een Gazelle-rijwiel zou ons een raadsel moeten zijn. Maar we staan er niet makkelijk bij stil.»

Raster 99: Ars moriendi

Uitg. De Bezige Bij, 192 blz., € 15,-