De goede kant

Zij is hoogopgeleid. Schreef veertig jaar geleden haar scriptie over Shakespeare en we hielden contact nadat we een van de raadsels van het leven – waarom waren we niet verliefd op elkaar geworden, terwijl we zo goed met elkaar konden opschieten – niet konden oplossen. Onze levens verliepen in cirkels die elkaar af en toe weer eens sneden.

En dan spraken we over literatuur.

Zij vindt geëngageerde boeken mooi. ‘Waar gebeurd’ strekt tot aanbeveling, zoals: ‘De geschiedenis van de slavernij’, of ‘Opstand van de arbeiders in 1884’. (Het zijn verzonnen voorbeelden.) Wel waar is dat ik haar een groot plezier heb gedaan met het boek Vuurnacht van Martin Ros over een opstand van slaven in Haïti.

Mijn vriendin zegt dat ze van literatuur houdt. Ik heb soms de behoefte haar liefde voor literatuur te relativeren. Ze schreef me – ik citeer: ‘Mijn stelling is: elk goed boek bevat een juiste moraal.’ Ik schreef terug: ‘Een goede moraal in een boek is van ondergeschikt belang. Het gaat om de stilistische kwaliteiten.’

Zij: ‘Die moraal is van invloed op de stijl. Nationaal-socialistische schrijvers kunnen per definitie geen goede literatuur produceren. Socialistische schrijvers daarentegen wel. Zij hebben de juiste moraal aan hun zijde.’

Ik kom dan uiteraard aan met Céline.

Zij: ‘Zijn antisemitische geschriften zijn onleesbaar.’

Ik: ‘Reve.’

Zij: ‘Reve was een rare racistische snuiter die desondanks veel voor de emancipatie van de homoseksuelen heeft gedaan.’

Ik: ‘Nabokov.’ En ik stuurde een citaat van Nabokov mee waarin hij zegt niet te denken ‘dat een klein golfje in de bewustzijnsstroom, een paar gezonde obsceniteiten en een scheutje communisme in een toiletemmer alchemisch en automatisch ultramoderne literatuur zou opleveren; en ik zal tot voor het vuurpeloton volhouden dat kunst, zodra ze met politiek in contact wordt gebracht, onvermijdelijk afzakt tot het peil van wat voor ideologische rommel dan ook.’

‘Hij stond aan de goede kant’, zegt mijn vriendin.

Zij haat Sartre, ze vindt zijn boeken slecht en ze noemt Jean-Paul ‘een gevaarlijke puber’

En zo kibbelen we vrolijk verder. Soms verdenk ik haar ervan dat ze zich expres tegen mij afzet.

Ik vertel haar van mijn liefde voor Sartre, hoewel ik ook wel zie dat hij zoveel tournures in zijn leven heeft gemaakt dat je er draaierig van wordt.

Zij haat Sartre. Ze vindt zijn boeken slecht, zijn houding seksistisch, ‘Simone de Beauvoir is veel beter’, en ze noemt Jean-Paul ‘een gevaarlijke puber’.

Ik pest terug dat ik de zinnen en gedachten van Heidegger ‘pure poëzie’ vind en volkomen begrijp waarom Hannah Arendt steeds weer op hem verliefd werd.

Vriendin vindt Heidegger uiteraard een fascist ‘met zijn rare boshut’, en derhalve: ‘onleesbaar weerzinwekkend en weerzinwekkend onleesbaar’.

Kortom: we spelen met onze opvattingen over literatuur.

De laatste tijd stuurt ze me – omdat ze weet hoe ik over hem denk – de teksten van Akwasi’s raps op. Ik haal er mijn schouders over op. Ik antwoord met de nieuwe Bob Dylan. Toevallig vindt ze die ook goed.

In een gesprek met haar krijg ik altijd op mijn donder. Ze dicht me geen morele autoriteit toe en ‘die gun ik je zo, het zal je boeken ten goede komen’.

Ik kan niet meer tegen haar op. Ze verwijt me dat ik aan ‘mansplaining’ doe. Dat zal best, maar ik ben te oud om te veranderen. Ik herinner me een college over de zeventiende-eeuwse Nederlandse literatuur. Er waren toen veel vrouwelijke schrijvers en samen met hun manlijke collega’s wilden ze vooral literatuur maken over het goede. De bekeringen vliegen je om de oren en God is voortdurend in een visioen waarneembaar en omdat iedereen tijd had duurde en duurde hun literaire kunst. Allemaal nobele mensen.

Ik mailde haar zondag: ‘Ik heb behoefte aan schoften, schurken, pedofielen, fascisten, verkrachters, moordenaars, antisemieten en andere racisten die prachtige regels schrijven.’

‘Die bestaan niet’, schreef ze terug.