DE ZAAK-OZ

De goede zeden

Als er één plek was waar de jongerenrevolutie in het Verenigd Koninkrijk zich afspeelde, was het op de pagina’s van de alternatieve pers. Volgens de Britse autoriteiten was het satirische tijdschrift OZ, het platform van een nieuwe tegencultuur, een bedreiging voor de publieke moraal.

In de zomer van 1971 stonden in de Old Bailey in Londen drie jonge mannen terecht. Het waren de redacteuren van OZ, een underground-_tijdschrift dat uit Australië was komen overwaaien en dat sinds 1967 tweewekelijks zijn pagina’s vulde met dat wat de tegenbeweging van de jaren zestig bezighield: seks, drugs en schoppen tegen de gevestigde orde. De aanklacht tegen het trio was van epische proporties. Richard Neville, Jim Anderson en Felix Dennis, archetypische hippies van begin twintig uit Notting Hill, werden ervan beschuldigd de publieke moraal van het Britse koninkrijk gecorrumpeerd te hebben. Volgens Scotland Yards _Dirty Squad, een speciale eenheid belast met het onderzoeken van obsceen materiaal, was OZ een dermate vunzig blaadje dat het een gevaar vormde voor de goede zeden van de Britten.

Dit common law-vergrijp kende slechts één belangrijk precedent: dezelfde aanklacht was gebruikt bij de zaak over D.H. Lawrence’s roman Lady Chatterley’s Lover, tien jaar eerder. Toen had de rechtbank zes dagen nodig om vast te stellen dat Lawrence’s boek toch echt literatuur en géén pornografie was. De zaak-OZ sleepte zich de hele zomer van ’71 voort en zou daarmee de langste obscenity trial van de geschiedenis worden.

Rondom de zaak-OZ ontstond een protestbeweging in de beste traditie van de jaren zestig. Buiten de rechtszaal werden carnavaleske optochten gehouden, waarin de rechtszaak werd veroordeeld als poging tot censuur. John Lennon schreef een protestlied, God Save Oz, en de drie beklaagden verschenen verkleed in schoolmeisjesuniformen in de rechtszaal.

OZ was een aaneenschakeling van grappen. ‘Lik aan de hoek van deze pagina voor een lsd-trip’, stond er in OZ 27, Acid OZ. Het blad was ludiek maar de openbaar aanklager bloedserieus. Volgens hem zette het blad aan tot seksuele perversiteiten en drugsgebruik. De jury en het hof deelden de mening van de openbaar aanklager en veroordeelden het OZ-trio tot vijftien maanden cel en een boete die het permanent noodlijdende tijdschrift beslist de das om zou doen.

Maar vergeleken met wat er zoal verder aan film, boek en tijdschrift werd geproduceerd was OZ een onschuldig blaadje. In Londen was, weliswaar onder de toonbank, een scala aan pornografie verkrijgbaar en in Soho deden clandestiene seksbioscopen goede zaken.

OZ was, in tegenstelling tot de overtuigingen van het establishment, nauwelijks als pornografisch te bestempelen. De belangrijkste missie van het tijdschrift was seks simpelweg te bespreken en het verstikkende zegel dat dit onderwerp afsloot open te breken.

Seksualiteit werd overigens nogal eendimensionaal gedefinieerd in de alternatieve pers van de jaren zestig. De seksuele revolutie, zoals gepredikt op de psychedelisch gekleurde pagina’s van OZ, stond vooral in het teken van het mannelijk gerief en de gewillige vrouw. De page three girl, nu het terrein van de Britse riooljournalistiek, werd geïntroduceerd door OZ’ belangrijkste concurrent International Times.

Samen met International Times vormde OZ de ruggegraat van het Underground Press Syndicate, een internationaal netwerk van alternatieve tijdschriften. Vanuit centra van de jongerenrevolutie als Londen, New York en Berkeley verspreidde de Underground Press zich over de wereld. Nederlandse studentenorganisaties hadden een abonnement maar ook de Universiteit van Zimbabwe. Binnen het Verenigd Koninkrijk droeg OZ eraan bij dat de alternatieve beweging niet beperkt bleef tot een intiem clubje hippe Londenaren, maar ook vestigingen kreeg in Manchester, Glasgow en Briton.

Voor veel contribuanten was de Underground Press een springplank voor hun verdere carrière. Germaine Greer is begonnen bij OZ. In het eerste nummer schreef zij een pleidooi voor de terugkeer van de Britse boezem, die uit het straatbeeld dreigde te verdwijnen omdat de mode de borstpartij onvoldoende accentueerde. In een ander nummer stond een artikel waarin de Universiteit van Oxford werd afgeschilderd als een vreselijke gevangenis waar niks te beleven was en de vrouwen grijs en seksloos waren. Auteur van dit schotschrift: John Gray, thans een vooraanstaand publiek intellectueel en professor aan de London School of Economics.

Door zijn lokale populariteit en globale verspreiding was de Underground Press een belangrijk kanaal waarlangs de ideeën van de tegenbeweging zich konden verspreiden. Tijdschriften als OZ deden kond van wat jongeren in andere delen van de wereld deden en gaven richting aan de tegenbeweging door politieke thema’s als de Vietnamoorlog en apartheid te bespreken. Als er één plek was waar de internationale jongerenrevolutie van de jaren zestig zich afspeelde, was het op de pagina’s van bladen als OZ. Hierbij is het niet zozeer van belang wat jongeren zeiden – de artikelen in OZ waren vaak onleesbaar geworden vanwege de afbeeldingen die door de tekst heen liepen – maar dát ze iets zeiden. Van die nieuwe mondigheid is de alternatieve pers hét symbool.

De alternatieve pers was een vorm van publieke ruimte die was gecreëerd door jongeren en waar zij soeverein over waren. Dit kwam het meest duidelijk naar voren bij de publicatie van OZ nummer 28, The School Kids Issue. De redactie van het tijdschrift, zelf al ruim over de twintig, had een handvol schoolgaande jeugd uitgenodigd om de inhoud van een nummer van het blad te bepalen. Dit nummer zou de uiteindelijke aanleiding tot de rechtszaak worden. Hoewel de inhoud nauwelijks verschilde van andere nummers van OZ (of van wat schooljeugd op de muren van het toilet kladde) werd, in de ogen van Scotland Yard, met een combinatie van seks, drugs en schooluniformen een absolute grens aan de betamelijkheid overschreden.

De ironie van deze geschiedenis is dat juist de institutionalisering van de jeugdcultuur van de jaren zestig ervoor zorgde dat deze ook direct aangepakt kon worden. Buiten de georganiseerde pers om was de Britse counter culture een amorfe beweging, die bijeen werd gehouden door persoonlijke contacten. De alternatieve pers gaf de beweging een gezicht naar buiten en een publiek platform waarvandaan haar opvattingen wereldkundig konden worden gemaakt.

Niet alleen voor de jongeren hadden tijdschriften als OZ een emancipatoire functie. Ook homoseksuelen, voor wie geen publieke ruimte beschikbaar was in het naoorlogse Verenigd Koninkrijk, waren geholpen met het bestaan van de alternatieve pers. OZ droeg het standpunt uit dat seksualiteit in al haar gedaantes acceptabel was. Het tijdschrift presenteerde zich hiermee als door en door liberaal, in de Angelsaksische zin des woords.

OZ vervulde ook een praktische functie in het proces van seksuele emancipatie: de alternatieve pers was in de jaren zestig de enige die contactadvertenties van homoseksuelen accepteerde.

Tijdens de rechtszaak was het openlijk bespreken van homoseksualiteit een belangrijke bron waarnaar werd verwezen als het ging om het aantonen van de corrumperende werking van het blad. De openbaar aanklager sprak veelvuldig over ‘geperverteerde vormen van seksualiteit’ die het blad behandelde. Voor de redacteuren van OZ was het alsof ze terug werden getransporteerd naar de negentiende eeuw, waarin het gerechtelijk vervolgen van homoseksuelen –denk aan Oscar Wilde – veelvuldig voorkwam.

De grootste steen des aanstoots in de zaak-OZ was een collage waarin Bruintje Beer werd uitgerust met een buitenproportionele fallus en zich vergreep aan de cartoonfiguur Gypsy Granny van Robert Crumb. De ontheiliging van Bruintje Beer, icoon van onbezoedelde kinderjaren en merry England, ging de autoriteiten te ver. De redacteuren van OZ beriepen zich op artistieke vrijheid maar de openbaar aanklager wilde daar niets van horen. Voor hem bleef OZ wat het was: een samenzwering met als doel de goede zeden van de jeugd te bederven.

Zowel progressieven als conservatieven zien de zaak-OZ als het sluitstuk van een tijdperk, maar de controverse over het tijdschrift is een blijvende bron van beroering en vermaak in het Verenigd Koninkrijk. In 1991 werd de zaak-OZ verfilmd als rechtbankdrama met Hugh Grant in de hoofdrol en de Britse media kloppen regelmatig aan bij _OZ-_veteranen voor herinneringen en terugblikken op de rechtszaak.

Historici grijpen de zaak-OZ aan om aan te tonen dat, in weerwil van mythes over de losgeslagen jaren zestig, het tijdperk in veel opzichten uiterst behoudend was. Ruim tien jaar nadat de Britten zich druk hadden gemaakt over Lady Chatterley’s escapades met de terreinknecht was er weinig veranderd. Opnieuw moest de rechtbank eraan te pas komen om te redden wat er over was van de Victoriaanse moraal. Geen swingend Londen, Beatles of minirok had het Britse publiek ervan kunnen overtuigen vastgeroeste ideeën los te laten. De culturele revolutie van de jaren zestig bleef het domein van een zeer selecte groep middel class-jongeren.

De belangrijkste nasleep van de zaak-OZ kwam echter pas eind jaren negentig aan het licht, toen geheime overheidsdocumenten uit begin jaren zeventig werden vrijgegeven. Hieruit bleek dat de toenmalige home secretary Reginald Maudling naar aanleiding van kritiek op de zaak-OZ een onderzoek had laten instellen naar de werking van Scotland Yard en in het bijzonder naar de Dirty Squad.

Uit dit onderzoek was naar voren gekomen dat Scotland Yard-medewerkers op grote schaal smeergeld hadden aangenomen van pornobaronnen die in Soho hun illegale ondernemingen runden. Het overheidsrapport vermeldde verder dat meer dan vierhonderd agenten werden ontslagen of gevangen gezet. De hoogste functionaris bij de Dirty Squad bleek in dezelfde rechtbank als waar OZ terechtstond te zijn veroordeeld tot tien jaar cel.

Uiteindelijk was de porno-industrie in Soho ook de redding van de OZ-_redacteuren. Tijdens het hoger beroep stuurde de Lord Chief Justice zijn assistent naar Soho met twintig pond in de hand en de opdracht de meest schokkende porno te kopen die hij kon vinden. In vergelijking met waarmee de assistent terugkwam leek _OZ een onschuldig kinderblaadje en het vonnis werd nietig verklaard.

Dit najaar worden de herinneringen van OZ-_hoofdredacteur Richard Neville aan de rechtszaak, te boek gesteld in zijn autobiografie _Hippie Hippie Shake, verfilmd. Het verhaal van de zaak-OZ wordt hiermee doorgegeven aan de commercie die de tegenbeweging van de jaren zestig zo verfoeide. In The Guardian deed Germaine Greer haar beklag over de filmproductie. Deze zou een onrealistisch en overdreven geseksualiseerd beeld geven van de jaren zestig. Ze weigerde elke medewerking aan de film en distantieert zich bij voorbaat van alles wat de film over haar rol bij OZ vertelt.

De hoofdschuldige aan deze vertekening van de sixties is volgens Greer Richard Neville, ‘het minst getalenteerde lid van de alternatieve beweging’, die mensen uitentreuren wil herinneren aan zijn gloriedagen als hoofdredacteur van OZ en nu zijn activistisch verleden loochent door het te versjacheren aan een filmproducent.

Neville is niet de enige die de overstap van Underground Press naar publieke commercie heeft gemaakt. Felix Dennis, door de rechter in de zaak-OZ aangeduid als ‘duidelijk de minst intelligente van de drie’, groeide uit tot directeur van een omvangrijk mediaconcern. Hij verdiende een vermogen van honderden miljoenen met mannenbladen als Loaded en Maxim – auto’s, schaars geklede B-actrices en elektronische gadgets – en staat daarmee hoog in de Engelse Quote 500, de Sunday Times Rich List.

De naweeën van de zaak-OZ zijn exemplarisch voor het huidige debat over de jaren zestig. Het tijdperk is inzet geworden van een herinneringenstrijd over wat nu de ware betekenis is van ‘’68’. Nadat een deel van deze generatie strijd had geleverd met haar ouders voert ze nu een onderlinge strijd over wie trouw is gebleven aan de idealen van die tijd en wie ze heeft verkwanseld.

In dit strijdgewoel verdwijnt het besef dat commercie en de tegenbeweging van de jaren zestig elkaar helemaal niet bijten. De redacteuren van OZ bedreven een uiterst gewiekste marketingcampagne. Ze grepen de ophef rond hun blad direct aan om het lezersbestand te vergroten. Er verschenen grote advertenties waarin hun rebelse imago, bevestigd door de rechtszaak, als reclamemiddel werd gebruikt.

Ondanks de grote belangstelling voor het tijdschrift bleek de zaak-OZ de zwanenzang van het tijdschrift en daarmee van de Britse alternatieve beweging van de jaren zestig. In 1973 ging OZ ter ziele, maar niet zonder dat de auteursrechten, die tot dan toe vanuit ideologisch motief vrij waren geweest, werden verkocht aan een grote Britse uitgeverij.