INTERVIEW MET STEFAN DURING

De goeie kant boven

Stefan During is een buitenbeentje in de Nederlandse designwereld. Hij ontwerpt en bouwt stoelen en strijkinstrumenten. De Shakers bestaan nog, en ze wonen op Texel.

STEFAN DURING WOONT op Texel. De ontvangst op het eiland is hartelijk in Jan Wolkers-stijl: verse muntthee, op de juiste manier bereid. Zelfgebakken broodjes. Dan een lange wandeling over het eiland en zelf oesters rapen van de dijk die even later met een mooie witte wijn worden genuttigd. Samen met zijn vrouw, kunstenares en literatuurwetenschapper Nesrin, heeft Stefan During tegenover het kerkhof van Oosterend een atelierwoning die niet van deze tijd lijkt. Op een weldadige manier ademt alles hier het pre-industriële tijdperk. Het is lastig zoeken naar een massaproduct: vrijwel alles is zelfgemaakt. In de voorkamer, die functioneert als etalage, staat en hangt het werk van Stefan en Nesrin During. Hout en keramiek, meubels en instrumenten die kracht en eenvoud uitstralen. Alsof de religieuze Shakers op Texel zijn gearriveerd. In hun spankracht en functionaliteit lijken de stoelen van During de concurrentie met het ontwerp van de natuur aan te willen gaan.
In Nederland is ‘Chairman’ During inmiddels misschien wel de enige gespecialiseerde stoelenmaker met een eigen stijl. Stefan During: ‘Er zijn natuurlijk meubelmakers die wel eens een stoel maken, maar daar blijft het vaak bij. Waarom de stoel? Omdat je daar de leukste dingen mee kunt doen wanneer je met hout werkt. Houtbewerking kent drie klassieke uitdagingen: muziekinstrumenten, boten en stoelen. Vroeger had je daarbij ook nog wagens. Voor een ontwerper van stoelen is de veranderende cultuur een rivier die je meesleurt, maar toch ook ruimte laat om hier en daar wat bij te sturen. Dat is de charme van stoelontwerp.’
During is de zoon van een violist van het Concertgebouworkest en groeide op in Hilversum, omringd door muziek en de nabije natuur van de heide. In Amsterdam studeerde hij begin jaren zeventig af als geoloog. ‘Dat was een kleine studie, met bijna evenveel studenten als docenten. Alle fossielen en aardlagen, en hoe die na elkaar gerangschikt zijn, hebben een naam die je moest kennen. De aardige kant van de studie was het veldwerk. Na het kandidaatsexamen kreeg je een gebied toegewezen dat je in kaart moest brengen, in mijn geval was dat Spanje. Daar zat ik een aantal zomers lang eindeloos dingen op te schrijven en monsters te nemen. Toen ik Nesrin leerde kennen, hebben we enige tijd in Turkije gewoond. Aan de Universiteit van Istanbul werkte ik twee jaar als geoloog. In die tijd begon ik mijn eigen atelier: van het onderstel van een oude naaimachine maakte ik een draaibank en begon hout te draaien. Nadat mijn oudste zoon was geboren ging ik meubeltjes voor hem maken. Kennelijk had ik de behoefte om iets ambachtelijks te doen.’
De houtbewerkers van Istanbul blijken nog steeds een inspiratiebron. During hield er een voorkeur aan over voor eenvoudige maar functionele omgang met materialen, een vorm van ambachtelijk vernuft die hier verdwenen lijkt te zijn. ‘In Istanbul zijn Nesrin en ik samen met wat vrienden een galerie begonnen. Gaandeweg kreeg ik het idee om serieus voor mezelf te beginnen. Mijn oudste zoon was vijf, die moest naar school, en eind jaren zeventig was er veel onrust op straat in Turkije. Met het oog op de kinderen was het veiliger om terug te gaan naar Nederland. Hier op Texel is alles geleidelijk gegaan. Dit huis met de twee ateliers voor Nesrin en mij groeide langzaam uit tot wat het nu is.’
Op Texel bekijkt During al het rumoer rond Dutch Design van de laatste jaren met gepaste verwondering. ‘Ik heb het nooit over design, want ik weet helemaal niet meer wat dat is tegenwoordig. Vroeger was design gewoon ontwerp, ik heb het over dat deel van het proces nog steeds liever over ontwerpen. Ik heb het idee dat “design” vooral een reclametekst is die men erop plakt. Volgens mij wordt er vooral mee bedoeld: nieuw en modieus.’
Hij had veel bewondering voor de Deense ontwerpers: ‘Vooral die van vlak voor tot zo’n twintig jaar na de Tweede Wereldoorlog. Rond 1900 houdt het op met de Victoriaanse tijd en dan krijg je langzaam maar zeker een interessante versobering. Daaruit ontstond het Scandinavische ideaal van gecombineerde eenvoud, degelijkheid, functie en schoonheid.’
Wat is de kracht van deze traditie? Wat spreekt u hierin zo aan?
Even is het stil. Dan zegt hij, lachend: ‘Dat is bijna een axioma. Het zal wel iets met mijn generatie te maken hebben. Pronken met geld, dat zie ik als iets van de laatste jaren – ik ben zelf opgegroeid in soberheid. Maar of dat iets met een esthetische afkeer van tierlantijnen te maken heeft… ik denk het eigenlijk niet.’

Over de instrumentenbouw praat During in nuchtere termen. Het verborgen trillichaam, waar vioolbouwer Vedder in Thomas Rosenbooms Publieke werken vele hilarische pagina’s lang naar op zoek blijft, blijkt simpelweg te voorkomen door de juiste trucjes toe te passen. Stefan During: ‘Ik subsidieer die instrumenten met mijn meubels, en als ik een cello verkoop moet ik meteen een nieuwe maken, want ik speel zelf graag. De meeste mensen denken dat instrumenten bouwen veel moeilijker is dan meubels maken. Er zitten lastige aspecten aan, maar je hebt tegenwoordig heel wat amateurs die volkomen acceptabele instrumenten maken. Dit terwijl iedere stoel weer zijn eigen moeilijkheden heeft. Ik heb inmiddels zo veel stoelontwerpen dat ik alle details nauwkeurig moet noteren in draaiboeken. In kindertaal spreek ik daarin mezelf toe: pas op, leg de goeie kant boven, anders gaat het mis. Het zijn vooral logboeken van opgedane ervaring, om mezelf voor fatale fouten te behoeden.’
Onder instrumentenbouwers is veel concurrentie, zegt During: ‘Bijna iedereen voegt zich naar de wensen van hun rijke opdrachtgevers. Dan moet er ineens bij een viola da gamba van alles op en aan. Ik had hier een Italiaanse man over de vloer met zijn dochter, zij maakte kopjes die je op je viool kunt zetten. Meestal zijn dat gedrochten, maar dit was prachtig. Maar waarom zou je dat in godsnaam op je instrument zetten? Dat is voor mij toch een vorm van dubieus dwepen.’

De bron van Durings eenvoudsideaal blijkt lastig vast te stellen. ‘Waar die bewondering voor eenvoud uiteindelijk vandaan komt weet ik niet. De gedachtewereld van Henry David Thoreau’s Walden, die heeft me altijd aangesproken. Maar ik ben niet absoluut tegen iedere vorm van versiering. Zelfs bij de meest puriteinse Shaker-esthetiek, die ik altijd inspirerend heb gevonden, zie je uiteindelijk toch weer ornamentatie opduiken. Mijn ideaal komt misschien vooral voort uit de manier waarop ik ben begonnen: traditionele dingen maken. Vooral steeds kijken: hoe hebben mensen dat altijd gedaan? En dan kom je erachter dat je technisch een stapje verder kunt gaan, en weer een stapje. Kijk, zo’n gebogen latje, dat is eerst alleen maar een lastige techniek die je wilt beheersen. Later wil je als ontwerper daar iets uitdagends mee doen, en daaruit ontstaat dan uiteindelijk het ontwerp.
Doe ik aan maatschappijkritiek? Welnee, het is veel naïever dan dat. Ik probeer door het leven te komen met de oogkleppen die ik nodig heb. Ik ga altijd uit van een cultuur die ik wil, en daar kom ik aardig mee weg. Ik zie mezelf eerder als monnik dan als missionaris. Dat flauwekulverhaal van een Japanner die door het bos loopt en daar een boom hoort fluisteren: meubelmaker, maak alsjeblieft een bijlenstand van mij – met dat soort geromantiseer heb ik niks. Zo spreken de bomen echt niet tot mij.’

Werk van Stefan During is te zien tijdens de Dutch Design Week in Eindhoven, 18 t/m 26 oktober. www.dutchdesignweek.nl; www.during.nl