De gok van het riod

Het eerste jaar van mijn geschiedenisstudie begon weinig opwindend: een werkgroepje over de middeleeuwse bard Walther von der Vogelweide - ‘als u dit niet leuk vindt, bent u echt ongeschikt voor de studie’, had de docent gewaarschuwd - en slaapverwekkende colleges over citatietechniek. Komt er ja of neen een komma tussen de plaats en het jaar van uitgave? Wat is het verschil tussen idem en ibidem? Moet er wèl of niet een streep onder een boektitel? Omdat ik het advies van mijn docent middeleeuwen in de wind heb geslagen, mag ik tegenwoordig zelf eerstejaars leren hoe zij op correcte wijze moeten citeren. ‘Als u dit niet kunt, zult u nooit een fatsoenlijk historicus worden’, hoor ik mijzelf zeggen.

En ik méén het ook nog. De essentie van alle wetenschap is immers controleerbaarheid: hoe kom ik aan die getallen, aan dat argument, aan wie ontleen ik deze wijsheid? En behalve om verificatie gaat het ook nog om iets anders: het vaststellen van geestelijke eigendomsrechten. In de sociale wetenschappen wordt veel slordiger geciteerd dan in de geschiedschrijving en ik durf dan ook te wedden dat dáár veel meer Diekstra’s rondlopen dan in mijn eigen bedrijfstak.
In de plicht tot bronvermelding ligt ook het belangrijkste verschil tussen een historicus en een journalist. De laatstgenoemde mag zich beroepen op anonieme bronnen en hij voelt zich vaak verplicht zijn informanten te beschermen. Voor een historicus is zoiets echter een doodzonde. Tegelijk moet gezegd worden dat dit probleem zich zelden voordoet aan de geschiedvorser om de eenvoudige reden dat zijn zegslieden doorgaans zo dood als een pier zijn. En de historicus mag van zijn dooien zoveel kwaad spreken als hij wil, mits met bronverwijzing. Geen mens kan het iets schelen, behalve zijn vakbroeders. Het verleden is dood en begraven en het zonderling gescharrel van de historicus op kerkhoven en zolders kan geen kwaad.
Dat ligt anders met een journalist. Hij kan wel kwaad. Hij wroet bij voorkeur in vers, dampend afval, op zoek naar geheimen, samenzweringen, kwade wil, rottigheid. Hij snijdt in warm kloppend vlees, in plaats van in half vergane lijken.
Op het moment zijn we evenwel getuige van een interessant geval van branchevervaging. Deze week debatteert de Kamer over het besluit van het kabinet om het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie een onderzoek te laten doen naar de val van Srebrenica in juli van het vorig jaar. Aan die opdracht is een hoop gedoe voorafgegaan. Het kabinet heeft er vijf weken over gedaan om de opdracht te formuleren en het besluit is in de Tweede Kamer met enige ‘nurksheid’ ontvangen, zoals Riod-directeur Blom het in een vraaggesprek formuleerde. Die houding is overigens wel begrijpelijk. De Kamer had liever een eigen onderzoek ingesteld en er is even sprake geweest van een parlementaire enquête. Dat idee is nu helaas van de agenda en men hoeft geen doorgewinterde cynicus te zijn om in het kabinetsbesluit een zoveelste staaltje van typisch Nederlandse depolitiseringskunst te zien. Een onderzoek dat even de kou uit de lucht trekt, zich in diepe stilte voltrekt en volgens Blom minstens twee jaar in beslag zal nemen.
Scepsis is ook gerechtvaardigd gezien de restrictieve voorwaarden en onmogelijkheden waarmee het onderzoek omgeven is. Er moeten 'afspraken’ met het kabinet gemaakt worden over het gebruik van de bronnen. Er is sprake van schimmige compromissen: de onderzoekers mogen bepaalde geclassificeerde documenten wel zien, maar er mag niet uit geciteerd of naar verwezen worden. Geen opus citato dus, maar argumentatio ex nihilo. En vorige week gaf Van Mierlo desgevraagd nog een pijnlijk inkijkje in het geschipper van Buitenlandse Zaken rond het onderzoek. Afgelopen zomer werd de voorzichtig sonderende Van Mierlo te verstaan gegeven dat noch de Amerikanen noch de Fransen noch de VN erg gecharmeerd zijn van de Nederlandse dorst naar waarheid.
Trouwens, de minister maakte zelf ook een weinig enthousiaste indruk. De beer put die Srebrenica heet, stinkt nog te hard om de onverschrokken Riod-onderzoekers het deksel eraf te laten rukken. En daarom is de hamvraag - is Srebrenica in een geopolitiek machtsspel willens en wetens geofferd door de VN, al of niet onder druk van Chirac? - even eenvoudig te formuleren als onmogelijk te beantwoorden.
Dat weet Blom natuurlijk ook wel. Waarom heeft het Riod deze opdracht dan toch aangepakt? Riod-bestuurslid Jan Bank heeft gewezen op het belang van het Srebrenica-onderzoek voor de toekomst van het Riod. 'Dit onderzoek kan een nieuwe toekomst voor het Riod inluiden. Het is een nieuwe era die we betreden’, aldus deze Leidse hoogleraar. Alhoewel Blom benadrukt heeft dat de acceptatie van deze regeringsopdracht los gezien moet worden van een restyling van het instituut, is het duidelijk dat de klus met gretigheid verwelkomd wordt. Nu Loe de Jong de oorlog definitief voor beëindigd heeft verklaard, gloort er dank zij Srebrenica wellicht een nieuwe toekomst voor het Riod. Met een geslaagd onderzoek zou het instituut veel eer inleggen. Met een mislukt onderzoek niet. Naar het zich momenteel laat aanzien is die laatste kans groter. Want Srebrenica is echt andere koek dan de commissie-Menten of de zaak-Aantjes. En een fatsoenlijk historicus doet aan bronverwijzing. Dat weet iedere eerstejaars.