Isaac Bashevis Singer

De golem en de boze geesten

In ‘Schimmen aan de Hudson’ probeert Isaac Bashevis Singer de sinistere krachten op het spoor te komen die mensen voortdrijven, dwars tegen de geest van de moderne tijd in.


ACH, DE OUDERWETSE joden verdwijnen. Dat verzucht de dwarse politicoloog en doodzieke bestsellerauteur Ravelstein in Saul Bellows gelijknamige roman, die dit voorjaar zal verschijnen. Soortgelijke opmerkingen worden gemaakt in Isaac Bashevis Singers volumineuze Schimmen aan de Hudson, een roman die zich in het naoorlogse joodse milieu in New York afspeelt (december 1947-november 1949), in 1957 in feuilletonvorm in de Jiddische krant Forwerts verscheen en pas in 1998 in boekvorm werd gepubliceerd: ‘Historie, memorie, verdorie! Wat bewijst dat? Eén ding weet ik zeker (…). Onze vaders waren joden, wij zijn halve joden geworden, en onze kinderen zijn… nou, laat ik daar maar niets over zeggen.’ Bellow noemt Isaac Bashevis Singer (1904-1991) niet toevallig ‘mijn enige leermeester’.


Het spookt altijd in de hoofden van Singers hoofdpersonages. In zijn verhalenbundel Een vriend van Kafka (1962) laat hij iemand uitroepen dat de joden te veel onthouden en dat dat hun ongeluk is. Meer dan tweeduizend jaar geleden werden ze uit het Heilige Land verdreven en ‘nu proberen we er weer terug te komen. Waanzinnig nietwaar? Als onze literatuur die waanzin zou weerspiegelen zou ze geweldig zijn.’ Het zal geen verwondering wekken dat zulke pittige uitspraken, weliswaar gedaan door een van Singers personages, kwaad bloed hebben gezet bij fanatieke aanhangers van de jonge staat Israel. Singer zou de talmoedische ethische idealen, zoals familietraditie, negeren of bespotten. Een van Singers verhalen heet heel uitdagend, ‘De verrader van Israel’.


De demonen of boze geesten die Singers creaties lastigvallen komen niet van buitenaf en hebben niets te maken met bijgeloof. In haar essaybundel What Henry James Knew (1993) noemt Cynthia Ozick die onwelkome demonen die de geest vertroebelen bij naam: ‘Het zijn de psychologie, de geschiedenis en doodsangst, en bovenal obsessieve wilskracht.’ Psychologie en psychoanalyse moeten het vaak ontgelden in Singers verhalen, romans en autobiografieën (onder andere Reddeloos verloren in Amerika, 1984), getuige talloze venijnige opmerkingen, zoals deze van een aan lager wal geraakte schrijver-gokker: ‘De hele moderne psychologie is nog geen pluk tabak waard. Er moet een dibboek of demon in mij gevaren zijn. Ik begrijp nu waarom jij over demonen schrijft. Het is geen folklore; ze bestaan echt’ (Een vriend van Kafka).



De mens kan zichzelf niet echt doorgronden. ‘Na mijn vertrek naar Amerika (in 1935 — gb) werd ik zelfs voor mezelf een raadsel’, schrijft Singer in Reddeloos verloren in Amerika.


De geschiedenis die rondspookt in de hoofden van Singers joodse ballingen en ontheemden, is misschien het best te duiden aan de hand van het verhaal ‘De cafetaria’. Daarin vertelt de knopennaaister Esther aan een succesvolle auteur-vrijgezel haar geheim: op een nacht dwaalde ze rond op Broadway, kwam bij haar stamcafetaria aan en zag daarbinnen Hitler en enkele trawanten in witte kledij aan tafel zitten. De volgende dag bleek de cafetaria afgebrand te zijn. Er lopen doden over Broadway, en die doden zorgen ervoor dat Singers scheppingen het leven zien als een bewolkt bestaan. In Schimmen aan de Hudson wordt de moderne maatschappij, die bezeten is van de rede, geconfronteerd met de kabbalistische gedachte dat de wereld is vergeven van de boze geesten die samenspannen en samenzweren.


Maar biedt het geloof, het richtsnoer van thora en talmoed, geen houvast of hoop? De thora is dan wel de geschreven grondwet van het joodse volk, dat wil zeggen de vijf boeken van Mozes, maar heeft God die daadwerkelijk op de Sinaï aan Mozes geopenbaard? De talmoed is niet zozeer een wetboek als wel een oceaan aan literatuur, een soort spreektribune waarop honderden rabbijnen het woord voeren en stuk voor stuk onder invloed staan van hun specifieke tijd en omgeving. Wat betekent het als je de autoriteit van de talmoed aanvaardt? Wat leert de talmoed bijvoorbeeld over het leven na de dood? Die leer bestaat uit verschillende theorieën en speculaties. Wat leert de talmoed over de positie van de vrouw? Moet je haar hoogachten of geringschatten? Zowel de ene als de andere houding is in de talmoed terug te vinden.


Misschien geloofde Isaac Bashevis Singer, net als zijn Kafka-figuur in Een vriend van Kafka, in de Praagse golem. In den beginne was er toch alleen maar Het Woord dat goed was? ‘Er moeten toverwoorden zijn die van een stuk klei een levend wezen kunnen maken.’ Singer heeft tijdens zijn leven al zijn hoop op Het Boek en de literatuur gezet: ‘Wij zijn het volk van Het Boek’ (Het visum, 1992). Als de wereld een combinatie is van slachthuis, bordeel en gekkenhuis, zoals hij schrijft in Reddeloos verloren in Amerika, waar moet je dan de kracht vandaan halen om overeind te blijven en niet te versplinteren? Als de religie drijfzand blijkt en God, zoals Spinoza zei, onverschillig blijft en oorverdovend zwijgt, dient de literatuur het woord te nemen, zelfs al overheerst het besef dat de mens nooit nauwkeurig te omschrijven valt, of het moet zijn als karikatuur van God, een persiflage van de ziel, ‘het enige wezen in de schepping dat je een leugen kunt noemen’. De literatuur als golem, dat wilde Singer bereiken. ‘Ik had lang geleden al voor mezelf uitgemaakt dat de creatieve kracht van de literatuur niet gelegen is in de gekunstelde originaliteit van stijlwisselingen en gegoochel met woorden maar in de talloze situaties die het leven almaar creëert, en dan vooral de merkwaardige complicaties tussen man en vrouw’ (Reddeloos verloren in Amerika).


Die gecompliceerde relaties tussen man en vrouw weet Singer als geen ander te verwoorden, al kan de lezer danig geïrriteerd raken door de ouderwets aandoende grenzeloze veroveringsdrift die het mannelijke Singer-dier steeds maar weer voortdrijft. En die drift wordt botgevierd in zulke uiteenlopende romans als Het visum (over een prille Poolse jood die verstrikt raakt in liefde, literatuur en politiek, en een schijnhuwelijk aangaat om in Palestina te kunnen komen) en De koning van de akkers (1988) (over het prille Polen van eeuwen geleden waarin stammenoorlogen woeden en de mannen langzaam lijken te evolueren van beest tot geest, van jager tot landbouwer, van ruwe natuurwoesteling tot beschaafde cultuurmens).


Maar in Schimmen aan de Hudson is het ‘wilde beest’ nog lang niet getemd. We bevinden ons dan wel in het gecultiveerde joodse milieu van New York, maar de geest van de hoofdrolspelers zit nog vol onverwerkt verleden, wrok en wraak. Als gewonde beesten proberen ze er het beste van te maken, al weten ze vaak niet waar ze het zoeken moeten, en dat laatste is bijna letterlijk te nemen. Iedereen lijkt achter een ander aan te lopen, als een kip zonder kop, tot er iets gebeurt wat rust brengt: de dood, de terugtocht uit het mondaine bestaan waar ethische principes, dat wil zeggen eeuwenoude joodse rituelen, ondergeschikt zijn aan de jacht op geld en vlees: ‘Wat een vreemd volk, wat een vreemd geloof’ (Het visum).


Het dilemma waarmee het typische Singer-personage worstelt, wordt goed samengevat door een zin uit Het visum die het uit elkaar vallen van het jonge, wankele ego van de hoofdpersoon weerspiegelt: ‘Ik was mezelf niet meer en kon onmogelijk een ander worden.’



IN SCHIMMEN AAN de Hudson spelen Heintz Grein, ex-leraar Hebreeuws en effectenhandelaar, en Anna Makaver, dochter van een succesvolle en diepgelovige makelaar, een schier eindeloos kat-en-muisspel met elkaar. Hun relatie is een wispelturig-wanhopige opeenvolging van elkaar aantrekken en afstoten. Hun psyche is een onontwarbare kluwen, de geschiedenis een open wond. Ze laten een spoor van vernieling achter: opgebroken huwelijken, leugenachtigheid, bijgeloof, gekte, ziekte, dood en verderf. Het overspel dat zij plegen komt voort uit wanhoop, schuld en schaamte. De Tweede Wereldoorlog is nog maar twee jaar voorbij, woorden om de vernietigingsmachine te beschrijven zijn er niet. De ‘rook in Auschwitz’ drijft dagelijks over Manhattan, Hitler is een spook boven Broadway. Waar joden en niet-joden na de oorlog uit lijfsbehoud zwegen, verdrongen en vergaten, daar drukken Singers wanhopige en heidense gelovigen zich ruw uit omdat ze in het nauw zijn gedreven door de historie en hun op hol geslagen geest: ‘Op de as van zes miljoen joden, op de graven van twintig miljoen oorlogsslachtoffers, spanden de mensen alweer netwerken van misdaad, discriminatie, gekonkel en enggeestigheid.’


Grein koestert de kwaadaardige gedachte, gevoed door schaamte en schuldgevoel, dat de goeden zijn vergast en dat het schorem heeft overleefd. Hij noemt zichzelf een pessimist, een twijfelaar die zijn hele leven als één grote improvisatie beschouwt. Hij, die zijn vrouw verlaat voor Anna maar er ook nog een maîtresse op nahoudt, ziet zichzelf als een ‘wild beest’ en vlucht voor zijn eigen geest vol lust en geschiedenis vol doden. Hij snakt ernaar een beslissing te nemen en daarnaar te handelen, om héél te worden. Hij voert een oorlog met zichzelf die moet uitlopen op een besluit waarop hij nooit terugkomt. Maar ondertussen staat hij versteld van zichzelf, ‘alsof hij een in tweeën gespleten wezen was’, en de ene helft slaat de andere helft verbaasd gade. Heintz (Herz Dovid) Grein is een gebroken jood, een zondaar en een beschaamd mens die in paniek van de ene vrouw naar de andere rent, wegvlucht voor het teveel aan gekte en geschiedenis. Hij wil alles maar krijgt voorlopig niets. Hij zoekt iets wat niet kan bestaan. Hij hunkert naar een godsdienst zonder openbaring, naar ‘de vreze des hemels’ zonder dogma en discipline en zonder voorschriften, ‘thora, gebed en afzondering gebaseerd op een zuivere, waarachtige religieuze ervaring’. Maar voorlopig liegt en bedriegt hij erop los en onderneemt hij potsierlijke pogingen te leven naar de oude joodse rituelen. De vrije wil blijft een hersenschim. Heintz Grein wil het onmogelijke, namelijk doordringen in het hoofd van diegenen die de kinderen in de ovens hebben geschoven. Hoe werkt de geest van zulke duivels? Een vraag die gekmakend is, laat staan dat er een coherent, afdoend antwoord op valt te geven.



WIJ ZIJN ALLEMAAL geesten, zegt een corrupte spiritiste in Schimmen aan de Hudson. ‘Deze wereld is ook de volgende.’ Met andere woorden: er is geen ontsnappen aan. Singer probeert in zijn roman de sinistere krachten op het spoor te komen die de mensen voortdrijven, dwars tegen de geest van de moderne tijd in, die schijnbaar wordt gedomineerd door rede en geldmarkt. Hij schrijft geen psychologische roman over geestelijk gewonde joden. Veeleer wil hij een ideeënroman schrijven waarin de ultieme openbaring staat te lezen.


Maar ook dat lukt niet. Of wel? De ouderwets aandoende breedvoerigheid van Schimmen aan de Hudson, de uitputtende beschrijvingen van de dwaze capriolen van Heintz Grein, Anna Makaver, Esther en andere oorlogsslachtoffers, dat alles kan natuurlijk niet uitlopen op een sluitende verklaring van al die listige machten die de mensen te slim af zijn en hun beladen en belaste bestaan ondermijnen. Grein wil vroom en niet-vroom zijn, wellusteling en asceet, ‘gebonden aan zijn vrouw en kinderen, verliefd op Anna, hunkerend naar Esther en bezeten van een oneindige verscheidenheid aan ongevormde verlangens’. Hij verlangt naar het boek dat alle geheimen zal openbaren, naar een vaste vorm, naar rituelen die houvast bieden, naar een keuze waarop hij nooit meer terugkomt.


En dat besluit komt er, als een deus ex machina, nadat de roman in de tijd opeens een jaar vooruitspringt en de staat Israel op de Britten en Arabieren is veroverd. Heintz Grein heeft zich, wetend dat hij een wild beest blijft, voorgoed teruggetrokken uit de wereld, zich als het ware vastgebonden aan zijn gebedsriemen ‘en de schouderdraden van mijn bidsjaal’.


Wat moet de lezer met zo’n ‘fundamentalistisch’ slotakkoord? Het is een verrassende bokkensprong. Heintz Grein dompelt zich onder in de eeuwenoude joodse rituelen en verwijdert zich van alle verleidingen en van wat hij door het hele boek heen ‘de cultuur van de onderwereld’ noemt: de Amerikaanse cultuur gebaseerd op de onmiddellijke bevrediging van behoeften. De moderne jood is per definitie een assimilant, zelfs de jood die naar Israel emigreert. Tegelijkertijd laat Singer zijn hoofdpersoon zeggen dat wie zich één stap verwijdert van de oude joodsheid, zich meteen omgeven weet door afgodaanbidders en moordenaars. In joodsheid draait het om afzondering, zegt Grein.


Misschien heeft Isaac Bashevis Singer zich in de literatuur afgezonderd om zijn golem van klei tot kunstvorm te kunnen verheffen. Afgoderij die toegestaan is en die de demonen van de vernietiging kan bezweren; de literatuur als weerspiegeling van de waanzin die menselijke existentie heet.



I.B. Singer, Schimmen aan de Hudson. Vertaald door Mea Flothuis, uitg. De Arbeiderspers, 569 blz., ƒ59,90