De golven

Sinds de treinen gratis wifi hebben is het minder aan het worden, maar nog steeds neem ik op langere reizen graag zo’n boek mee van het type dat veel concentratie vraagt. James Joyce, Virginia Woolf, Thomas Mann, Marcel Proust.

Vaak voer ik er een gedachte-experiment bij uit. Stel nu dat dit werk niet uitgegeven was, je het manuscript vandaag in een archief vindt, overtikt en onder pseudoniem naar een uitgever brengt.

‘Nu stort het koele getij der duisternis zijn brekende wateren over mij heen. Wij zijn buiten. De nacht opent zich; de val van dwalende motten doorzweefde de nacht; de avontuurlijk dolende paartjes verhullen de nacht. Ik ruik rozen; ik ruik viooltjes; ik zie het even verhulde rood en blauw. Nu eens ligt er grint onder mijn voeten, nu eens gras.’

Als het al langs een redacteur komt, zal de recensent er wel mee afrekenen. Wat een aanstellerig dweepziek gewauwel is dit! Onbegrijpelijke mooischrijverij.

Het is uit The Waves (1931) van Virginia Woolf. Een hoogtepunt in de wereldliteratuur, het boek waarin Woolf volgens geleerde tijdgenoten het toppunt van haar kunnen had bereikt.

Ik las het, in vertaling inderdaad, op het vliegveld, in het vliegtuig, in de trein en in mijn hotelkamer. Het is een boek dat je dwingt om je leestempo te vertragen, de woorden te benaderen alsof het om muziek gaat, in het ritme van de golven te komen. (Daarom las ik ook een vertaling: bij het origineel zou ik er steeds uit moeten om betekenissen op te zoeken.)

Iemand die vandaag ­kubistisch zou gaan ­schilderen zou vierkant ­uitgelachen worden

Op elk vliegveld en treinstation deed ik iets wat je eigenlijk nooit moet doen als publicerend schrijver die goedgemutst in het leven wil blijven staan: een boekenkiosk binnenstappen. Ik bladerde wat in de gelijmde paperbacks – dezelfde internationale namen lagen op Schiphol, in Kopenhagen en in Malmö onder eender halogeenlicht opgetast als supermarktwaar – en realiseerde me ineens dat negentig procent van de fictie het vertrouwde liedje is: een hoofdpersoon, een crisis, een verhaal dat waargebeurd had kunnen zijn of het deels is, in een verzorgde, maar heldere, misschien een tikje lyrische maar bovenal ‘toegankelijke’ stijl.

Natuurlijk, er zijn allerlei uitzonderingen – de resterende tien procent – en die worden dan beschouwd als ‘experimenteel’, op de manier waarop Viriginia Woolf ons nog steeds even experimenteel en buitenissig voorkomt.

Iemand die vandaag kubistisch zou gaan schilderen zou door de kunstgaleries, de kranten en de potentiële kopers vierkant uitgelachen worden: dit is ouderwets, achterhaald, al lang passé! Voor literaire vernieuwers geldt dat niet.

Luister maar.

‘Ik heb een verborgen dolkje van misprijzen en strakke overtuiging achter de hand. Maar ik heb de neiging weg te glijden. Ik verzin verhalen. Ik strengel, van alles en niets, speeltjes in elkaar.’

Dit is nieuw en levend, alsof het niet in 1931 is geschreven.

Hoe vaak hoor je niet beweren dat Virginia Woolf, Pablo Picasso, James Joyce en Henry Matisse ons begrip van kunst radicaal veranderd hebben? Ik geloof er niets van. Niet wat de literatuur betreft in elk geval. De overgrote stroom van schrijvers heeft zich niets aangetrokken van Woolf of Joyce. De grootste modernisten zijn onnavolgbare eilanden gebleven.

Realistische literatuur met een lichtelijk lyrische stijl is constant het streven gebleven en al die meer of minder geslaagde pogingen om Flaubert te evenaren tonen aan dat de romankunst niet werkelijk een evolutie heeft doorgemaakt. Het is niet zo dat Woolf en Joyce wegen zijn ingeslagen die daarna navolging kregen, gangbaar werden, en vervolgens weer door jongere vernieuwers achterhaald zijn verklaard. Als zulke golven er in de literaire geschiedenis al zijn, zijn ze bescheiden en altijd in de marge.

In de literatuur zie je iets wat voor een kunstvorm nogal uitzonderlijk is. Waar Picasso, Matisse en Mondriaan begrepen dat het – onder meer door de fotografie – gedaan was met de lyrisch-realistische reproductie (die vervolgens aan zondagsschilders en aquarellerende cursusdames werd toevertrouwd), is de literatuur onvermoeibaar trouw gebleven aan dezelfde vorm, zonder zich iets aan te trekken van de uitvinding van bioscopen, tv en Netflix, die de narratieve rol toch meer dan voorbeeldig hebben overgenomen.

Dat kan twee dingen betekenen.

Eén: taal is een ander medium dan beeld, en boeken blijven een behoefte vervullen waar vooralsnog niets anders aan heeft kunnen tippen.

Dat kan. We zullen zien hoe die luchthavenkiosken er over een jaar of vijf bij liggen, als overal, ook in vliegtuigen, gratis wifi en gefilmde verhalen beschikbaar zijn.

Twee: de literatuur wordt niet werkelijk als kúnstvorm gezien, ook niet door boekwinkels, recensenten en de rest van ‘de literaire wereld’. Zoals na Picasso en Mondriaan nog altijd de landschappen en bloemstukken mateloos populair zijn gebleven, zo gebeurde dat ook met de geschreven equivalenten. Het enige verschil is dat een galeriehouder het kitsch noemt, en een boekhandelaar het op het plankje literatuur plaatst.