TONEEL

De Goochelkoning

Het Weense Woud

Medium 20110203 verhalenuithetweensewoud web

Arie de Mol heeft Geschichten aus dem Wiener Wald (1931) van Ödön von Horváth weliswaar voor zijn Toneelgroep Maastricht bewerkt, een paar typische grappen uit de roaring twenties kon hij niet laten liggen. Zo verkoopt de ‘Zauberkönig’ (hier 'Goochelkoning’) Leopold in zijn winkel van die naam, behalve doodshoofden, fopartikelen, poppen en vuurwerk ook tinnen soldaten voor de nagebootste oorlog als gezelschapsspel. In de tweede scène van het stuk wordt een spoedbestelling geplaatst: drie dozen zwaargewonden en twee dozen gesneuvelden - ook cavalerie graag, niet alleen infanterie. Horváth had maar een paar pennenstreken nodig om de morbide trekjes van het interbellum te schetsen. De stank van de vorige oorlog hangt nog in de kleren, de volgende hangt al in de lucht. Maar vrijwel iedereen kijkt een andere kant uit. Op zoek naar houvast, omarming, bescherming, toekomst of kortstondig vertier aan de zonzijde van de straat.

Het verhaal is dun. De dochter van de Goochelkoning, Marianne, laat zich op de dag van haar verloving met slagerszoon Oscar schaken door het plattelandspikkebroekje Alfred, ze krijgt een kind van hem (dat ze bij haar schoonmoeder stalt), hij flierefluit zich naar een volgende dame, zij zoekt werk in een nachtclub, wordt aldaar ontmaskerd, hervindt haar slagersjongen Oscar maar verliest haar kind aan een stommiteit. Horváth etst levens met het grote gebaar van de ruim in zijn vertelstof grossierende toneelauteur. De Mol volgt hem daarin op de voet, door personages vet maar nooit ranzig in te kleuren, voor een tweeëneenhalf uur (zonder pauze) durend panoramiek van volks melodrama, in de weidse dan wel benauwde toneellandschappen van Theo Tienhooven.

Ik heb bij eerdere Horváth-ensceneringen van De Mol nog wel eens achter mijn oren gekrabd. Zo vond ik Kasimir en Karoline (een aantal jaren geleden gemaakt bij zijn Schiedamse toneelformatie Els inc) wel erg op de folkloremaat van de Tiroler Holzhackerbuben gesneden. Zoals gezegd worden ook hier de overdrijvingen niet geschuwd, maar ze zijn slim gedoseerd, in de maatvoering van het verhaal en van de onderscheiden scènes, die stuk voor stuk immens droef van toon maar geweldig van dialoog en compositie zijn. Horváth heeft bedacht dat ter verhoging van het melancholisch karakter van dit volksstuk muzikale intermezzi met Weense walsen ten gehore moeten worden gebracht, te beginnen op een gammele piano vanaf het balkon boven de winkel van de Goochelkoning in de tweede scène, tot aan een 'hemels strijkorkest’ in de finale van het stuk. Dat doet een lokale Maastrichtse fiedelaar beter, moet Arie de Mol hebben gedacht. Dus koos hij voor intermezzi van Nederlandse levensliederen, van De glimlach van een kind tot Morgen ben ik de bruid. Dat had op mij, getekend als ik ben door een ongezonde afkeer van alles wat naar 'levenslied’ riekt, het verpletterende effect van een hemelse glimlach op de eerste lentemorgen, iedere keer als zo'n snotlap van een smartspons werd uitgewrongen. De bezorgers van de levensliederen begonnen hun voordracht namelijk steeds met overmoedige allure, maar ze kónden het almaar nét niet goed en dát was weer geweldig. De uitsmijter op dit terrein kwam van de jonge toneelspeler Freek den Hartogh, in het stuk de derdejaars rechtenstudent Erik, een geblondeerd ADHD-joch dat constant met een pistool loopt te zwaaien. In de finale, waar door Horváth dus André Rieu was voorzien, zingt hij in een eigen, nét-even-ánders arrangement, Jules de Corte’s evergreen Ik zou wel eens willen weten. Met die laatste onverslaanbare zin als uitsmijter: 'En ze zijn al zo lang onderweg naar de vrede toe.’ Alle regels van zindelijke toneelspeelkunst verbieden dit. Arie de Mol doet het. En Arie de Mol mág het. Want het is een meedogenloos maar meesterlijk uitroepteken bij een werkelijk prachtige voorstelling.


Verhalen uit het Weense Woud speelt nog t/m 2 april, www.toneelgroepmaastricht.nl