De gotspe van Chris van der Heijden

Het dit voorjaar verschenen boek Israël, een onherstelbare vergissing van Chris van der Heijden was polemisch bedoeld, maar leidde slechts tot welwillende recensies. Philo Bregstein pakt als eerste de handschoen op.

CHRIS VAN DER HEIJDEN
ISRAËL, EEN ONHERSTELBARE VERGISSING
Contact, 176 blz., € 15,-

Chris van der Heijden heeft zich de laatste tien jaar bekendgemaakt als ‘nieuwe’ Nederlandse historicus, onder meer door in zijn boek Grijs verleden het morele, persoonlijke oordeel van historici als Jacques Presser en Loe de Jong bij hun beschrijving van de Tweede Wereldoorlog te bekritiseren. Volgens Van der Heijden was de morele vraag van goed en fout tijdens de oorlog onwetenschappelijk en gedateerd. De algemene houding van de Nederlanders tijdens de bezetting was eerder ‘grijs’ geweest, een stelling waarmee hij tot in de hoogste regionen van het Niod aanhangers kreeg.
In zijn recente ‘kleine boek’, zoals hij het zelf noemt, met de provocerende titel Israël, een onherstelbare vergissing, maakt Van der Heijden een onverwachte pirouette. Hij haalt opeens Pressers ‘ethische dimensie’ uit zijn goochelaarshoed, en citeert zelfs een uitspraak van Presser tegen mij over ‘de triomf van de menselijkheid, de gedachte dat sommige waarden boven elk belang uitgaan’. Volgens Presser zijn er ‘talloze illustraties van deze “joodse mentaliteit”: die ten overvloede natuurlijk geen uniek joods bezit is, maar onderdeel is [geworden] van de moderne westerse cultuur.’
Na zijn carrière te hebben opgebouwd door af te rekenen met Pressers morele oordelen citeert Van der Heijden uiteindelijk Presser om met diens ‘ethische dimensie’ het misdadige Israël de oren te wassen. Nu wordt het debat over de ethische dimensie al jaren intensief in Israël gevoerd, onder meer door de Vrede Nu-beweging en door auteurs als Yeshayahu Leibowitz, Amos Oz, David Grossman en Uri Avnery. Hierover geen woord bij Van der Heijden. Wel citeert hij bij zijn kritiek op Israël ‘joodse autoriteiten’, een techniek van veel Europese en Amerikaanse antizionistische auteurs: ‘De joden zeggen het zelf.’ Hij rakelt het hele antizionistische arsenaal op van Noam Chomsky, Ilan Pappe en Alain Finkelstein, die Israël van alles de schuld geven. Nergens vermeldt hij kritische en zich desondanks solidair met Israël opstellende Israëlische auteurs. Ook haalt hij op een tendentieuze manier de ‘vooraanstaande joodse historicus’ Zeev Sternhell aan, die ‘Israëls ideologie nationalistisch socialistisch noemt, wat zeker niet hetzelfde is als nationaal-socialistisch maar wel op gemeenschappelijke wortels en verwante idealen wijst’. Sternhell is behalve joods ook Israëlisch, en hoogleraar aan de Hebrew University of Jerusalem. Wie zijn werk kent, weet dat hij volstrekt geen antizionistische auteur is, en dat hij ten onrechte voor Van der Heijdens karretje wordt gespannen. Sinds J.A.A. van Doorns boek Duits socialisme (2007) weten we dat alle socialistische bewegingen in Europa gemeenschappelijke wortels hadden met het nationaal-socialisme.
Als inleiding voor zijn anti-Israël-pamflet stelt Van der Heijden dat ‘vogelvlucht en tempo onvermijdelijk’ waren. Waarom dat zo moest, bleek toen ik begin mei op het Amsterdamse Centraal Station zijn boekje naast de AKO-kassa zag liggen. De publicatie ervan was goed getimed: Jom Ha’atsmaoet, de viering van het zestigjarige bestaan van de staat Israël.
Hij had natuurlijk ook een grondig essay kunnen schrijven, zoals Abram de Swaan deed met Anti-Israëlische enthousiasmes en de tragedie van een ‘blind process’ (De Gids, mei 2005), opgenomen in Bakens in niemandsland (2007). Maar hij vond De Swaans essay niet eens het vermelden waard. Terwijl hij doet voorkomen alsof hij provocerende, gloednieuwe stellingen aandraagt, is zijn boekje slechts een Reader’s Digest van bekende anti-Israëlische publicaties. Van der Heijden volstaat met een tendentieuze beschrijving van de Palestijnse ‘nakba’, waarbij joden voortdurend als daders worden voorgesteld en de Palestijnen als slachtoffers.
Bij zijn ‘in vogelvlucht’ geschreven essay valt de gedetailleerde beschrijving van de gruwelijke moord van een bedoeïenenvrouw door Israëlische militairen in 1949 in de Negevwoestijn uit de toon. Maar die uitweiding heeft een duidelijk doel: Van der Heijden zocht een Palestijns slachtoffer als tegenhanger voor Anne Frank.
Abram de Swaan toont in zijn essay aan dat het Israëlisch-Palestijns conflict een tragedie is van een ‘blind process’, waarbij beide kanten in wisselwerking met elkaar gruwelen begaan. Maar Van der Heijden weet het beter: ‘De nakba is erg, zullen de meeste mensen zeggen. Toch is zij alleen al om kwantitatieve redenen onvergelijkbaar met de nog veel kwalijker misdaad van de Shoah.’ Wat bedoelt hij hier? Ik zou zo zeggen: ‘De nakba is net zoiets als Auschwitz, alleen op kwantitatief minder grote schaal.’ Van der Heijden suggereert dat de Israëliërs weliswaar minder massaal moorden begaan dan de nazi’s, maar het blijven misdaden tegen de menselijkheid. Over Arabische en Palestijnse moordpartijen op joden zwijgt hij, en als hij ze vermeldt heet dat opeens ‘zelfverdediging’.
Nu heb ik altijd begrepen dat de shoah een massamoord was, begaan op weerloze mensen, en dat het bij Israël gaat om een gewapend conflict tussen Israëliërs en de hen bestrijdende Palestijnen, die daarbij gesteund worden door een groot deel van de Arabische wereld, die zich al voor de stichting van de staat Israël heftig verzette tegen de joodse aanwezigheid in Palestina. Maar in Van der Heijdens pamflet is uitsluitend Israël de kwade pier en zijn de Palestijnen de onschuldige, weerloze slachtoffers.
Interessant zijn de veelal positieve, uitvoerige besprekingen van zijn ‘kleine boek’ in de Nederlandse pers. Ger Groot in NRC Handelsblad (2 mei): ‘Van der Heijden [beschrijft] de wordingsgeschiedenis van Israël onberispelijk’ (onderstreping van pb). De recensie geeft verder vrijwel kritiekloos Van der Heijdens visie weer, die Groot duidelijk deelt. Het Parool publiceerde een lovende bespreking en ook De Groene Amsterdammer (30 mei) kwam met een uitvoerig, positief stuk van Joost de Vries en Casper Thomas, die Van der Heijdens pamflet plaatsen in het kader van een ‘flinke verandering van perspectief’ ten opzichte van Israël bij naoorlogse generaties. Van der Heijden heeft een goede neus voor het tegenwoordig algemene anti-Israël-sentiment in Nederland.
Moedig komt Van der Heijden op de proppen met een persoonlijke bekentenis (waarvan hij weet dat het oude koek is): ‘Vooral in de afgelopen tijd hebben nogal wat joden (althans mensen van geheel of gedeeltelijk joodse komaf) zich fel tegen de situatie in Israël gekeerd… nu sta ik met kritische bespiegelingen over Israël zwakker dan genoemde personen. Dat niet zozeer omdat ik geen jood ben als wel omdat ik een kind ben van ouders die tijdens de Tweede Wereldoorlog de kant van de nazi’s hebben gekozen.’ Net als bij veel radicale antizionisten hebben joden, of mensen van geheel of gedeeltelijk joodse komaf, zoals hij dat definieert, voor Van der Heijden extra autoriteit bij hun kritiek op Israël. Nederig stelt hij daar tegenover dat hij kind van nazisympathisanten is. Maar we weten wat hij daarmee bedoelt sinds Grijs verleden: of je ouders in Auschwitz omkwamen of met de nazi’s hebben gecollaboreerd, we zijn allemaal tweede-generatie-oorlogsslachtoffers. Waarom nog een onderscheid maken tussen daders, collaborateurs en slachtoffers? De ethische vraag hoe je als tweede generatie tegenover dat verleden op te stellen is niet relevant. Grijs is het wachtwoord.
De grootste gotspe in Van der Heijdens pamflet is dat hij na zijn grijs-filosofie over de Tweede Wereldoorlog nu opeens een belerende, moralistische toon aanslaat bij zijn ‘veroordeling van Israël’ (titel van een al uit 1984 daterend essay van Alain Finkielkraut). Hij heeft zijn grijspak uitgetrokken en is de kansel opgeklommen voor een preek: ‘Een van de belangrijkste dingen die ik geleerd heb (bij het bestuderen van de Tweede Wereldoorlog – pb) is wat je het “humanistische principe” zou kunnen noemen… Namelijk dat het altijd om de moraal gaat, niet om de politiek’ (p. 24). De predikant wisselt de zalvende en toornige toon af: ‘Het kan het Westen tegenwoordig wel en zelfs steeds meer schelen wat er met Palestina gebeurt. Dit om te beginnen omdat de islamitische invloed toeneemt. Vervolgens omdat men zich er sinds september 2001 meer en meer bewust van is dat de Palestijnse kwestie de kern is van een mondiaal conflict. En tot slot omdat het Westen door de toenemende bekendheid met het lot van de Palestijnen met het eigen wereldbeeld in de knoop komt.’
Auteurs als De Swaan en Oz tonen met grondige argumenten het tegendeel aan: men blaast de Palestijnse kwestie op tot een mondiaal conflict, terwijl het dat niet is. Vooral in de Arabische wereld en Iran wordt het Israëlisch-Palestijns conflict gebruikt als demagogisch middel in een strijd tegen het Westen, terwijl het een relatief lokaal conflict is vergeleken met de grote, veel ernstiger conflicten overal ter wereld. Van der Heijden zwijgt ook over de anti-Israël-hetze in de wereld, die voortborduurt op eeuwenlange antisemitische slogans, zoals bijvoorbeeld de Franse historicus P.A. Taguieff aantoont in zijn monumentale Prêcheurs de haine: Traversée de la judéophobie planétaire (2004). Maar Frans lezen is kennelijk te veel gevraagd van Nederlandse historici, tenminste van het slag van Van der Heijden. Zeker bij het schrijven van een vluggertje als zijn anti-Israël-pamflet, dat in de prullenmand thuishoort.

Philo Bregstein publiceerde in 1972 Gesprekken met Jacques Presser. Vorig jaar verscheen Antisemitisme in zijn hedendaagse variaties