Media

De gouden jaren van de televisie

In zijn essay over de opkomst van Lodewijk Napoleon, de neef van Napoleon I, die na de democratische revolutie van 1848 tot president werd gekozen maar die zich vervolgens ontpopte als een moderne, autoritaire populist en zich ten slotte tot keizer liet kronen, schreef de jonge journalist en filosoof Karl Marx dat de geschiedenis zich daarmee leek te herhalen – precies zoals zijn leermeester Hegel had voorspeld.

Alleen was Hegel volgens Marx iets vergeten: de geschiedenis pleegt zich inderdaad te herhalen, maar dan wel de eerste keer als tragedie en de tweede keer als klucht.

De vraag of ook het omgekeerde mogelijk is, werd vorige week impliciet bevestigd door Meindert Fennema, in zijn even provocerend als onderhoudend afscheidscollege als hoogleraar politieke theorie aan de Universiteit van Amsterdam. In zijn betoog, dat draait om het verval van de publieke moraal sinds de jaren zestig, ruimde Fennema een cruciale plaats in voor de Tegenpartij, een profetische creatie van Kees van Kooten en Wim de Bie uit 1979-1980. Veel van het gedachtegoed van erevoorzitter F. Jacobse en bestuurslid Tedje van Es, aanvoerders van de vrije jongens en alle andere Nederlanders ‘die niet meer tegen Nederland kenne’, zou terugkeren in latere partijprogramma’s, van de Centrumpartij tot de PVV, aldus Fennema. De klucht ging hier, anders dan in Marx’ woorden, aan de geschiedenis vooraf.

Maar dat was niet het enige bewijs dat Van Kooten en De Bie de tijdgeest eerder te pakken hadden dan de samenleving zelf, aldus Fennema. Zo zou een groeiend aantal directeuren, hoogleraren, commissarissen en andere bestuurders in de publieke sector de leuze ‘Samen voor ons eigen’ letterlijk als leidraad nemen: zij beschouwden hun functie bij woningbouwverenigingen, ziekenhuizen, onderwijsinstellingen of gemeenten als bron van persoonlijk gewin. De ironie wil – zo merkte Fennema fijntjes op – dat een van de meest uitgesproken exponenten van deze denkwijze, Pim Fortuyn, zich later zou opwerpen als spreekbuis van de groepen die zich beschouwden als de slachtoffers van de graaicultuur van de elite.

De kwalificatie van het werk van Van Kooten en De Bie als een mene tekel voor latere politieke en maatschappelijke ontwikkeling onderstreept de betekenis ervan binnen de geschiedenis van de Nederlandse televisie, zoals onlangs uiteengezet in de driedelige documentaireserie Van Kooten en De Bie sloegen weer toe! Het tweetal was beter dan wie ook in staat de tijdgeest te peilen, of het nu ging om nieuwe technologieën, alternatieve trends en andere vormen van tijdgebonden gewichtigdoenerij, om minderheden of om politiek – zelfs de leefbaarheidsbeweging leek zich al af te tekenen in personages als Cor van der Laak en fenomenen als de Lijst Hekkings Belangen in Juinen.

Toch zou het onjuist zijn de betekenis van Van Kooten en De Bie alleen te begrijpen in termen van originaliteit en vakmanschap. Ook de omstandigheden droegen daaraan bij: er waren nog maar twee televisiekanalen, terwijl video en computer nog in de luiers zaten. Uiteraard waren er veel echte fans – mensen die er in deze videoloze jaren voor thuisbleven – maar er waren waarschijnlijk meer kijkers die zich geleidelijk door het tweetal lieten verleiden, ook al moesten ze weinig hebben van de VPRO. Het beperkte programma-aanbod zal daartoe hebben bijgedragen, evenals het feit dat de uitzendingen de volgende dag op veel plaatsen uitvoerig werden besproken, te beginnen in de krant, op school en op het werk. Zo zullen er rond 1980 weinig mensen zijn geweest die nooit van de Tegenpartij hadden gehoord.

Daarmee behoren Van Kooten en De Bie definitief tot een ander tijdperk, dat van de gouden jaren van de televisie, die duurden van begin jaren zestig tot eind jaren tachtig, een tijd waarin BN’ers écht bekend waren en de televisie nog een nationaal referentiekader bood – een kader waaraan Meindert Fennema meer dan dertig jaar later nog kan refereren zonder dat een veertig-plusser met zijn of haar ogen knippert. Iedereen wist in die tijd ongeveer wat er te zien was.

Die rol speelt de televisie al lang niet meer, met uitzondering wellicht van de domeinen sport en politiek. Sommige programma’s hebben misschien nog een vrij algemeen bereik – de dagelijkse journaals, De wereld draait door – maar dat geldt niet voor de individuele uitzendingen. Er zijn inmiddels hele categorieën – jongeren, hogeropgeleiden – die vrijwel geen televisie meer kijken, althans, niet meer zoals vroeger, terwijl de rest zich verdeelt over een oneindig aantal kanalen. Het medium vergrijst in een snel tempo, al wil men ons – vanwege de advertenties – nog graag iets anders doen geloven.

De opvolger van Fennema zal over dertig jaar dus niet meer naar zo’n gemeenschappelijk referentiekader kunnen verwijzen.