De geschiedenis van de slavernij

De gouden pijp uit Ashanti

Niet alleen in Afrika, ook in Azië werden van 1600 tot ver in de twintigste eeuw massa’s slaven gehouden. Mede dankzij de VOC. De geschiedenis van deze Indo-Afrikaanse Nederlanders verdient te worden gedocumenteerd.

Op 1 juli wordt de afschaffing van de slavernij onder de Nederlandse wet gevierd. Tijdens de officiële herdenking zal minister van Grote Steden- en Integratiebeleid R. van Boxtel de kunstenaar bekendmaken die de opdracht krijgt om het Nationaal Monument Nederlands Slavernijverleden te maken. Op 1 juli 2003 zal het honderdveertig jaar geleden zijn dat de slavernij werd afgeschaft en honderddertig jaar geleden dat de slaven werden vrij gelaten. De wet maakte de slaven in Suriname weliswaar vrij, maar verplichtte de vrijgemaakten om nog tien jaar «onder staatstoezicht» voor hun meesters te blijven werken.

Niet alleen het slavernijmonument in Amsterdam-Oost, ook het voormalige Van Heutszmonument in Amsterdam-Zuid houdt verband met de slavenhandel. Het Van Heutszmonument heet sinds het begin van dit jaar Monument Indië Nederland, misschien later aangevuld met de jaartallen 1596-1949 omdat hier voortaan de hele periode van de Nederlandse aanwezigheid in Zuidoost-Azië wordt herdacht. Evenals bij het slavernijmonument is bij dit gedenkteken een inspraakproces gaande. En ook hier bestaat behoefte aan een informatieve tentoonstelling of een documentatiecentrum over de geschiedenis achter het monument.

Mede dankzij de oprichting van het slavernijmonument weet een groeiend aantal mensen in Nederland dat in vroeger eeuwen slaven onmisbaar waren voor de Europese ondernemingen in het Caribisch gebied en in Noord- en Zuid-Amerika; dat de indianen binnen enkele generaties in grote gebieden waren uitgestorven; en dat Nederlanders aan de gedwongen volksverhuizing van Afrikanen krachtig hebben meegewerkt. Algemeen aanvaard is de berekening van J.M. Postma in The Dutch in the Atlantic Slave Trade (Cambridge 1990) dat Amsterdammers en Zeeuwen samen tussen 1621 tot 1803 ten minste 550.000 personen in Afrika hebben aangekocht en naar Amerika hebben vervoerd, gemiddeld vijf procent van de totale transatlantische slavenhandel.

Minder bekend is dat ook in Azië van 1600 tot ver in de twintigste eeuw massa’s mensen gevangen werden gehouden als slaven en dwangarbeiders. Ook de Vereenigde Oostindische Compagnie kon op de kusten en eilanden in Azië alleen forten bouwen en onderhouden door met geweld en dwang anderen het zware werk te laten doen. Zonder slaven konden koloniën nergens bestaan. Toen Portugezen en later Nederlanders van Arabië tot Japan handelsposten oprichtten en steunpunten vestigden, bestond slavernij hier op tal van plaatsen op ruime schaal. De VOC kocht veel goedkoop personeel op bestaande slavenmarkten op Madagaskar, in Bengalen en ten zuiden van Madras, India. Inheemse vorsten op Sulawesi, Bali en elders stimuleerden of organiseerden jaarlijkse slavenjachten waarbij mensen op kleinere eilanden en afgelegen kusten werden overvallen en meegevoerd. Ook werden op sommige plaatsen krijgsgevangenen verhandeld.

De aanvoer van onvrije werkkrachten leidde in Azië tot omvangrijke bevolkingsstromen. De slavenmigratie binnen de Indonesische archipel van de zestiende tot in de achttiende eeuw is helder in kaart gebracht door Robert Cribb in Historical Atlas of Indonesia (Curzon, Richmond 2000). Op West-Java lagen twee belangrijke bestemmingen voor slaven: Banten en Batavia.

De VOC ging ook zelf op slavenjacht. Bij de beruchte verovering van de Molukken in 1621 wilde Jan Pieterszoon Coen de hele bevolking van Banda oppakken. Achthonderd gevangenen verscheepte Coen volgens zijn eigen verslag meteen als verse slaven en dwangarbeiders naar Batavia. De Duitser Johann Merklein, die rond 1650 als scheepschirurgijn in Oost-Indië werkte, beschreef in zijn Neunjährige Reise een razzia op het eiland Engano bij Sumatra: ook hier werden opgejaagde mensen gevangen genomen en als slaven naar West-Java gebracht, waar velen al snel stierven. Een andere scheepsarts, Nicolaus de Graaff, maakte zich uitvoerig boos over de behandeling van de slaven door het VOC-personeel en hun vrouwen in Batavia: «Die iets meer wil uitmunten als gemeen voert nu een gevolg van slaven en slavinnen achter haar.» De slaven hadden een hard bestaan: «Om een geringe oorzaak laten ze die aan een paal of een ladder binden en met scherpe doorgespouwe rotan op het naakte lichaam zo slaan en geselen dat het bloed erbij neerloopt en de lappen daar bij neerhangen.» De Graaff zag de slavenmishandeling als deel van de algehele verwildering in Indië.

De aanvoer van nieuwe arbeidskrachten was voor de koloniën van levensbelang. In 1690 had de stad Batavia (nu Jakarta) 30.000 inwoners waaronder 14.000 slaven. In 1788 vermelden de registers voor Batavia en omgeving op een totale bevolking van 141.000 ruim 34.000 slaven. In de stad zelf was meer dan de helft van de inwoners slaaf. De eigenaren toonden een spiegelbeeld van zichzelf in de namen die zij aan hun personeel gaven. «De onverschillige meester noemt hen naar hun land van oorsprong: Boeton, Tabanan. De dikkop naar de dag of de maand van aanschaf: Vrijdag, September. De christen geeft een christelijke naam: Jan, Saartje. De een kiest uit de klassieken: Titus, Scipio. De ander uit de godenwereld: Jupijn, Apol, Minerva. De teerhartige geeft aan hen bloemennamen: Anjelier, Roosje. De geleerde noemt hen naar literaire helden: Figaro, Abalino», schreef een kenner van Oud-Batavia.

Slaven waren uiterst waardevol voor de overheid wegens hun inzet als soldaat. Toen de Engelsen in 1811 Java hadden veroverd, werd in het zwartepietenspel over de schuldigen van de snelle machtsoverdracht ook de sterkte van de legers becijferd. Het Oost-Indische leger dat Java had moeten verdedigen, was opgezet door de bekende houwdegen Herman Willem Daendels. Het leger bestond uit een allegaartje van zeshonderd Europeanen en nog ruim zevenduizend inheemse huurlingen, dwang arbeiders en «lijfeigenen». Bij gebrek aan rekruten had Daendels iedere burger verplicht naar rato van het slavenbezit een of meer mannen voor een vastgestelde prijs aan het leger te verkopen, en natuurlijk hadden de eigenaren vooral zwakken en zieken gebracht. Het koloniale leger vocht gewoonlijk tegen binnenlandse vijanden. Uit de stukken over de val van Java in 1811 blijkt dat Daendels voor zijn leger veel soldaten bij slavenhandelaren had aangekocht.

In 1812 leefden in Batavia op een bevolking van 47.000 personen nog altijd 14.000 onvrijen. Terwijl in de negentiende eeuw de instroom van buitenlandse slaven afnam, groeide het aantal plaatselijke mannen die tot levenslange dwangarbeid werden veroordeeld. Het is goed gedocumenteerd dat de slaven op Java werden vervangen door dwangarbeiders die nog goedkoper waren omdat zij gratis konden worden opgepakt. Nadat in 1859 in Oost-Indië de slavernij was afgeschaft, werden de overheid en het leger in stand gehouden en bovendien vette winsten naar Europa overgemaakt, grotendeels dankzij dwangarbeid.

De slavernij in de Oost was nauw verknoopt met die in de West: de slaven in Suriname kwamen vrij door de dwangarbeid van velen in Indië. Maarten Kuitenbrouwer somt het op in Tussen oriëntalisme en wetenschap (KITLV, Leiden 2001): «Tussen 1831 en 1877 werd 823 miljoen gulden aan koloniale baten in de Nederlandse schatkist gestort.» De enorme staatsschuld werd afgelost en het land gemoderniseerd met spoorwegen en arbeiderswijken. En bovendien: «ook de afschaffing van de West-Indische slavernij in 1863 (…) werd voornamelijk gefinancierd uit de Oost-Indische baten». Begrippen als Batig Slot en het Cultuurstelsel op Java verdienen uitleg in het documentatiecentrum bij het Monument Indië Nederland, en ook bij het Monument Nederlands Slavernijverleden.

Levende schakels tussen de slaven onder de Nederlandse wet in Afrika, Amerika en Azië waren de mannen die de regering in West- Afrika kocht voor dienst in het Nederlandsch-Indische Leger. Met veel speurzin zoeken op dit moment medewerkers van musea, het Algemeen Rijksarchief en universitaire en andere instituten in Nederland, Suriname en op Curaçao naar kunstwerken en historische stukken die herinneren aan de slaventijd. Op de tentoonstelling over het Nederlandse slavernij verleden, dit najaar in het Amsterdamse Scheepvaartmuseum, kan de gouden pijp die koning Kwaku Dua van Ashanti schonk aan koning Willem I een topstuk zijn. De West-Indische Compagnie had al vroeg het oudste en sterkste Portugese fort op de Afrikaanse kunst veroverd, fort São Jorge da Mina in het tegenwoordige Ghana. Elmina bleef van 1637 tot 1872 de residentie van het Nederlandse opperhoofd in West-Afrika. In 1701 stuurde de WIC een eerste gezant naar de koning van het naburige Ashanti, en dit najaar zal worden herdacht dat Ghana en Nederland sinds drie eeuwen officieel betrekkingen onderhouden. Nog altijd is Nederland Ghana’s grootste handelspartner in Europa.

Vanuit Elmina vertrokken gedwongen duizenden Afrikanen die waren aangekocht door Nederlanders; de meesten gingen naar Amerika, sommigen naar Azië. Majoor Jan Verveer sloot nog in 1836 een overeenkomst met de Ashantijnse koning waarbij deze zich verplichtte jaarlijks duizend mannen te leveren. Kwaku Dua kreeg een jaargeld, en geweren en kruit ter waarde van honderd gulden voor iedere gezonde rekruut. Dankbaar gaf hij aan Verveer de staande gouden pijp voor koning Willem I mee, die nu in het Rijksmuseum voor Volkenkunde in Leiden een Afrikaans kunstwerk is en die destijds een relatiegeschenk was van de ene slavenhandelaar aan de andere.

Koning Kwaku Dua kon de afspraak maar voor de helft nakomen, en in drie jaar werd het leger in Oost-Indië versterkt met ruim vijftienhonderd man uit Ghana. De zwarte soldaten, goed bestand tegen het klimaat, roekeloos en dapper, waren de schrik van de plaatselijke bevolking. Zij werden in Kumasi (Ashanti) gekocht als slaven, maar meteen nadat ze het contract met het leger hadden getekend, werden ze vrij verklaard. Van slaaf werden zij soldaat. Niet langer onder de knoet van een meester stonden de meesten twaalf of achttien jaar onder de krijgstucht. Administratief waren zij dus nooit «slaven». Ze leefden zoals alle militairen geïsoleerd van de lokale bevolking en waren voor de wet gelijkgesteld met Europeanen. In het pasar-Maleis heette een Afrikaanse soldaat een Wollanda hitam (later Belanda hitam), een zwarte Nederlander. Hun soldij werd jarenlang met zoveel cent per week gekort totdat ze de honderd gulden van hun vrijkoping hadden terugbetaald. Tussen 1836 en 1872 zijn nog ruim drieduizend mannen in Ashanti voor het Oost-Indische leger gekocht.

Na het uitdienen van hun contract gingen sommigen via Nederland naar huis, en zo kon Isaac Israëls in 1882 in Arnhem de portretten van twee Afrikaanse soldaten schilderen. Anderen bleven op Java, enkele tientallen families woonden in het dorp Purworedjo. Hun nakomelingen trouwden veelal onderling en veel van hun zonen werden ook beroepsmilitair. Bij de repatriëring van het Koninklijk Nederlandsch-Indische Leger rond 1950 kwamen volgens de schatting van een betrokkene tussen vijftig en 75 Indo-Afrikaanse families mee. Zij houden nog elke twee jaar in Schiedam een feestelijke reünie.

De geschiedenissen van de Indo-Afrikaanse Nederlanders verdienen te worden gedocumenteerd zowel bij het Monument Indië Nederland als bij het Nationaal Monument Nederlands Slavernijverleden. De Afrikaanse soldaten in het Indische leger zijn schakel figuren die erop wijzen dat de mensenhandel in Azië een omvangrijk deel vormt van het Nederlandse slavernijverleden.