Gelukkig kon voormalig geheim agent David Cornwell goed schrijven en groeide hij onder het pseudoniem John le Carré uit tot bestsellerauteur © Nadav Kander / The Guardian / eyevine / ANP

Ik vraag me af hoe de uitvaart van John le Carré verliep. Bescheiden waarschijnlijk – geen ronkende speeches waarbij hij nog eens in het pantheon der Britse literatoren werd bijgezet. Le Carré bleef, leek het, altijd onverzoend met zijn sterrenstatus, wilde niets van lauwerkransen weten, weigerde herhaaldelijk nominaties voor prijzen.

In zijn nieuwste, en laatste, roman beschrijft hij de uitvaart van een voormalige spion, Deborah. Zij brengt in Silverview de bal aan het rollen, doordat ze vanaf haar ziekbed de geheime dienst inseint dat er iets niet klopt aan haar echtgenoot, de Poolse emigré Edward, een man met een ongrijpbaar accent en niet te traceren verleden, die hand-en-spandiensten verrichtte voor de inlichtingendienst. Een laatste daad van loyaliteit – aan ‘the Service’ dus, niet aan haar man.

En de Service komt opdagen; als vanzelf nemen de gepensioneerde spionnen plaats aan het gangpad van de kerk, de nog actieve aan de randen, waar ze alles kunnen zien maar niet makkelijk gezien worden. Bij leven moesten Deborah’s medailles verborgen blijven, pas bij haar dood mogen die worden opgespeld. De hymnes duren eindeloos, maar daarna is de begrafenis als een familiebijeenkomst – roddels, sterke verhalen, iedereen kent elkaar, de speeches bezingen haar uiterlijk, haar humor, haar trouw aan de kroon, herinneringen worden opgehaald, er wordt gedronken, iemand wordt terzijde genomen en krijgt op een buitengewoon beschaafde manier te horen dat als hij niet precies doet wat er van hem wordt verwacht, zijn hele leven kapot wordt gemaakt. Even goede vrienden.

Zoals Le Carré het beschrijft is de geheime dienst een familie. Ons Soort Mensen. Aan het begin van Silverview introduceert hij een familie, de Proctors, waarvan de patriarch, Stewart Proctor, Edwards potentiële verraad moet onderzoeken. De Proctors, schrijft Le Carré, waren een familie die zichzelf nooit als ‘upperclass’ zou benoemen, zelfs niet als ‘establishment’. Maar niets hoort meer bij het establishment dan ontkennen dat je establishment bent: de familie was progressief, toegewijd, actief in alle lagen van de maatschappij, op verkiezingsdag zou niemand Conservatief stemmen (of dat durven toegeven). Het geld was weggestopt in fondsen en diende niet besproken te worden.

Niemand in de familie stelde de vraag wat Stewart Proctor nu precies deed, waarom hij al een kwart eeuw bij de buitenlandse dienst was zonder ambassadeur of iets dergelijks te zijn geworden. Iedereen wist het namelijk wel, het hoefde niet gezegd te worden. Families als de Proctors, schrijft Le Carré, wisten al vanaf hun geboorte dat het binnenste spirituele heiligdom van de Britse ‘ruling classes’ de geheime diensten waren.

Hoe was het in godsnaam mogelijk dat Engelands gouden zoon een verrader kon zijn?

Als dat zo was, dan heette de demon in het spirituele hart Kim Philby (1912-1988), de spion die op allerlei manieren de schaduw was van Le Carré (1931-2020), of de brandende kern van zijn schrijverschap. Kim Philby, vernoemd naar het jongetje uit Kiplings spionageroman Kim, was de zoon van St. John Philby. St. John was de Britse variant van Snouck Hurgronje, een arabist die zich tot de islam bekeerde om Mekka te kunnen bezoeken, die voor de koloniale inlichtingendienst werkte en in de jaren dertig strategisch adviseur voor de koning van Saoedi-Arabië werd. Zijn vader was dus vooral weg van huis, maar hij stopte Kim op de juiste kostscholen en het establishment deed de rest; hij zat op de chique Westminster School, ging daarna naar Trinity College, Cambridge, schreef voor verschillende kranten, werd correspondent in Spanje tijdens de Burgeroorlog daar (1936-1939), en toen de Tweede Wereldoorlog uitbrak werd Kim binnengehaald bij m16.

Niet alleen Le Carré heeft over Philby geschreven, talloze oud-spionnen hebben memoires over hem gepubliceerd. De strekking: wat een man! Wat een charme, wat een humor, een belezenheid. Oké, hij leek het als een sport te zien om met de echtgenoten van zijn vrienden naar bed te gaan (een sport die hij op Champions League-niveau beoefende), maar tal van hen leken hun vriendschap met hem net iets belangrijker te vinden dan hun huwelijk. In het pas verschenen Love & Deception: Philby in Beirut schrijft historicus James Hanning dat het zijn ogen waren; Philby kon je aankijken, zeiden meerdere vrienden, alsof er niets belangrijkers in de wereld was dan jij.

Voor de oorlog, op de universiteit, had Philby geflirt met het marxisme, maar dat was niet on-chique; in de jaren dertig kon je de Sovjet-Unie nog zien als bondgenoot tegen het fascisme. Ook was hij met een Oostenrijkse communiste getrouwd geweest, maar dat huwelijk werd gezien als een jeugdzonde. Bovendien: wat deed hij goed werk tijdens de oorlog! Hij coördineerde geheime missies in Spanje en Portugal, later kreeg hij Italië en Noord-Afrika erbij, en stukken van de Balkan. Na de oorlog, terwijl de Koude Oorlog oplaaide, werd hij eerst hoofd van geheime zaken vanuit Istanbul, een topbaan, en in 1949 inlichtingenbaas in Washington, een nog hogere baan. Niemand twijfelde eraan dat Philby op een dag de baas van de gehele geheime dienst zou zijn.

Totdat ergens in de Sovjet-Unie een klerk een verkeerde code hanteerde, eentje die de Amerikanen en Britten konden ontcijferen, waardoor ze een spionnenring in het Westen op het spoor kwamen. In het holst van de nacht in mei 1951 verdwenen twee Britse diplomaten spoorloos, Donald Maclean en Guy Burgess. Iedereen begreep dat dit dubbelspionnen voor de Russen moesten zijn geweest, en opeens keken ze allemaal naar Philby. Maclean en Burgess waren studievrienden van hem, boezemvrienden. Burgess had nota bene bij hem in huis gewoond. De ‘affair of the missing diplomats’ werd voorpaginanieuws, Philby’s carrière lag in duigen. En toch weigerde de geheime dienst hem echt als verdacht te zien; hij werd ondervraagd en had overal antwoord op. Hij nodigde de pers bij hem thuis uit en was zo charmant en grappig dat de journalisten uit zijn hand aten. In het parlement verklaarde Harold Macmillan, toen minister van Buitenlandse Zaken, dat Philby volledig onschuldig was.

Niet dus. Door zijn publieke profiel kon Philby geen spion meer zijn, dus vertrok hij naar Beiroet, Libanon. Hij pakte de vrouw van een vriend af, hertrouwde, kreeg (jaloersmakend) een tamme vos en werd een veelgevraagde correspondent voor grote kranten – en ondertussen nam de geheime dienst hem weer in vertrouwen en liet hem klusjes uitvoeren. Totdat er in 1963 een sovjetspion overliep, die verklaarde dat Philby wel degelijk hun mol was, al sinds hij op Cambridge zat, begin jaren dertig. Alles viel op zijn plek – de dissidenten die voordat ze konden overlopen betrapt werden door de kgb, geheime missies die om onverklaarbare redenen werden opgerold – overal zaten Philby’s vingerafdrukken op.

De jonge Le Carré hoorde er niet echt bij. De sovjets hadden hém moeten rekruteren

De m16 stuurde een spion, Nicholas Elliott, naar Beiroet, die dan eindelijk een bekentenis kreeg (een paar jaar terug schreef historicus Ben Macintyre over deze confrontatie het geweldige A Spy among Friends). De volgende dag zou Philby een schriftelijke bekentenis tekenen, maar toen Elliott terugkeerde was Philby ’m gesmeerd. Een vrachtschip naar Odessa was die nacht onverwacht vertrokken, de lading lag nog op de kade (Macintyre suggereert dat Elliott hem expres liet ontsnappen, ofwel uit vriendschap, ofwel omdat m16 het gênant vond Philby te moeten berechten). Talloze geheim agenten in het Westen zagen hun carrières verbrokkelen; Philby kende hen, en dus waren ze geopenbaard. Geheim agent David Cornwell, bijvoorbeeld, moest iets anders gaan doen. Gelukkig kon hij een flink potje schrijven, en groeide hij onder het pseudoniem John le Carré uit tot internationale bestsellerauteur.

Hoe moet je de maatschappelijke betekenis van Philby’s verraad uitleggen? De schok voor de Britse cultuur? Alsof bekend wordt dat Twan Huys al die tijd voor Poetin heeft gewerkt, alsof Maxim Februari en Jesse Klaver geheim agenten van Big Oil blijken te zijn.

Nog een bijeffect: Philby’s vlucht naar Moskou bleek goed voor een zelfstandige industrie van boeken, films, toneelstukken en tv-series die allemaal dezelfde vraag stellen, namelijk: hoe is het in godsnaam mogelijk dat Engelands gouden zoon een verrader kon zijn?

Le Carré beantwoordde die vraag in het voorwoord van een heruitgave van zijn klassieker Tinker Tailor Soldier Spy (1974), waarin zijn verrader bijna een-op-een op Philby is gebaseerd: het lag aan het establishment. Als je terugkijkt zijn er tal van rode vlaggen – Philby’s marxisme, zijn huwelijk met een communiste – die volkomen achteloos werden genegeerd, volgens Le Carré omdat het establishment zo zelftevreden was, zo overtuigd van zijn eigen superieure beschaving, dat het zich simpelweg niet kon voorstellen dat iemand zou overlopen. ‘Ons Soort Mensen doet dat niet.’ Terwijl talloze memoiristen Philby met een zekere compassie beschouwden (eens een vriend, altijd een vriend), bleef Le Carré hem hartgrondig haten – in Love & Deception schrijft James Hanning dat Le Carré in zijn laatste maanden bij de geheime dienst als vrijwel enige erop aandrong dat Philby, waar dan ook ter wereld, vermoord moest worden.

Er zijn meer theorieën over dat verraad. Zowel de biograaf van Guy Burgess (Andrew Lownie) als die van kunsthistoricus Anthony Blunt (Miranda Carter), die ook tot de Cambridge-spionnencirkel behoorde, schrijft dat het verraad hand in hand ging met de homoseksualiteit van Burgess, Blunt en anderen: in die tijd was homoseksualiteit verboden in Engeland. Dus terwijl ze met één been in de maatschappij stonden, stonden ze er met het andere buiten. Zo’n gespleten bestaan maakt dat sovjet-rekruteerders konden inspelen op het feit dat hun maatschappij hen nooit echt accepteerde.

James Hanning geeft meerdere opties. Sommige bekenden zeiden dat het door Philby’s vader St. John kwam – die onorthodox en anti-establishment was. Anderen zeiden dat het juist de afwezigheid van St. John was, waardoor de sovjet-agent die Philby rekruteerde kon inspelen op zijn gebrek aan een vaderfiguur. Wat Hannings boek zo interessant maakt is dat hij dit veel vertelde verhaal niet vanuit Philby beschrijft, maar vanuit diens vrouwen, vooral vanuit zijn derde, de Amerikaanse Eleanor Kearns. Hanning beschrijft de rollen die Philby tegenover zijn vrouwen speelde, hoe hij zelfs thuis maskers ophield, er een vreemd soort ambitie op nahield om hun op allerhande manieren een verzonnen werkelijkheid voor te houden. Dat dwangmatige verraad lijkt mij de sleutel tot Philby: hij is de spion die niet alleen zijn collega’s en zijn land verraadde, maar ook zijn vrouwen, zijn beste vrienden, zijn familie. Het wekt de suggestie dat hij iedereen, overal, op elke mogelijke manier te slim af wilde zijn, altijd iets wilde weten wat zij niet wisten.

Op een bepaalde manier is dat ook het hoofdthema van Le Carré’s oeuvre: het beschadigde zelfbeeld van de Britse heersende klasse en alle methodes die zij heeft om zelfvertrouwen te veinzen, om superioriteit op te eisen. Wanneer je Le Carré leest, lees je de poses, de frases, de ons-kent-ons-taal die een vanzelfsprekende controle over de wereld suggereren – maar uiteindelijk verliezen zijn spionnen het van de werkelijkheid. Le Carré’s spionnen zijn in twee categorieën op te delen: zij die vasthouden aan hun superioriteit en zij die allang geaccepteerd hebben dat alles tevergeefs is. Zijn sympathie ligt bij die laatste categorie. Le Carré’s haat voor Philby zal deels zijn ingegeven door zijn paradoxale verhouding tot die klasse. Le Carré groeide op onder de upperclass, maar als buitenbeentje – zijn vader was een meesteroplichter, die niet rijk was, maar dat wel speelde (in A Perfect Spy, uit 1986, wordt zijn vaders oplichterij prachtig beschreven). De jonge Le Carré hoorde erbij, maar niet echt. Je zou denken: de sovjets hadden hém moeten rekruteren.

Le Carré stierf vorig jaar, werd groots door de wereld uitgezwaaid. Philby dronk zichzelf dood in Moskou, stierf in 1988, terwijl het communisme al aan het verbrokkelen was. Silverview is een dankbaar afscheid. Ja, het is een uitgeklede Le Carré – met 208 bladzijden een van zijn dunste romans. De verhaallijn over hoe de Poolse Edward als inlichtingenofficier tijdens de Joegoslavië-oorlogen zo getraumatiseerd raakt dat hij informatie gaat weggeven, wordt eerder medegedeeld dan beschreven. Maar wat overeind blijft is zeker geen skelet: de plot over de boekhandelaar Julian die zich door Edward voor zijn karretje laat spannen is vertrouwd elegant. Met ingehouden humor beschrijft Le Carré de verschillen tussen nieuw en oud geld, ervaren en onervaren agenten, tussen mannen en vrouwen. Alle personages willen ergens toe behoren waar ze niet toe behoren – of net niet helemaal – en geen van hen leer je helemaal kennen. Ook dat is vintage Le Carré. Alsof hij zijn personages een binnenleven gunt dat ook voor de lezers privé blijft. Iedereen heeft recht op zijn geheimen.