De goudkoorts van de knvb

Het verzet tegen de voorgenomen deal van de KNVB met Philips, Willem van Kooten en de mini-Berlusconi’s van Endemol neemt de contouren aan van een ware volksopstand. En terecht. De sociaal-democratie herontwaakt op de groene zoden. Voetbal in het ziekenfonds!
WIE GEBOREN IS aan de Varkenoordseweg in Rotterdam-Zuid, pal tegenover de Kuip, is gedoemd de rest van zijn leven met hart en ziel verknocht te blijven aan de FC Feyenoord, hoe hard dat vaak ook moge zijn. Ziedaar mijn noodlot. Bij elke thuiswedstrijd voegde de gehele familie zich na het nuttigen van de erwtensoep bij de grote mensenstroom over de Luchtbrug naar de Kuip en schuifelde door de hekken de heilige arena binnen met een gehuurd kussentje, een klamme kroket en de wedstrijdkrant met de opstelling in de handen.

Mijn opa, die de club nog met eigen ogen van een armetierige amateurclub op een zandterrein had zien uitgroeien tot een alom gevreesde grootmacht, had een vaste plaats op de staantribune, vlak achter het doel, waar hij altijd in opperste eenzaamheid wenste te verblijven, de North-Statesigaret ijzig in de mondhoek geklemd, terwijl hij af en toe zijn kleine draagbare radio uit de jaszak pakte om de tussenstanden van de andere clubs te horen op Langs de lijn. De rest van de familie wist zich, eventueel met enig smeergeld voor de suppoosten, altijd van een droge zitplaats onder de afkapping te verzekeren.
Het klinkt misschien wat Leni Riefenstahl-achtig, maar nooit wist ik me zo met mijn geboortegrond verbonden als op die zondagmiddagen in de Kuip, samen met tienduizenden andere uitzinnige Rotterdammers ‘hi-ha-hondelul’ scanderend naar de scheidsrechter en zijn grensrechters, bij iedere Feyenoord-goal uitbarstend in een collectief gejoel, dat met de juiste windstand tot ver in de zompige polders van Zuid-Holland te horen was.
{ IN ZIJN ONVOLPREZEN boek De Kuip: de geschiedenis van het stadion Feyenoord (1989) reconstrueert Harry van Wijnen op zeer overtuigende wijze hoezeer de opkomst van Feyenoord was verbonden met de emancipatie van de Brabantse en Zeeuwse plattelanders die in de loop der jaren de drooggelegde polders van Rotterdam-Zuid kwamen bevolken.
Voetbal is in Nederland begonnen als een elitesport. Bij de eerste belangrijke clubs, zoals HVV, speelden vooral jonkheren, dokters en meesters, die zich per taxi naar het speelveld begaven. De op 8 december 1889 opgerichte Nederlandse Voetbal- en Atletiekbond (vanaf 1895 de Nederlandse Voetbalbond geheten - het predikaat 'Koninklijk’ kwam pas in 1929) stelde zich aanvankelijk op het standpunt dat het Nederlandse voetbal ter verbetering van de kwaliteit het beste een elitesport kon blijven. De sport werd in de loop van de jaren twintig echter weergaloos populair bij het proletariaat. Niet voor niets trok de socialistische dichter Herman Gorter in Pan, dat grote poetische visioen van de revolutie, de vergelijking tussen het bevrijde proletariaat en een oprukkende aanvalslinie van een voetbalploeg.
Feyenoord was de arbeidersclub bij uitstek. De club werd door de pers voor megalomaan uitgejouwd toen het in de jaren dertig met financiele steun van havenbaronnen als D. G. van Beuningen een gigantisch stadion liet verrijzen aan de Kromme Zandweg. Maar tegen de verdrukking in, in het opperste isolement van een gemeenschap die zich geminacht wist, bloeide iets moois. De eendracht tussen spelers, bestuur en publiek was overweldigend. Zo stuurde de voorzitter na afloop van elke wedstrijd, gewonnen of niet, bedankbriefjes naar spelers, om hen te complimenteren met hun voorbeeldige gedrag op het veld, met zinnen als 'Je hebt iedere Feyenoorder met trots je naam doen noemen, en ik ben persoonlijk een van de eersten die zich hiermee gestreeld voelt.’
Al deze inspanningen leidden uiteindelijk tot het droomteam dat in 1970 de Europacup op Celtic veroverde, met spelers als Eddy Pieters Graafland, Theo Laseroms, Theo Duivenbode, Ove Kindvall, Rinus Israel, Wim Jansen, Willem van Hanegem en natuurlijk Coen Moulijn, de geniale pingelaar die op zonnige dagen weigerde buiten de schaduw van de linkerflank te treden en dan toch nog kans zag om een paar doelpunten te maken. Het lange-afstandsschot waarmee PTT-loketbediende Joop van Daele datzelfde jaar de zinderende strijd om de wereldcup tegen de Argentijnse slachters van Estudiantes de la Plata in het voordeel van Feyenoord beslechtte, was het absolute hoogtepunt van een decennialange klassenstrijd.
{ HET TEGENWOORDIGE Feyenoord heeft weinig meer uit te staan met die dierbare herinneringen. Het stadion is inmiddels verbouwd tot een spierwitte badkuip met overdekte winkelpromenades, partycentra en fitness-salons. De staantribune waar mijn grootvader altijd stond, is uit veiligheidsoverwegingen weggehaald. Iedere toeschouwer wordt nu geacht zich neer te vlijen in een futuristisch kuipstoeltje dat het lichaam dwingt tot een ongemakkelijk achteroverleunende positie die flagrant in tegenspraak is met alle motorische wetten die het voetbal aan het lichaam van de toeschouwer stelt. Er zijn hele happen uit het stadion genomen om plaats te maken voor couveuse-achtige skyboxen, waaruit te dikke kerels met gouden ringen boven een bord biefstuk stroganoff uitkijken over het veld. De hoempapabands die vroeger voor het inleidende programma zorgden, zijn vervangen door acts als die van de hysterische New-Ageprofeet Emile Ratelband.
Ook van de vroegere eendracht ontbreekt ieder spoor. Onder leiding van voorzitter Jorien van den Herik, die zijn zaakjes het liefst telefonisch afwikkelt vanaf zijn in de Griekse wateren dobberende jacht, heeft Feyenoord zich als werkgever ontwikkeld tot een kille moloch, permanent in staat van oorlog met de eigen spelers en oefenstaf. Stelselmatig heeft Van den Herik de afgelopen jaren iedereen met het ware Feyenoordhart heengezonden. Trainer Willem van Hanegem, de legendarische nummer 10 van de meest succesvolle Feyenoord-formatie aller tijden, in ieder woord en gebaar een wandelend monument voor de zeden en gewoonten in Rotterdam-Zuid, werd begin dit seizoen door Van den Herik gewipt en verblijft sindsdien in ballingschap onder de brandende zon van Saoedi-Arabie. De Kromme kon het niet langer meer bolwerken, onophoudelijk geconfronteerd met nieuwe aankopen van voetbalspeculant Van den Herik.
Het trieste hoogtepunt van Van den Heriks overspannen koopjesjacht over de mondiale velden was wel dat hij Van Hanegem twee straatkinderen uit de sloppen van Rio de Janeiro in de maag splitste. Ondertussen werden publieksfavorieten als John de Wolf en Jozef Kiprich, archetypische Feyenoord-spelers, genadeloos afgeschreven en van de hand gedaan. Met het klassieke voetbalmanagement had dit alles niets meer te maken.
{ SINDS HET VERTREK van Van Hanegem woedt er een eindeloze Bartholomeusnacht in De Kuip. De nieuwe coach Arie Haan, in 1984 nog als speler van Standaard Luik het middelpunt van een groot omkoopschandaal in de Belgische competitie, ontslaat te pas en te onpas iedere Feyenoorder die te veel naar Van Hanegem ruikt en heeft inmiddels een geheel nieuw team opgebouwd. Spelers met een respectabele conduitestaat, zoals Regi Blinker en Rob Witsche, werden harteloos terzijde geschoven en communiceren alleen nog via de rechter met het bestuur. List en bedrog bepalen nu het klimaat.
De gang van zaken bij Feyenoord illustreert de beklagenswaardige transformatie die het voetbal doormaakt. Zaken als clubtraditie en continuiteit, die toch de spil van een ploeg zouden moeten zijn, hebben geheel afgedaan. In plaats daarvan kwam de opperheerschappij van gewiekste zakenlieden die de sport als een kermisattractie zien en ook als zodanig behandelen. Spelers en trainers worden als manke circusbavianen afgedankt en ingeruild voor jongere exemplaren wier marktwaarde tot in het krankzinnige wordt opgedreven. Alle elementaire wetten voor de ontwikkeling van spelers, stammend uit de tijd van ingenieur Ad. van Emmenes, worden met voeten getreden. Net als de werkgevers in andere sectoren doen de meeste vorsten van het Nederlandse voetbal tegenwoordig aan 'permanent management’: eeuwig zijn ze aan het reorganiseren en het schuiven. Tegen de tijd dat een kind zijn flippoverzameling van de spelers van zijn favoriete club bij elkaar heeft gegeten, vertoeven de geportretteerde idolen al lang verspreid over alle continenten. Iedere vorm van geduldige opbouw en taaie planning ontbreekt. Opgejaagd door een overspannen markt veranderen de clubs langzaam maar zeker in uitzendbureaus voor voetbalhuurlingen die elkaar niet bij de voornaam kennen, laat staan dat ze het clublied kunnen meezingen.
De meest schrille illustratie voor het verval van het Nederlandse voetbal wordt natuurlijk geleverd door de Koninklijke Nederlandse Voetbal Bond. Ooit stond de bond pal voor de naleving van de hoogste voetbalwaarden. 'De voetbalsport heeft slechts een doel: opvoeding tot de deugd der onbaatzuchtigheid’, hield het bestuur voetbalminnend Nederland voor toen in 1954 een debat was losgebarsten over de vraag of betaald voetbal al dan niet toelaatbaar was in Nederland. Betaald voetbal werd door de meeste officials als een grote dreiging gezien. Weliswaar was de eerste Nederlandse voetballer in de persoon van Bep Bakhuys al voor de oorlog als beroeps naar het buitenland uitgeweken (naar het Franse Metz), in Nederland werd betaald voetbal toch vooral gezien als poel des verderfs. Al in 1897 legde de Bond strenge straffen op 'voor spelen voor geld, het geld vragen voor voetballessen en het verkopen van prijzen’. In 1911 was er bovendien een strafbepaling bijgekomen voor 'een ieder die zich schuldig maakt aan voorspiegeling of aanbieding van materiele voorrechten aan spelers’.
Toen de legendarische Faas Wilkes in 1949 naar Milan uitweek, werd hij bij wijze van represaille voor vijf jaar uitgesloten door de Bond. Niettemin volgden tal van cracks, onder wie Bertus de Harder, Cor van der Hart, Kees Rijvers, Bram Appel en Arie de Vroet, het voorbeeld van Wilkes. Hun belangen werden beschermd door een 'wilde bond’ van beroepsvoetballers, met wie de KNVB slag op slag leverde.
Als lichtend voorbeeld voor de pure lijn gold de Rotterdamse speler Oosterholt. Deze werd tijdens een bezoek aan de kermis door 'beroepsronselaars’ met twintig briefjes van honderd verleid tot het tekenen van een beroepscontract. Oosterholt, die bij scheepswerf Wilton-Feijenoord 62 gulden per week verdiende, was aanvankelijk euforisch over de financiele injectie, maar uiteindelijk stortte hij in. 'Ik heb de vrienschap verraden voor geld’, klaagde hij tegen zijn echtgenote. 'Samen hebben die twee toen gehuild’, zo lezen we in het bondsorgaan. Het eind van het liedje was dat de ongelukkige speler zich zo ellendig voelde dat hij al het ontvangen geld teruggaf en terugging naar zijn oude club.
De KNVB zag het opkomende wereldje van het beroepsvoetbal in Nederland als een verzameling 'defaiteurs, profiteurs, heulers met de vijand en overlopers’. Met lede ogen zag de Bond aan hoe talentscouts van de 'wilde bond’ de scholen afstruinden op zoek naar jong talent. 'Als het profvoetbal de handen niet afhoudt van het schoolvoetbal, bestaat de kans, dat dit een snelle en zekere dood sterft en dat daardoor de propaganda van een halve eeuw voor het voetbal onder de jeugd een einde neemt.’ Bestuurder L. D. E. J. de Kramer sprak over 'een sociaal gevaar’. Er werd ook gevreesd dat beroepsvoetballers in korte tijd zo'n loonvlucht zouden nemen dat ze bij het afscheid van het voetbal onmiddellijk aan de bedelstaf zouden raken. In dreigende bewoordingen sprak De Kramer van 'het intredende financiele debacle bij uitrangering van de voetballers’.
DE OMSLAG KWAM toen een selectie van in het buitenland spelende Nederlandse profs op 1 maart 1953 aantrad in Parijs voor een benefietwedstrijd tegen Frankrijk, een liefdadigheidswedstrijd ten bate van de slachtoffers van de Zeeuwse watersnoodramp. Die wedstrijd werd met 1-2 gewonnen en verstevigde zo de mening dat het vaderlandse voetbal wel moest professionaliseren om in internationaal verband mee te tellen. De KNVB had er jaren van felle bestrijding van de 'wilde bond’ op zitten toen op 30 augustus 1954 het besluit viel tot mogelijkheid van betaling van de eersteklassers. KNVB-voorzitter J. Moorman begroette het besluit met instemming in het bondsorgaan De Tribune. 'Hadden wij de laatste tientallen jaren eigenlijk niet een soort verhouding van “heren en knechten”? Heren, de betuurders van de bond en de clubs, die voorschriften maakten en handhaafden; knechten - de spelers. De spelers slikten dat en alles scheen mooi en goed. Nu blijkt dat de regenten hun volk niet gekend hebben, dat de mentaliteit van een deel der spelers anders is dan men dacht, dat het amateuristische ideaal veranderd is en dat de spelers die het geld bij elkaar schoppen, daarvan hun deel willen hebben.’ Moorman probeerde de verontrusting bij de achterban weg te nemen. 'De KNVB overleeft elke crisis!’ hield hij de lezers voor. 'De KNVB zal blijven: het algemeen leidend voetballichaam in Nederland!’
De regels waaraan de nieuwe beroepsvoetballers waren gebonden - veel waren dat er in het begin trouwens niet, voor meer dan 99 procent van de eersteklassers bleef alles bij het oude - mochten er zijn: 'De contractspeler moet zijn vereniging in elk opzicht eervol vertegenwoordigen’, luidde het statuut. 'Hij is verplicht tot een onberispelijke levenswandel, het inzetten van al zijn krachten en het betrachten van sportiviteit tegenover de tegenstander, nakomen van de voorgeschreven training en van de instructies van de leiding der verenigng inzake de deelneming aan wedstrijden en sportief onberispelijk gedrag tegenover zijn medespelers, de scheidsrechter, de grensrechters en de toeschouwers.’
De nieuwe kaste van betaalde voetballers liet zich er niet alles aan gelegen liggen. Voetbalmakelaar Egidius Maria Joosten, een van de grote gangmakers van het professionaliseren van het Nederlandse voetbal, klaagde in De Telegraaf al snel over het losbandige gedrag der vedetten. 'Voetbalwerknemers gedragen zich als beesten, roken sigaretten, drinken jajem, snoepen en gaan laat uit!’ De jonge voetbaljournalist Herman Kuiphof beklaagde zich ook over de prestaties der betaalde sterren: 'De heren worden nu voor hun goede diensten betaald en dan willen we goed spel zien. De spelers hebben niet het recht er maar zo'n beetje bij te slabakken.’
Begin 1956 waren er reeds 56 bij de KNVB aangesloten verenigingen die hun spelers iets betaalden. De professionalisering was onomkeerbaar, evenals tal van andere nieuwigheden. De vaderlandse sportpers keek honend toe hoe sommige clubs naar Zuidamerikaans voorbeeld gebruik begonnen te maken van zuurstofcylinders om uitgeputte spelers weer monter te krijgen.
Een andere nieuwe misstand waarover veel werd gepolemiseerd, was het damesvoetbal. Uit de KNVB-kronieken: 'Zodra het gaat om beoefening van die sporten, waarbij het hoofdzakelijk aankomt op onvrouwelijk fors gebruik van lichamelijke kracht, sporten waarbij het hoekige, bonkige, min of meer ruwe, de boventoon voert, daar achten wij het meisje of de vrouw niet op haar plaats en onder die sporten rangschikken wij bijvoorbeeld voetbal of boksen, als geheel in strijd met de vrouwelijke aard en de vrouwelijke lichaamsbouw en bovendien voor een vrouw zo onaesthetisch, kortom: wij beschouwen zoiets als een uitwas van de sport.’
Naarmate het Nederlandse voetbal zich verder ontwikkelde, groeide bij de KNVB een regenteske mentaliteit die uiteindelijk zou leiden tot het ronduit verraderlijke handelen van de huidige voorzitter Jos Staatsen. Hadden oude KNVB-rotten als de legendarische Karel Lotsy - bekend van zijn donderpreken - nog een ware passie voor de sport, de latere officials bleek het vooral te gaan om het eigen gewin. Bij bezoeken van het Nederlands elftal aan den vreemde vlogen steeds meer bestuurders mee, van wie bij niemand bekend was wat ze precies uitspookten. Talloos waren de klaagzangen van spelers en trainers die op KNVB-feestjes genadeloos buiten de deur werden gehouden. De Bond leek het vooral gemunt te hebben op de meest legendarische spelers. Johan Cruijff is bijvoorbeeld al sinds jaar en dag gewikkeld in een bijna groteske vete met het bondsbestuur.
MAAR DE GROOTSTE hobby van KNVB-beambten was en is wel het belemmeren van de vrije journalistiek. Wie de oude bondsorganen doorbladert, stuit keer op keer op flamboyante tirades tegen het journaille. 'De publicisten hebben te bedenken dat het in tijd van crisis beneden de waardigheid van de pers is de publieke opinie te vergiftigen met valse of opgesmukte berichten en smadelijke aantijgingen tegen het Bondsbestuur, waardoor het vertrouwen wordt ondermijnd. De sportjournalistiek is een machtige factor in het voetballeven. Wie macht kan uitoefenen, niet terwille van sensatie, maar om een volksbelang te dienen - voetbal is een volksbelang geworden - die moet de nodige zelfbeheersing kunnen opbrengen om niet buiten de perken van onze goede Nederlandse journalistiek te gaan. Kunnen de veelal jeugdige sportschrijvers dat niet, dan behoren de hoofdredacteuren te bedenken, dat zij verantwoordelijk zijn voor de gehele inhoud van de krant - ook van de sportrubriek.’
Het kost niet veel moeite een dergelijke uitroep uit lang vervlogen dagen van actualiteitswaarde te voorzien. Ook heden ten dage is de sportjournalistiek nog altijd de grote vijand van de KNVB. Dat is ook de achtergrond van de onderhandse deal die KNVB-voorzitter Jos Staatsen deze maand aanging met platenmagnaat Willem van Kooten, de mini-Berlusconi’s van Endemol en de firma Philips in de gedaante van kabelmagnaat A 2000. In een klap dreigt het betaalde voetbal in Nederland ondergebracht te worden in een privaat consortium waarover niemand enige controle kan uitoefenen, de aandeelhouders uitgezonderd. Kees Jansma en Mart Smeets, de twee dinosaurussen van de Nederlandse sportjournalistiek, moesten machteloos toekijken hoe Staatsen volkomen onverwacht de onderhandelingen met de Studio-Sportdelegatie afbrak en in zee ging met het voornoemde consortium.
In de dagen daarna werd duidelijk wat de KNVB en haar partners van plan waren met de toekomst van de voetbaljournalistiek. Willem van Kooten liet zich bij Nova reeds ontvallen dat al het negatieve commentaar van ontevreden journalisten bij de nieuwe voetbalzender niet langer gewenst was. Herhalingen van overtredingen zullen straks ook uit den boze zijn, bleek uit uitlatingen van Staatsen. De journalistiek wordt dus het meest elementaire recht - dat van het commentaar - ontzegd. God mag weten wat de kijker straks te zien krijgt als de Endemol-machine over het voetbal is gerold; met behoorlijke journalistiek zal het niets van doen hebben. Het altijd zorgelijke hoofd van Kees Jansma, dat monument van de Nederlandse voetbaljournalistiek, zal ongetwijfeld worden vervangen door een praatpop uit de stallen van de Aalsmeerder tv-fabriek - Rolf Wouters, of erger.
Het is kortom de hoogste tijd voor een voetbalopstand. Ook op andere terreinen is die al volop aan de gang. Het wegvallen van het transfersysteem na de zaak-Bosman maakt terecht een einde aan een mensonwaardige handel in voetballersvlees. De oprichting van een internationale spelersbond door giganten als Diego Maradonna en Eric Cantona is een duidelijk signaal dat de vroegere knechten niet meer kritiekloos naar hun meesters willen luisteren.
Het dedain waarmee het protest tegen de voorgenomen privatisering van het tv- voetbal in sommige kringen wordt onthaald, mist dan ook alle grond. Natuurlijk is het essentieel dat het voetbal behouden blijft als openbare nutsvoorziening, inclusief het zure commentaar van Kees Jansma en inclusief herhalingen van alle geniepige kopstoten en aanslagen op de scheenbenen der tegenstanders. Gegeven de levensvreugde die het voetbalspel ondanks alle commerciele excessen ook vandaag nog aan talloos veel miljoenen biedt, zou het waarschijnlijk nog het beste in het ziekenfondspakket kunnen worden opgenomen.
Het massale protest tegen de onderhandse mega-deal van Jos Staatsen zou weleens het startsein kunnen zijn van een groot offensief tegen de Berlusconi-achtige krachten die bezig zijn aan de transformatie van het Koninkrijk der Nederlanden tot een lustoord voor nepotisten. Wellicht heeft het sociaal-democratische ideaal, dat uiteindelijk historisch verdisconteerd is in de bloei van het nationale voetbalwezen, zelfs kans op een grootse reanimatie - als de woede over de 'Staatsen-greep’ maar voldoende wordt geexploiteerd.
Misschien komt dan snel die mooie dag dat Jos Staatsen door een squadron van voor die gelegenheid broederlijk verenigde F-siders en Vak S'ers uit zijn KNVB-kantoor in de lommerrijke omgeving van Zeist wordt gesleurd en gedrenkt in pek en veren terug naar Groningen wordt gestuurd.