De vierde verkiezingen in vier jaar

De grafsteen van Franco om de nek van Spanje

Terwijl Spanje zich voorbereidt op nieuwe verkiezingen, die vermoedelijk opnieuw leiden tot ellenlange coalitiebesprekingen, worstelt het land nog steeds met de erfenis van Franco.

Familieleden van oud-dictator Franco dragen zijn kist uit de basiliek van de Vallei van de Gevallenen. Hij wordt overgebracht naar de begraafplaats Mingorrubio, San Lorenzo de El Escorial, Spanje, 24 oktober © Emilio Naranjo - Pool / Getty Images

Het scheelde maar weinig of Franco’s mummie was voor de ogen van de wereld op het plaveisel gekletterd. Op 24 oktober werd de doodskist van de oud-dictator van Spanje om even voor één uur ’s middags statig de basiliek in de Vallei van Gevallenen uitgedragen. Maar onder de bruine doek die de kist bedekte, waren de oranje trekbanden zichtbaar waarmee het geheel bijeen werd gehouden. Bij het openmaken van Franco’s graf, even tevoren, bleek de kist stevig door het vocht te zijn aangetast. De aanwezige familieleden weigerden het lichaam echter in een nieuwe kist te leggen; zij hadden zich tot op het laatst tegen de herbegraving verzet.

Een korte autorit en helikoptervlucht later was opa Franco, met trekbanden en al, bij het familiegraf aangekomen. Daar werd hij met een franquistische vlag bedekt, terwijl een priester – niet toevallig de zoon van de officier die in 1981 een mislukte staatsgreep pleegde – een preek afstak waarin Franco geloofd werd als groot leider en voorvechter van het katholicisme.

Franco had dat detail van die trekbanden wel kunnen waarderen. ‘Alles zit vastgebonden, stevig vast’, zo beschreef hij zijn nalatenschap in zijn kersttoespraak van 1969: ‘Todo ha quedado atado, y bien atado’. Juan Carlos de Borbón, de kleinzoon van Spanje’s laatste koning, had die zomer trouw gezworen aan de principes van het franquisme en was door het parlement tot zijn opvolger benoemd. Aldus, garandeerde de 77–jarige dictator zijn luisteraars, was de voortzetting van zijn regime ook ná zijn dood verzekerd.

In hoeverre is de belofte van Franco waargemaakt? Dat is een vraag waar Spanjaarden het vijftig jaar later nog niet over eens zijn, maar die wel eens de doorslag kan geven in de algemene verkiezingen op 10 november. Het is de vierde keer in vier jaar tijd dat Spanje naar de stembus trekt, en de tweede keer in 2019, nadat het deze zomer onmogelijk bleek een linkse coalitie te vormen.

Struikelpunten waren het economisch beleid en de Catalaanse kwestie, maar ook de verhouding van Spanje met zijn verleden. Volgens de regering van premier Pedro Sánchez is Spanje ‘een gevestigde democratie’, een van de ‘meest geavanceerde rechtsstaten’ ter wereld en een van de ‘meest vrije en veilige’ landen. Maar volgens anderen, zoals de aanhangers van Unidas Podemos, de linkse partij waarmee de sociaal-democraten vergeefs coalitiebesprekingen had gevoerd, is het franquisme nog springlevend.

Zij verwijzen bijvoorbeeld naar de 2,5 miljoen Spanjaarden die van plan zijn te stemmen op het rechts-radicale Vox dat Spanje ‘weer groot’ wil maken en openlijk met de oud-dictator dweept. En de Vox-stemmers zijn lang niet de enigen met heimwee naar Franco, zegt journalist Emilio Silva. ‘Onze democratie sleept zich al jaren voort met Franco’s zware grafsteen om haar nek’, vertelde hij me toen ik hem begin oktober sprak. ‘Het franquisme is nog nauw verweven met de politieke cultuur van Spanje, met de rechterlijke macht, het onderwijssysteem, de media en de diplomatie.’

Silva is de oprichter van de Vereniging voor Herstel van het Historisch Geheugen (armh), een burgerbeweging die al twintig jaar druk uitoefent op de overheid om de cuentas pendientes uit Franco’s tijd, de openstaande rekeningen, nu eindelijk eens te voldoen. Dankzij de vrijwilligers van de armh zijn honderden massagraven uit de burgeroorlog inmiddels gelokaliseerd en duizenden lichamen geïdentificeerd en geborgen, een taak waar de Spaanse overheid zich nog niet durfde te wagen.

Franco overleed in 1975 en Spanje is inmiddels al ruim veertig jaar formeel een democratie. Al die tijd lag het lijk van de dictator onder een grafsteen van anderhalve ton prominent in het midden van een in een berg uitgehouwen basiliek, onder een 160 meter hoog betonnen kruis, een uur buiten Madrid. De monumentale Vallei van de Gevallenen (El Valle de los Caídos), tussen 1940 en 1959 aangelegd, onder anderen door politieke gevangenen, was door een geëmotioneerde Franco zelf ingewijd tijdens het twintigjarige jubileum van zijn succesvolle ‘kruistocht’ (de burgeroorlog) tegen het ‘anti-Spanje’ (de Republikeinen).

De stoffelijke resten van zo’n dertigduizend oorlogsdoden werden er herbegraven, vaak zonder medeweten van familieleden, samen met het lichaam van José Antonio Primo de Rivera, de oprichter van het Spaanse fascisme, die in 1936 was gefusilleerd. Benedictijnse monniken die daar een abdij hebben, houden nog dagelijks een mis voor de doden. De overheid betaalt het onderhoud.

In de loop van de jaren is het monument symbool komen te staan voor de passieve houding van Spanje tegenover zijn dictatoriale geschiedenis. Daar moest nodig een eind aan komen, besloot premier Pedro Sánchez, en kondigde op 18 juni vorig jaar aan dat Franco’s mummie uit het monument zou worden verwijderd.

De leider van de sociaal-democratische psoe was eerder die maand na een motie van wantrouwen tot premier benoemd. Na zeven jaar conservatief bewind kwam de regering weer in progressieve handen, het was tijd schoon schip te maken. ‘Spanje kan zich geen symbolen veroorloven die het land verdelen’, zei Sánchez in een tv-interview waarin hij ook aankondigde dat de Valle een ‘gedenkplaats voor de strijd tegen het fascisme’ en een plek van ‘verzoening’ zou worden. Niet lang daarna keurde het parlement de maatregel goed.

Conservatief Spanje vond het maar niks. ‘Dit is een terugkeer naar de conflicten en de haat uit het verleden’, reageerde de leider van Vox. De PP, de partij van premier Mariano Rajoy die kort daarvoor was aftreden, onthield zich van stemming en beschuldigde Sánchez van symboolpolitiek. De verontwaardigde nazaten van Franco, nog steeds een machtige en vermogende clan, stapten naar de rechter en na veel juridisch getouwtrek belandde de zaak bij het hooggerechtshof. Eind september maakte het hof de weg vrij voor de grafruiming en op 24 oktober was het zover. Ruim een week na de omstreden veroordeling van negen Catalaanse onafhankelijkheidsstrijders en zeventien dagen voor de verkiezingen maakte Sánchez zijn belofte waar.

‘Spanje kan zich geen symbolen veroorloven die het land verdelen’

Toen Franco eenmaal dood was, na 36 jaar aan de macht te zijn geweest, veranderde Spanje vlot in een democratie, via een relatief vreedzame Transición die internationaal lang als een voorbeeld gold. Het regime en de oppositie sloten een compromis: politieke partijen werden gelegaliseerd – zelfs de communisten mochten weer meedoen – terwijl alle politiek gemotiveerde misdaden sinds het begin van de burgeroorlog in 1936 werden kwijtgescholden met een algemene amnestie. Dat betekende niet alleen onmiddellijke vrijheid voor duizenden politieke gevangenen, destijds een prioriteit voor de oppositie, maar ook dat de voormalige machthebbers met een schone lei mochten beginnen.

In de praktijk bleven de bestaande machtsstructuren daardoor grotendeels intact. Iedereen mocht blijven zitten, of het nu politici waren of rechters, burgemeesters, televisiemakers, politiecommissarissen of universitair docenten. De families, banken en bedrijven die zich tijdens de dictatuur verrijkt hadden – via corruptie, massale onteigeningen of dwangarbeid – mochten hun kapitaal, land, aandelen en adellijke titels behouden. Zelfs de koninklijke opvolger die Franco hoogstpersoonlijk had benoemd en had klaargestoomd mocht staatshoofd blijven.

Dat de amnestiewet het voor vele duizenden slachtoffers van Franco’s dictatuur onmogelijk zou maken later ooit hun recht te halen, daar stonden eind jaren zeventig maar weinig mensen bij stil. Het algemeen gedeelde gevoel was opluchting dan wel onverschilligheid. Pas in de laatste twintig jaar is dat onder een groeiend aantal Spanjaarden omgeslagen in verontwaardiging. De transitie begon er minder voorbeeldig uit te zien toen landen als Chili, Argentinië en Zuid-Afrika aan het eind van de twintigste eeuw in staat bleken op een andere manier met hun duistere verleden om te gaan, met waarheidscommissies of processen en veroordelingen van militairen en voormalige machthebbers.

Na jaren van onachtzaamheid kwam er eindelijk aandacht voor de massagraven uit de burgeroorlog waarmee Spanje nog altijd bezaaid ligt. Tegelijkertijd gingen jongere progressieven de chronische problemen van het land, zoals de politieke corruptie en de economische ongelijkheid, steeds meer wijten aan het onverwerkte verleden. De indignados, de verontwaardigden, die in 2011 maandenlang de pleinen vulden en zich vanaf 2014 organiseerden in partijen als Podemos, zwaaiden met republikeinse vlaggen. ‘Ze noemen het een democratie’, scandeerden ze, ‘maar dat is het niet!’

In 2007, onder de vorige socialistische regering, nam het parlement een wet aan die een voorzichtig begin maakte met de verwerking van het dictatoriale verleden, onder meer door de jaarlijkse bijeenkomst ter ere van Franco bij diens graf te verbieden. Maar voor veel critici schoot de wet tekort. Een poging om een gerechtelijk onderzoek naar het Franco-regime in te stellen liep op niets uit. Sterker nog, de onderzoeksrechter die het initiatief daartoe nam, Baltasar Garzón, werd uit zijn ambt gezet.

Intussen nam ook van buitenaf de druk toe. In 2015 stelde de Mensenrechtenraad van de Verenigde Naties dat de amnestiewet een obstakel vormt voor onderzoek naar schendingen van mensenrechten. De Spaanse overheid, aldus de Mensenrechtenraad, schiet bovendien ernstig tekort in haar verplichtingen jegens de slachtoffers van martelingen en gedwongen verdwijningen. De VN hebben er bij Spanje sindsdien op aangedrongen de amnestie op te heffen, de slachtoffers juridisch en financieel bij te staan en een waarheidscommissie in het leven te roepen.

Tot nog toe legt Madrid die aanbevelingen liever naast zich neer. De vraag in hoeverre het Spanje van vandaag nog gebukt gaat onder de nalatenschap van het franquisme, ligt politiek gevoelig. En de escalatie rond de onafhankelijkheidsbeweging van Catalonië heeft het ongemak erover alleen maar vergroot. De manier waarop de overheid is omgegaan met de Catalaanse kwestie heeft in binnen- en buitenland twijfels gezaaid over het functioneren van de Spaanse rechtsstaat.

Onbehagen was er ook al na een omstreden hervorming van het strafrecht in 2015, die critici zagen als een aanslag op de burgerrechten. Zo kan protesteren zonder toestemming je tegenwoordig een boete van zeshonderdduizend euro opleveren. Er zijn ook stevige bekeuringen voor wie de politie fotografeert of beledigt, een uithuiszetting blokkeert of de koning op Twitter schoffeert.

Een vrouw die eind vorig jaar een neofascistische hommage aan Franco onderbrak met de feministische actiegroep Femen, die vaak topless protesteert, en die door de aanwezigen werd geschopt en geslagen, kreeg in oktober een boete van driehonderd euro opgelegd voor het ‘verstoren van de burgerlijke veiligheid’ met ‘ontbloot bovenlijf’ en ‘leuzen die ingingen tegen de bijeenkomst’. De hommage was door de autoriteiten goedgekeurd; het Femen-protest niet.

Zo is ook de Franco-stichting, die een positief imago van de dictator uitdraagt, gewoon legaal. Het Spaanse wetboek verbiedt weliswaar het verheerlijken van groeperingen die schuldig zijn bevonden aan genocide en misdaden tegen de menselijkheid, maar het probleem is dat het Franco-regime nooit officieel is berecht. Tot 2003 ontving de Franco-stichting nog subsidies van de overheid.

Desondanks zijn er zowel op rechts als links politici die stug volhouden dat Spanje allang een ‘normale’ Europese democratie is. Ook Sánchez gooit het steeds vaker over die boeg. Hij maakt zich zorgen over de imagoschade die Spanje heeft opgelopen na het Catalaanse proces. In september lanceerde zijn regering een internationale campagne onder leiding van Irene Lozano, staatssecretaris van een portefeuille die letterlijk in het leven is geroepen om het imago van Spanje op te vijzelen.

De campagne benadrukt hoe open, vrij en modern Spanje is. Wie anders beweert, zo suggereerde Lozano, speelt de ‘vijanden van Spanje’ in de kaart – een begrip dat ook Franco graag in de mond nam. Onder de ‘vijanden’ die de naam van Spanje uit eigenbelang zouden zwartmaken, bevindt zich ook de Catalaanse onafhankelijkheidsbeweging.

Bijna driekwart van de PP-stemmers vond dat Franco gewoon had moeten blijven liggen

Lozano’s retoriek is tekenend: de psoe schurkt steeds meer aan tegen de Spaans-nationalistische posities van rechts. Daarmee groeit de kloof tussen de sociaal-democraten en de Catalaanse en Baskische partijen, wier steun ze vorig jaar nog zochten. ‘De druk om de status quo en de daaraan verbonden symboliek in stand te houden wordt steeds groter’, zegt Noelia Adánez, schrijfster en radiocommentator. ‘Maar als gevolg van dat politieke klimaat is er geen enkele ruimte om het te hebben over wat er schuilgaat achter de spanningen tussen de centrale overheid en de regio’s, waar verschillende bewegingen het nu al jaren lukt om heel veel mensen op de been te krijgen.’

Hoe enthousiaster de psoe het idee omarmt dat er niets op de Spaanse democratie is aan te merken, des te groter wordt ook de afstand tot de eventuele coalitiepartners op links. Want dat de geest van de dictator nog door Spanje doolt, vinden niet alleen de voorstanders van een onafhankelijk Catalonië. Begin november publiceerde Antonio Maestre, die als journalist niets opheeft met de Catalaanse beweging, het boek Franquismo, S.A. (Franquisme, BV.). Daarin doet hij uit de doeken hoe de nauwe banden tussen het Franco-regime en het bedrijfsleven, dat onder meer gebruik kon maken van dwangarbeid door politieke gevangenen, de basis vormden voor de huidige economie en de corruptie.

Veel van de grootste bedrijven van het land, schrijft hij, ‘danken hun vooraanstaande positie aan hun collaboratie met het regime’. Desondanks konden ze na de transitie ‘gewoon blijven functioneren’. Daar zal de psoe, die het grootkapitaal graag tevreden houdt, niets aan veranderen.

Ook volgens Silva, leider van de herinneringsbeweging armh, is de waslijst van onverwerkte kwesties ellenlang. Ook zijn vertrouwen in Sánchez is miniem. ‘Franco’s lichaam’, schreef hij eind september in een column, ‘staat symbool voor een enorm democratisch tekort.’

Net als het bedrijfsleven en de nazaten van Franco, wier vermogen volgens sommige schattingen ruim een half miljard euro bedraagt, heeft de dictatuur ook de Spaanse katholieke kerk geen windeieren gelegd, legt Silva uit. En de rechterlijke macht is nog steeds een grotendeels gesloten gilde waarin reactionaire juristen zich thuis voelen. Omdat de jurisprudentie van de dictatuur bovendien nooit is herzien, staat iedereen die in die tijd als dissident veroordeeld is, nog steeds als landverrader te boek. Ook de herbegraving van Franco was maar half werk, vervolgt Silva. Zijn nieuwe graf is nog steeds openbaar en wordt dus, net als de Valle de los Caídos, door de overheid onderhouden. ‘Dit is een schoffering van de slachtoffers van de dictatuur’, zegt hij. ‘Hoe kun je hen verplichten voor het graf van hun beul te betalen?’

En of de Vallei van de Gevallenen een ‘gedenkplaats voor de strijd tegen het fascisme’ wordt, zoals Sánchez vorig jaar aankondigde, valt nog te bezien. Als de verkiezingen leiden tot een conservatieve regering, belandt het plan ongetwijfeld weer in de la waar Sánchez het vorig jaar uit heeft gevist. Een voorstel om de vallei te hervormen werd al onder de vorige socialistische regering, in 2011, gepresenteerd, en door de daaropvolgende regeringen van Rajoy zeven jaar lang genegeerd.

‘Dat Franco weg moest, was evident’, zegt Francisco Ferrándiz, sociaal antropoloog en een van de opstellers van dat oorspronkelijke voorstel, als ik hem begin oktober spreek. ‘Maar dan is het nog maar de vraag wat voor mogelijkheden de vallei biedt. In 2011 dacht ik zelf dat het een verzoeningsplek zou kunnen worden. Van dat idee ben ik inmiddels teruggekomen. Het hele ontwerp van de Vallei van de Gevallenen drukt een totalitaire manier van denken uit. Wat ik wel mogelijk acht is dat de plek wordt omgevormd tot een educatieve ruimte, zoals de concentratiekampen uit de Tweede Wereldoorlog.’

Terwijl Franco’s mummie en Catalonië de aandacht opeisen, wordt volgens critici de Spaanse rechtsstaat uitgehold. ‘De staat heeft een autoritaire draai gemaakt’, waarschuwde journalist Guillem Martínez eind september in het tijdschrift Contexto. Hij doelde daarmee op de hervorming van de strafwet uit 2015, maar ook op de verrechtsing van het koningshuis, dat zich in 2017 scherp tegen Catalonië keerde en een steeds duidelijker politieke rol opeist. Ook hekelde hij de juridisering van het Catalaanse conflict, die ertoe heeft geleid dat legitiem protest steeds sneller wordt gecriminaliseerd, onder het mom van staatsveiligheid of de ‘eenheid van Spanje’. ‘Concepten als democratie, rebellie, opruiing of terrorisme werken alleen als ze glashelder zijn’, schreef Martínez. ‘Maar in plaats daarvan worden ze steeds elastischer.’

In de aanloop naar de verkiezingen van 10 november grijpen alle politieke partijen hun kans om de controverse rond Franco electoraal te verzilveren. Zelfs de burgeroorlog wordt weer van stal gehaald. ‘In plaats van de eenheid van alle Spanjaarden na te streven, probeert Sánchez ons te verdelen. Dat, namelijk, is de routekaart van links’, zei Isabel Díaz Ayuso begin oktober, die namens de PP regiopremier van Madrid is. ‘Waarop hij het gemunt heeft, is duidelijk: de transitie, het koningshuis, de vlag en de grondwet.’ Nu gaat het om Franco, zei ze. Maar waarop richt links de volgende keer zijn pijlen? ‘Op het kruis van de Vallei van de Gevallenen? Op de hele Vallei? Of gaat de fik weer in de kerken, zoals in 1936?’

De tactiek lijkt te werken. In de meeste peilingen staan de PP en Vox op winst. Volgens de online krant eldiario.es vond bijna driekwart van de PP-stemmers dat Franco gewoon had moeten blijven liggen. Een peiling van de televisiezender laSexta deed daar nog een schepje bovenop: volgens ruim 37 procent van de PP-stemmers wás Franco helemaal geen dictator. Ruim 58 procent van de Vox-stemmers is het met hen eens.

Dat ideologie de visie op het Spaanse verleden kleurt, is duidelijk. Maar er is ook een praktische verklaring. Het geschiedenisonderwijs in Spanje laat veel te wensen over, zegt Fernando Hernández Sánchez, die docenten opleidt aan de Autonome Universiteit van Madrid. Elk jaar vraagt hij zijn eerstejaars wat zij op school over de twintigste eeuw geleerd hebben. Wie Franco was, weten ze nog net. Maar verder zijn ze het spoor bijster.

Hun gebrekkige kennis is kenmerkend, zegt Hernández. In een nationale peiling uit 2010 gaf een derde van de ondervraagden aan dat er onder Franco ‘meer orde en rust’ heerste dan nu. Bijna zeventig procent had weinig of geen onderwijs gekregen over de burgeroorlog. 95 procent wist Picasso’s Guernica te identificeren, maar minder dan de helft kon uitleggen dat het schilderij over de burgeroorlog ging.

Is de situatie de afgelopen negen jaar verbeterd? Hernández: ‘Integendeel, het gat van onze geschiedeniskennis wordt alleen maar groter en dieper, met alle politieke gevolgen van dien.’