De grammatica van Brad Pitt

Film is een taal die we allemaal spreken, en films en series spelen daar een spel mee.

Loneliness is a crowded room, zong Bryan Ferry ooit. Ik voelde dat in Tuschinski. De slotscène van Once Upon a Time… in Hollywood was losgebarsten. Het was het groteske geweld dat iedereen verwachtte – omdat dit een Tarantino-film is en omdat de hoofdpersonen de buren zijn van Roman Polanski en Sharon Tate, in het jaar des heren 1969, de zomer waarin Charles Mansons ‘Family’ neerdaalde op 10050 Cielo Drive om het werk van de duivel te verrichten.

Het bloed spatte, hilariteit golfde door de zaal, iedereen lachte – behalve ik, waardoor ik me afvroeg of ik de enige was die het snapte, of de enige die er niks van begreep.

The New Yorker-criticus James Wood schreef eens dat als je een boek verpest door het plot te verklappen, dat het boek al vanaf het begin door dat plot verpest was. Dat klinkt chique (Stijl is alles! Plot is ondergeschikt!) maar de juiste plottwist kan al het voorgaande in een ander perspectief zetten – kan juist de stijl suspect maken. Wat ik probeer te zeggen, omslachtig, is dat ik het zo meteen over eindes ga hebben.

Toen ik naar Once Upon a Time ging, zat ik net halverwege het tweede seizoen van Mindhunter. Ik was haast vergeten dat ik ooit het eerste seizoen had gezien – een trucje van Netflix, dat de afleveringen zo soepel in elkaar laat overlopen dat je vergeet dat je iets aan het bingen bent. Mindhunter gaat over de onderzoeksunit van de FBI die eind jaren zeventig voor het eerst seriemoordenaars begon te profileren. Je volgt twee FBI-agenten en een psychologe die moordenaars opzoeken in hun gevangenis, met ze praten, hun obsessies boekstaven en proberen overeenkomsten te vinden.

Voor een serie over gruwelijke moorden is het weinig gruwelijk. De onderzoeksunit drinkt koffie, werkt opnames uit, vliegt door het land. De psychologe zet eten neer voor een kat die zich nooit laat zien. Het geadopteerde kind van de ene agent weigert hem aan te kijken. De andere agent heeft net te grote ogen, praat met net te veel intensiteit.

Wat nu als de rol van Pitt door iemand anders was gespeeld?

Het zijn dingen die niet geduid worden, of een narratief doel dienen. Maar de kleuren van de shots en de muziek zeggen ons genoeg. Film is een taal die we allemaal spreken en Mindhunter speelt daar een spel mee. Alles lijkt geschoten met een grijze lens, de muziek bestaat uit lange, kille synthesizerklanken. Het is filmtaal die normaal wordt gebruikt om de moordenaars zelf in beeld te brengen, maar doordat elke scène zo wordt gebracht lijkt ieder personage een psychopaat, verwacht je achter elke deur een man met een keukenmes in de zondagsjurk van zijn moeder.

Once Upon a Time heeft een volkomen andere stijl, eentje rijk als water. De decors zijn glorieus, Californië is zonovergoten, de huizen zijn prachtig, de kleding extravert, op de radio klinken zoete, melancholische liedjes. Meisjes springen in de Cadillacs van mannen die ze alleen kennen van een glimlach in het voorbijgaan, overal is wel iemand een cocktail aan het maken. Als film een taal is, dan is de grammatica Brad Pitt. Hij speelt de stunt double van Rick Dalton (Leonardo DiCaprio), die halverwege een inzinking verkeert nu hij steeds minder rollen krijgt, waardoor stuntman Pitt steeds minder te stunten krijgt. Dus rijdt hij wat rond, doet klusjes voor Rick, flirt met wat hippies.

Weinig is zo aangenaam om naar te kijken als zelfvertrouwen, en in Once Upon a Time is Brad Pitt op zijn meest Brad Pitts. Zijn kaak, zijn haar, zijn trouwe hondenogen, zijn glimlachje waar zoiets uit spreekt als: ik weet iets wat jij niet weet, maar hé, man, dat is oké. Het is vreemd dat in een film waarin de vrijheid-blijheid van de jaren zestig op het punt staan om te slaan in de Helter Skelter van sektarisch geweld, het hoogtepunt komt in de vorm van Brad Pitt die een antenne repareert. Het is een scène van niks en ik zou er de hele dag naar kunnen kijken: Pitt doet een gereedschapsgordel om, stopt er een biertje in, springt in één-twee-drie katachtige sprongen op het dak, trekt zijn shirt uit en kijkt voldaan over de heuvels van Hollywood heen.

Maar tegen het einde van de film dacht ik: wat nu als de rol door iemand anders was gespeeld? Door John Malkovich of Michael Shannon? Of Nicolas Cage? Zelfde rol, zelfde scènes, zelfde tekst?

Wat zou je dan denken van een personage dat in een caravan woont, met zijn fascistisch afgerichte vechthond, over wie de roddel gaat dat hij zijn vrouw heeft vermoord? Dan zou je zijn opmerking dat de wet het zijn leven lang heeft geprobeerd, maar hem nooit te pakken heeft gekregen, omineus vinden. Dan zou je je afvragen waarom hij zo vechtgraag de confrontatie met een sinistere sekte hippies aangaat. Dan zou je het bedenkelijk vinden dat als het geweld eenmaal komt, het zo snel, zo genadeloos en zo buiten alle proporties komt.

Daarom was ik te druk met nadenken om te lachen, met de rest van de zaal. Ik vroeg me af of Tarantino je er als kijker niet inluist: door te spreken in de taal van Brad Pitt, luister je niet naar wát hij zegt.