Hoe de angst te bedwingen?

De grap begrijpen

‘Wijs de angst af’, ‘Heb elkaar lief’, lezen we in inspirational quotes op Instagram en Facebook. Zou het helpen de klimaatcatastrofe te keren? We moeten terug naar de natuur, menen sommigen. Maar die is wreed. Misschien moeten we ons niet overgeven aan de liefde, maar aan de angst?

Als de natuur iets is, is het wel een lustoord van chaos en geweld © Paolo Pellegrin / Magnum Photos / ANP

Het is een leuk idee: stel dat er een nieuwe verlosser op aarde verrijst. Hoe zouden wij daarop reageren? Wat zou hij of zij verkondigen? Zouden we het willen horen?

In de serie Messiah (2020) is zijn naam Al-Masih, predikt hij liefde en lijkt hij vooral heel veel op de oude verlosser. ‘Hij is het gewoon’, zei Ilja Leonard Pfeijffer in Zomergasten. Net als Nazmiye Oral had hij een fragment uit Messiah uitgekozen en op een of andere manier leken ze allebei geen moeite te hebben met deze nieuwe Jezus. Sterker nog, ze zetten zijn boodschap nog wat extra aan. ‘Herinner je je eigen kracht. Sta op. Wijs de angst af’, sprak Oral geïnspireerd door de serie. En: ‘Als je jezelf blootgeeft, eerlijk laat zien wie je bent, eindigt de verdeeldheid.’ Voor Pfeijffer ging het erom ‘te blijven durven om ergens in te geloven’. Zelf geloofde hij ‘dat het mogelijk is om een goed mens te zijn’.

Nu heb ik Messiah niet gezien, maar op mij kwamen deze boodschappen, excuus daarvoor, toch wat sleets over. Dat we elkaar en onszelf moeten liefhebben lees ik elke dag al op Facebook en Instagram. Net als over de kracht vanbinnen, de waarheid die alleen je hart kent, kiezen wie je wilt zijn, de moed vinden om daarvoor te vechten en met rechte rug in het leven te staan.

Geef mij maar The Leftovers (2014). Ook in deze serie begint alles met een wonder, alleen is dat er niet een van de helende soort. Op een dag verdwijnt twee procent van de wereldbevolking, 140 miljoen mensen, zomaar uit het niets, zonder reden en zonder verklaring: The Sudden Departure wordt het genoemd. Wat volgt is een drie seizoenen durend onderzoek naar de sociale, psychologische en spirituele effecten van dit gedeelde en tegelijkertijd extreem persoonlijke verlies, want iedereen verloor wel iemand. Hoe om te gaan met die pijn, de onbegrijpelijkheid en zinloosheid ervan, waar vind je dan nog hoop en houvast?

Uiteindelijk staan in The Leftovers meerdere mogelijke verlossers op. Holy Wayne bijvoorbeeld, een cultleider die beweert het verdriet uit mensen te kunnen knuffelen. En dat lukt hem ook, tegen betaling neemt hij de pijn over en voelen mensen zich in zijn armen (heel even) verlost van hun verdriet. Is hij inderdaad de messias? In de laatste momenten van zijn leven twijfelt ook Holy Wayne zelf. ‘I think I may be a fraud’, biecht hij op als hij met een schotwond in het hokje van een openbare toilet zit. Wat hij wil is een bewijs dat het echt was wat hij deed, een Laatste Oordeel als het ware, in de hoop dat er iets groters en hogers bestaat dan de mens. Maar wat hij, net als de kijker, krijgt is een universum dat niets dan stilte biedt.

Er is een scène uit The Leftovers die ik op YouTube steeds opnieuw bekijk. Een tijdje geleden mailde ik de link naar een vriendin die van haar geloof is gevallen en bezig is aan een boek over de bijbel. Ik weet niet waarom ik dat deed. In de scène zie je de hoofdpersoon, een politieagent, aan het open graf staan van een vrouw die hij even daarvoor heeft vermoord. Zijn vriend, een dominee, vraagt hem om bij het lijk een stukje uit de bijbel voor te dragen. Het is een tekst uit Job: de man die alles verloor omdat het God zo bliefde. Job wil zijn zaak bepleiten, God naar hem laten luisteren, maar waar hij ook zoekt, in het oosten, het westen, het noorden en het zuiden, hij vindt Hem niet. God laat zich niet zien en doet wat Hij wil. Job staat machteloos: ‘De Almachtige heeft mij verlamd.’ Of in het Engels in de serie: ‘The Almighty has terrified me.’

‘Waarom kijk je dit?’ vroeg de vriendin, wetende dat ik de bijbel nauwelijks ken. Ik mompelde iets over ‘mooi’, maar dat dekte niet bepaald de lading.

Het heeft te maken met die angst. Met Jobs besef dat er niets positiefs uit zijn situatie te halen valt, geen mooi verhaal over liefde of hoe een goed mens te zijn. Job ís een goed mens, de beste zelfs, maar het maakt niet uit, hij krijgt nog steeds een onvoorstelbare hoeveelheid leed over zich uitgestort, zonder reden en zonder doel.

En toch blijft Job geloven. Zelfs al is het in een macht die hem probeert te vernietigen. Het gaat om die overgave, bedacht ik uiteindelijk, daarom kijk ik die scène. Overgave aan liefde klinkt makkelijk, het is in ieder geval makkelijk gezegd, maar hoe geef je je over aan angst?

De inspirational quotes op Facebook en Instagram vertellen me dat er niets te vrezen valt maar alleen te begrijpen (Marie Curie). Dat het overwinnen van angst het begin van wijsheid is (Bertrand Russell). En dat moed is te weten wat je niet hoeft te vrezen (Plato). Aanpakken dus die handel, want angst leidt naar woede, woede naar haat en haat naar leed (Yoda).

Tegenwoordig is de angst voor God verdwenen en zijn wij onze eigen vijand geworden. Er zijn nog wel grotere krachten, maar die hebben we allemaal zelf gecreëerd. Ze zitten in onze beschaving. De dreiging komt van robots en AI. Van een toenemende polarisatie die samenlevingen dreigt te splijten en de democratie ondermijnt. En natuurlijk van het grootste gevaar van allemaal: de opwarming van de aarde, het verdwijnen van biodiversiteit en alle rampen die daarmee gepaard zullen gaan (en al gaan). Klimaatangst is tegenwoordig een reëel fenomeen. Wie eraan lijdt, kent alle cijfers, weet dat het gevaar nog veel groter is dan de meesten denken en ligt daar ’s nachts wakker van. Het voelt alsof er continu een hand om mijn keel geklemd zit, zei een vriendin.

Willen we de dreigende catastrofe afwenden, dan moet er iets veranderen. Dan moeten wij veranderen. We moeten anders naar de natuur gaan kijken, klinkt het daarom steeds vaker. Terugkeren, als het ware, naar de moederschoot. Onszelf niet meer zien als top van de voedselketen die alles gebruikt voor eigen gewin, maar als deel van een groter geheel. Dieren zien als onze gelijken. Ons in hen inleven. Luisteren naar wat niet-mensen ons kunnen leren en vertellen, schreef Eva Meijer onlangs in dit tijdschrift, walvissen en haringen bijvoorbeeld, of de zee zelf.

Waar de mens volgens deze gedachtegang eigenlijk van verlost dient te worden, is zichzelf. Van zijn eigen, benauwde perspectief en (denk)systemen. Sommigen nemen dat zelfs letterlijk, zoals de Australische filosofe Patricia MacCormack die in haar onlangs verschenen pamflet ‘The Ahuman Manifesto’ betoogt dat de mensheid zichzelf langzaam moet uitroeien door geen kinderen meer te krijgen. ‘Radical compassion’, noemt MacCormack dat, voortkomend uit liefde voor de aarde en alles wat leeft, behalve dus voor de mens zelf.

Misschien is dat wel mijn probleem met liefde, en alle oproepen daartoe: dat ze zich maar al te makkelijk richt tegen alles wat haar bedreigt en omslaat in haat, of zelfhaat in dit geval.

Het grootste virus is de mens zelf, nog zo een, vooral vaak herhaald aan het begin van de coronapandemie, vooral in links-progressieve kringen. Het beeld dat steeds weer opdoemt is de natuur als een soort tuin van Eden waar alle dieren deugen, zelfs de slang, en alleen wij, de mens, het Kwaad representeren. Het is hetzelfde beeld dat voortdurend voorbijkomt op sociale media, in filmpjes waarin een hippo beste vrienden is met een schildpad, een kip met een bok, of in die foto van een troep wolven met een verhaal erbij hoe de leider altijd achteraanloopt en de zwakke exemplaren in het midden zodat de rest hen kan beschermen, ook al is dat verhaal al tig keer ontkracht. Alsof de natuur de plek is van het Goede en het Schone. Er zit iets bijbels in, in het Oude Testament wordt het paradijs beschreven als precies zo’n plek, de wolf zal bij het schaap verkeren en de koe en de berin zullen samen weiden, et cetera, en alle zonde en decadentie bevinden zich in kleding en in de stad. Alsof de natuur iets heiligs is, en God niet zozeer verdwenen is, of gestorven, maar zich verplaatst heeft naar de natuur. De God van liefde dan, welteverstaan.

Angst vraagt niet om strijd. Er is niets om te overwinnen © Oliver Henze / Eyeem
Cultuur is niets anders dan een poging van de mens om zich los te maken van de grillen van de natuur. Het is een wapen

Ooit stond het andersom geschreven. In het oudste literaire werk dat we kennen, het Gilgamesj-epos, is het juist de menselijke cultuur die het Goede en het Schone representeert, en vormt de natuur het huis van het kwaad. Ontstaan in de 21ste eeuw voor Christus in Mesopotamië, ver voor de bijbel dus, is dit het verhaal over de tirannieke koning van de stad Oeroek, Gilgamesj, een soort Trump avant la lettre, de muur die hij wil laten bouwen (!), zijn vriendschap met de wildeman Enkidoe en zijn zoektocht naar onsterfelijkheid. Maar in feite komt het allemaal neer op een strijd tegen de natuur.

Voor zijn muur kapt Gilgamesj de cederbossen om. In die bossen woont een demon. Gilgamesj’ vriend Enkidoe, die als beest op de steppe leeft, moet ontdierlijkt worden zodat hij geen bedreiging meer vormt voor de jagers en krijgt daarom in de stad bier en brood (‘Eet het brood, Enkidoe, dat is een teken van beschaving’). Zijn lichaam wordt geschoren en gezalfd (‘Hij begon al op een mens te lijken’) en hij krijgt kleding aan. Pas dan, als Enkidoe is ondergedompeld met producten waarvoor het land bedwongen moet worden, en cultuur zo letterlijk tot zich neemt, is hij werkelijk mens geworden, zo staat er geschreven. Alleen die onsterfelijkheid lukt niet, daarin blijft de natuur het winnen, maar als het Gilgamesj-epos iets uitdraagt, is het wel dat de mens in essentie een cultureel wezen is. Hij hoort in de stad, want alleen daar is hij beschermd tegen ‘het kwaad buiten de muren’, oftewel de natuur.

En daar zit wat in. Bij gebrek aan scherpe tanden, sterke klauwen, grote spieren of een dikke vacht (weinig dieren hebben zo’n kwetsbaar lichaam als de mens), moest de oermens zijn eigen wapens maken om zich te verdedigen tegen wilde dieren, vuistbijlen en speren bijvoorbeeld: je zou ze het begin van cultuur kunnen noemen.

In feite is cultuur niets anders dan een poging van de mens om zich los te maken van de grillen van de natuur. Het is altijd al een wapen geweest. Met als eindpunt onze kledingindustrie, supermarkten en olieplatformen waarmee we ons meer dan ooit tevoren, tot voorheen, veilig konden wanen. Maar al is het een vernietigende manier van denken om de natuur enkel te beschouwen als reservoir van hulpbronnen, iets om te gebruiken in de zucht naar groter en meer of een stevigere muur, het is ook een gedachtegang die voortkomt uit angst en een meer dan terecht gevoel van onveiligheid. Aanpakken dus die handel, dacht de mens ook al voor Instagram.

Want zo lieflijk is de natuur natuurlijk niet, en de dieren daarin deugen allesbehalve. Om maar een voorbeeld te noemen, omdat ik (als stadsmens) het zo graag vertel: wist je dat er killerwespen bestaan, bijna zo groot als je hand, die hun eitjes in levende vogelspinnen leggen en dat de spinnen pas sterven als de larven toe zijn aan de hersenen? Of neem otters, die wollige beestjes die zo lief elkaars hand vasthouden als ze in het water in slaap vallen zodat ze niet wegdrijven van elkaar, je hebt de foto’s vast weleens voorbij zien komen op sociale media met een mooie tekst erbij. Diezelfde otters verkrachten en vermoorden baby-zeehonden.

Als de natuur iets is, is het wel een lustoord van chaos, wreedheid en geweld waarin de mens, ware het niet voor zijn cultuur, het onherroepelijk zou hebben afgelegd tegen krachten die veel groter en sterker zijn dan hij.

Uiteindelijk is het misschien allemaal wel dezelfde angst. De angst voor de natuur werd de angst voor God en was altijd al de angst voor het onbegrijpelijke, het onverklaarbare en het zinloze.

Zoals ik die scène uit The Leftovers steeds weer bekijk, zo denk ik nog veel vaker aan een essay dat vorig jaar in De Groene stond, geschreven door Barbara Ehrenreich: ‘Hier zijn wij, wezens zoals jullie’, over de grottekeningen die tienduizenden jaren geleden overal ter wereld door onze voorouders werden gemaakt (de oudste tekeningen zijn gevonden in Indonesië en 44.000 jaar oud).

De beelden zijn bekend. Het zijn de silhouetten van handafdrukken op oker, abstracte patronen met stippen en gearceerde lijnen, en enorme dieren, vooral die, getekend met een enorme aandacht voor hun koppen en spieren. Maar waar zijn de mensen? Als ze al zijn afgebeeld, wat meestal niet het geval is, dan staan ze ergens aan de rand van het paneel en zijn het een soort hulpeloze harkepoppetjes zonder gezicht. Zo gedetailleerd als de dieren zijn getekend, zo onbehouwen en simpel is dat bij de mens gebeurd.

Vanwaar dit verschil? Wat verkondigen deze afbeeldingen? En zouden we het willen horen?

De ruimte ontbreekt om Ehrenreichs stuk hier samen te vatten, lees het vooral zelf, mijn wereld was daarna niet meer hetzelfde, maar wat ze betoogt is dat de grottekeningen bovenal een uiting van nederigheid waren. Dat de mens werd afgebeeld als ‘pathetisch zwak’, gezichtsloos bovendien, moeten we zien als spot. Een manier om de mens op zijn rechtmatige plek te wijzen, namelijk ergens onder aan de voedselketen, waar de oermens zich zonder scherpe tanden, sterke klauwen en grote spieren ook bevond.

Het is een vorm van humor, schrijft Ehrenreich, die volgens antropologen ook teruggevonden is bij resterende jager-verzamelaarsamenlevingen, bedoeld om het ego te beteugelen. Dit waren egalitaire samenlevingen, waarin opscheppers moesten worden ingedamd, ‘want op een dag zal zijn trots ervoor zorgen dat hij iemand vermoordt’. Pas met de uitvinding van de landbouw, zo’n 10.000 jaar voor Christus, veranderde dat. De mens vestigde zich op vaste plekken, maakte bier en brood, het concept van eigendom kwam op. De samenleving raakte verdeeld in klassen, er werden muren gebouwd, opscheppers als Gilgamesj bestegen de troon. En de mensheid kreeg een gezicht. Aanvankelijk lieten alleenheersers en helden zich afbeelden, later volgde de bourgeoisie, tot aan de 21ste eeuw: ‘In onze tijd kan iedereen die zich een smartphone kan veroorloven zijn of haar eigen beeltenis verspreiden, zijn of haar vluchtigste gedachten “delen” op de sociale media, en zijn of haar unieke “merk” aanprijzen’, schrijft Ehrenreich. En: ‘Het narcisme is gedemocratiseerd.’

Het is de neiging om jezelf overal als middelpunt van te zien, om te denken dat je alles kunt begrijpen en beheersen, de arrogantie ook om te prediken, over liefde bijvoorbeeld, of de noodzaak om te luisteren en je in te leven, om het vreemde niet vreemd te willen laten zijn. Alsof wij ooit kunnen begrijpen hoe is om een ander mens te zijn, laat staan een walvis of vogelspin waarvan de hersenen pas als laatste worden opgesoupeerd.

‘Ik vermoed dat we de komende massa-uitsterving niet zullen overleven tenzij we eindelijk de grap begrijpen’, besluit Ehrenreich haar stuk. Het is die ene zin waar ik steeds weer aan denk, als ik gehaast op de fiets door de stad rijd, de afwas doe of kijk hoe mijn zoontje van vijf de glijbaan afroetsjt. Wat is de grap?

‘I want to believe I’m not surrounded by the abandoned ruin of a dead civilization’, zegt Nora, de vrouw die in The Leftovers als een moderne Job alles verloren is. Wat ze zoekt is iets om zich aan vast te klampen, iets groters en hogers dan zij, ook al is het alleen in de vorm van een verhaal. De grap is alleen dat hetgeen ons ooit bescherming bood, beschaving, haar functie niet meer vervult. Het is niet zozeer de natuur waarmee we het contact zijn verloren, lijkt The Leftovers te zeggen, als wel de cultuur en de verhalen waaruit ze bestaat. De verhalen die we elkaar vertellen om de angst voor het onbegrijpelijke, het onverklaarbare en het zinloze te bedwingen.

Want de grap is natuurlijk ook dat de natuur, en onze planeet, het wel overleeft. Ze was er al miljoenen jaren voor ons en zal er ook nog lang na ons zijn, met nieuwe soorten en een nieuwe begroeiing. Hoe dan ook zal ze altijd machtiger zijn dan wij, of we dat nu erkennen of niet.

Of misschien is de grap wel dit: dat mijn zoontje al sinds zijn geboorte doodsbang is voor de zee. Alsof hij er inderdaad naar luistert. Elke lente en zomer, als we afreizen naar Terschelling, krijgen we hem er met geen mogelijkheid in. Ergens tussen paal 9 en 10, de plek waar we altijd naartoe gaan omdat het er zo lekker rustig is, klampt hij zich aan me vast, trekt zijn benen op, weg van het water, soms krijsend, soms zwijgend, terwijl we allebei zweten in de zon. Ik vertel hem dat hij niet bang hoeft te zijn, dat hij zijn angsten moet confronteren, ik herinner hem aan Jay en Lloyd en al die andere legopoppetjes uit zijn lievelingsserie Ninjago, wees als een ninja, vertel ik hem, recht je rug, ga de uitdaging aan, ik word een wandelende Instagram-post, maar het helpt allemaal niets. ‘Het is te groot’, is het enige wat hij zegt sinds hij kan praten. En hij heeft gelijk. Deze angst vraagt niet om handelen, niet om strijd of een oplossing, er is niets om te overwinnen. Op dat genadeloos lege strand, gelegen aan een eindeloze zee, biedt alleen een verlaten badhanddoek hem iets wat op verlossing lijkt.