Boekenweek: Het typisch Nederlandse in onze literatuur

De Great Dutch Novel

Het Boekenweekthema is reizen, maar Nederlandse romanhelden blijven liever binnen. De romans van jongere Amerikaanse schrijvers hebben excentriekelingen als hoofdpersoon: hoogbegaafden, kluizenaars en fantasten. Hollandse helden zijn vooral gewoon, en passief. Ook in de Grote Nederlandse Roman.

Medium hh 17643958

Volgende maand verschijnt Bonita Avenue in Engelse vertaling – het blijft gewoon Bonita Avenue heten, net zo makkelijk. U kunt auteur Peter Buwalda horen spreken bij Waterstone’s aan Piccadilly, de grootste, meest all inclusive boekhandel van het Verenigd Koninkrijk, een boekenpaleis om in rond te lopen waar je, als je goed zoekt, misschien een handjevol Nederlandse romans zult aantreffen.

In zekere zin vindt Bonita Avenue daarmee zijn lotsbestemming: vanaf het moment van verschijning in Nederland, in 2010, verkondigde Buwalda dat hij zijn roman geënt had op de grote Amerikaanse romans van de twintigste eeuw. Zelf noemde hij vooral Philip Roth, als je het boek leest denk je eerder aan Tom Wolfe. Grote personages die grote dingen ondernemen. De grootste van allemaal is Siem Sigerius, een wiskundige judoka, of judoënde wiskundige. Winnaar van de Fields Medal, rector magnificus van Tubantia University, de kleine campusuniversiteit in de bossen tussen Hengelo en Enschede, die onder het door testosteron gedreven bewind van Sigerius de ambitie kreeg de beste onderzoeksuniversiteit van Nederland te worden. Hybris laat niet lang op zich wachten.

Zoals de traditie van Wolfe betaamt wordt Sigerius gekenmerkt door uiterlijkheden, of zo wordt hij in ieder geval aan de lezer voorgesteld, aan de hand van twee lichaamsdelen: zijn oren en zijn geslacht. De oren krijgen de meeste aandacht, twee kleine bloemkooloren, waaruit de verteller meteen kan afleiden dat Sigerius een judoka is. ‘Je kreeg ze van mouwen van ruig katoen die er almaar langs schuurden, door de schelpen steeds weer te laten opfrommelen tussen harde lichamen en ruwe matten, er hoopten zich bloed en pus op tussen het kraakbeen en de babyzachte huid (…) Je moest zo’n kropoor verdienen, er verdwenen manjaren in.’

Het geslacht komt er minder bloemrijk geëtaleerd vanaf. Sigerius’ schoonzoon maakte lang voordat ze elkaar leerden kennen een foto van hem bij de Varsity-roeiwedstrijd, die iconisch werd. Naar goed corporaal gebruik dook Sigerius met alleen een das om het Amsterdam-Rijnkanaal in om de winst van zijn roeiteam te vieren. De schoonzoon drukte af net voordat hij het water in sprong. Geslachtsdelen onder de ‘voorzichtig bollende vijftigersbuik duidelijk zichtbaar’. In no time hing de foto in elk studentencafé.

We zitten met elkaar op een te klein kluitje. Nederland is in feite één groot binnenhuisje

In zekere zin, maar dat is wel heel interpretatief, kun je van beide lichaamsdelen zeggen dat ze niet naar behoren functioneren: van het eerste dat Sigerius bloedslim is, maar niet luistert, dat wil zeggen dat hij niet genoeg oor heeft voor de ontwikkelingen in zijn gezin. Over het tweede kun je platter zijn: hij is een dweil in bed en zijn hang-up met internetporno wordt zijn ondergang.

Joost Zwagerman noemde Bonita Avenue een ‘Great Dutch Novel’, en Jeroen Vullings van Vrij Nederland ook – wie de eerste was doet er in dit geval niet toe, want er waren er nog veel meer die het boek zo noemden. Het idee hing in de lucht, gevoed door Buwalda die er in elk interview handig op bleef terugkomen en door zijn uitgeverij die het citaat gedrukt op grote posters in de boekhandel ophing, en zo was die term ineens gelanceerd: de Great Dutch Novel.

Medium lon70663

Dit is, uiteraard, een spin-off van de beroemde term ‘Great American Novel’, een eretitel die gedragen wordt door hooguit een dubbel dozijn romans die in de afgelopen anderhalve eeuw in de Verenigde Staten zijn verschenen. Mark Twain schreef ’m met The Adventures of Huckleberry Finn over het Zuiden van net na de Burgeroorlog, F. Scott Fitzgerald schreef ’m met The Great Gatsby over de jazz age in de jaren twintig, John Steinbeck met The Grapes of Wrath over de Dust Bowl in agrarisch Oklahoma tijdens de Grote Depressie, J.D. Salinger (The Catcher in the Rye), Ralph Ellison (The Invisible Man) en Saul Bellow (The Adventures of Augie March) schreven ’m allemaal op hun manier over het leven net na de oorlog – en zo is er bij elk decennium wel een titel te bedenken. Onder Amerikaanse critici en letterkundigen bestaat losse consensus over welke titels erbij horen en welke niet, er zijn geen officiële richtlijnen, er is geen ceremonie op het Witte Huis. Melville’s Moby-Dick (1851) is onvergelijkbaar met DeLillo’s Underworld (1997) en toch dragen beide het etiket. Sommige van de boeken werden bij verschijning niet eens direct opgepikt als zijnde een Grote Amerikaanse Roman maar zijn door de jaren heen steeds belangrijker geworden, maar voor alle titels geldt dat ze toetsstenen zijn voor hun generatie, dat ze heel nadrukkelijk een zedenschets zijn van een tijd en een plek, dat ze zich afspelen in een ontwikkeling van de geschiedenis die de ronkende identiteit van de VS vormt.

Als dit de criteria zijn, dan kun je bedenken dat het adjectief ‘American’ inderdaad te vervangen is door ‘Dutch’, of wat dat betreft ‘German’ of ‘Icelandic’. Wat je dan over het hoofd ziet is dat het gaat om de ‘American Novel’, wat een heel andere diersoort is dan de ‘Dutch Novel’. ‘American’ is geen adjectief, maar een essentieel onderdeel van de ‘Novel’. De ‘American Novel’ is direct verbonden aan de Amerikaanse droom en aan de verwerking van de nationale geschiedenis die in de VS altijd met horten en stoten verloopt. Anders gezegd: in de Great American Novel spelen dingen die in de Nederlandse cultuur niet spelen.

In Nederland heerst de Amerikaanse droom niet, net zoals de nationale geschiedenis hier niet bepaald een doorslaggevend vraagstuk is. Buwalda haalde Amerika naar hier: Siem Sigerius zou inderdaad zo in de VS kunnen passen, een land dat de ziel van de man afmeet aan waar hij vandaan komt en hoe ver hij gekomen is. Dat is de Amerikaanse droom, dat is de illusie die in literatuur, én film én kunst steeds opnieuw aan de werkelijkheid wordt getoetst. In Nederland is dat nadrukkelijk niet de toetssteen van de nationale identiteit. Simpel gezegd: ongeacht de baan van je ouders kun je naar dezelfde middelbare scholen als iedereen en als je daar een beetje je best doet, kun je naar dezelfde hogescholen of universiteiten, met nog wat studiefinanciering van het rijk mee. Het klassendenken is in Nederland veel minder uitgesproken, de elites zijn veel toegankelijker. Dat Siem Sigerius het vanuit een slechte buurt in Utrecht schopt tot een begeerde woonboerderij net buiten ‘zijn’ universiteit zou in de VS een karakteristiek verhaal zijn, in Nederland is het dat niet. Sigerius is een Amerikaans personage, geen Nederlands.

Daar komt bij dat de Great American Novel bijna altijd een sociologische dwarsdoorsnede is van het decennium waarin hij zich afspeelt – The Great Gatsby is net zo emblematisch voor de jazz age als de charleston dat was, Fitzgerald hield de aspiraties van de opkomende nouveau riche tegen de lamp zoals je die alleen in een stad als New York had. Voor een dergelijke focus gaat Bonita Avenue over te veel verschillende dingen en zijn de personages te zeer eenlingen die hun eigen pursuit of happiness beleven. Het wiskundige werk van Sigerius heeft niets te maken met de internetporno waar zijn stiefdochter zich in stort – en waar je kunt zeggen dat internetporno misschien nog wel iets exemplarisch heeft voor het jaar 2000 (waarin de roman zich afspeelt), beide vakgebieden zijn niet bepaald typisch Nederlands, zoals de Grote Historische Gebeurtenis van het boek (de vuurwerkramp in Enschede) niet bepalend was voor het eerste decennium.

Dit alles niet om Bonita Avenue weg te zetten – het boek staat op zichzelf met of zonder zo’n etiket – maar het illustreert duidelijk hoezeer Amerikaanse en Nederlandse cultuur én literatuur van elkaar verschillen. Wat maakt een Nederlandse roman dan wel typisch Nederlands? Of als je het breder wilt trekken: wat is typisch Nederlands? Koningin Máxima merkte een aantal jaar terug, veelbesproken, op dat de Nederlandse identiteit niet bestaat – of dat zij hem in ieder geval niet heeft gevonden. Het moeilijke van de Nederlandse identiteit is dat die heel erg is gevormd door wat we niet zijn: niet zo luidruchtig als de Duitsers, niet zo arrogant als de Fransen, niet zo stijf als de Britten of zo los als de Vlamingen. En toch is het een herkenbaar iets ook zonder de buurlanden erbij te nemen, een gevoel dat je besluipt als je aan de andere kant van de wereld een restaurant binnenloopt en zonder een woord op te vangen in een oogopslag ziet dat het gezin twee tafels verderop Nederlands is. (Zelf denk ik altijd dat het aan het gebit ligt: Nederlanders hebben lange tanden, die allemaal perfect georthodontiseerd in dezelfde ronde hoefijzervorm staan.)

In veel Nederlandse romans is de vraag wat er opgelost moet worden het enige wat opgelost moet worden

In zijn essay Het onontkoombaar eigene van de Nederlandse literatuur suggereert schrijver en Parool-_criticus Arie Storm dat misschien wel niets zo Nederlands is als de bus. ‘In _De kellner en de levenden van Vestdijk worden twaalf flatgebouwbewoners met een touringcar regelrecht weggebracht naar iets wat toch wel veel weg heeft van het Laatste Oordeel.’ Terwijl er buiten allerlei al dan niet fantastische dingen plaatsvinden, is iedereen in de bus vooral met elkaar bezig, op een gezellige manier. Storm komt tot de conclusie dat ‘het interieur’, het naar binnen kijken, karakteristiek Nederlands is, van Frits van Egters’ muffe zolderkamer in De avonden tot de ‘onderwaterkamer’ van Simon Prins in Joost Zwagermans Vals licht.

Ook dit sluit aan bij een algemener idee over de Nederlandse identiteit: dat die gevormd wordt door een gebrek aan natuur, aan landschap. We zitten met elkaar op een te klein kluitje. Onze buren zijn dichterbij dan we zouden willen – Nederland is in feite één groot binnenhuisje. Het interessante is wanneer je dit doorvoert naar romans die zich eens wél in de buitenlucht van de wijde provincies afspelen – Boven is het stil van Gerbrand Bakker bijvoorbeeld, of Pier en oceaan van Oek de Jong –, dat zelfs in die romans de personages zich niet los weten te worstelen van hun naasten. Op het prachtige omslag van Boven is het stil staat een geweldig vergezicht van koeien die in oneindig laagland lijken te verdwijnen, en toch is de roman een claustrofobisch verhaal: boer Helmer heeft zijn vader ‘naar boven gedaan’ zodat hij het huis voor zichzelf heeft, maar de goedbedoelende buurvrouw vindt hij te opdringerig en zijn jonge logees laten hem nooit alleen. Mensen komen te dichtbij.

Om de vraag wat Nederlandse literatuur Nederlands maakt te beantwoorden hoef je het niet eens over vorm te hebben, al kun je natuurlijk zeggen dat de Nederlandse literatuur nooit het postmodernisme heeft meegemaakt zoals dat in Frankrijk en de VS zo prominent is (geweest). De Nederlandse literatuur is realistisch, geloofwaardig, de verhalen zijn niet per se klein maar lijken op een bepaalde manier onaangeraakt door de geschiedenis. De Oorlog is er wel, het enige onderwerp waarmee de Nederlandse literatuur nog steeds sterk geëngageerd is, maar dat onderwerp wordt meestal passief beleefd. Nederlandse literatuur is die van Anton Steenwijk, die in De aanslag een doodgeschoten nsb’er op zijn stoep krijgt gelegd. De Nederlandse literatuur is niet die van de verzetslieden die hem van zijn fiets af schoten.

Wanneer je naar de romanhelden kijkt valt meteen iets op – van Anton Steenwijk is het geen heel grote stap naar Henri Osewoudt, die in De donkere kamer van Damokles vanaf de zijlijn verlekkerd toekijkt hoe de actieman Dorbeck zijn avonturen beleeft, en van Osewoudt is het geen grote stap naar Frits van Egters, al voegde Gerard Reve een meer cynische toon toe waarmee de niksigheid van het leven in zijn algemeenheid werd neergezet. Het zijn drie hoofdpersonen uit drie romans die zonder meer als Great Dutch Novels gezien kunnen worden, drie personages wier passiviteit op verschillende manieren tot stand komt, die verschillende achtergronden hebben, maar toch is hun onmacht actief deel te nemen aan hun leven, vat te krijgen op de factoren die dat leven beïnvloeden, iets wat je alleen in zo’n overvloed in de Nederlandse literatuur tegenkomt. Wanneer je zo verder kijkt zijn zelfs de personages van Arnon Grunberg, of ze nu Zwitsers, Oostenrijks of Amerikaans zijn, typische Nederlandse romanhelden: ze ondergaan passief hun eigen ondergang die vanaf de eerste bladzijde als een ijsberg op ze af komt, zonder een moment het idee te hebben dat ze het roer moeten of kunnen omgooien.

Hetzelfde geldt voor een jongere generatie Nederlandse romanhelden: Franca Treurs Elenoor in De woongroep, Maartje Wortels James Dillard in IJstijd, Merijn de Boers Marcel in De nacht. Allemaal personages die staan te wachten tot het startschot van hun leven eens een keertje klinkt, en die voorbij gaan aan het idee dat je dat startschot alleen zelf kunt geven. Vergelijk hun romanhelden eens met die van jongere Amerikaanse schrijvers. Daar tref je allemaal excentriekelingen aan, hoogbegaafden, kluizenaars en fantasten die in de romans steeds een heel specifieke situatie of (familie)geschiedenis moeten oplossen. In veel van de jongere Nederlandse romans is de vraag wat er überhaupt opgelost moet worden het enige wat opgelost moet worden.

Terug naar de Great American Novel. Het is geen toeval dat die term opkwam op het moment dat de VS hun laatste ‘frontier’ naderden en zichzelf steeds meer als eenheid gingen zien aan het einde van de negentiende eeuw. Nu is het onzin om te denken dat de verschillende auteurs vanuit patriottistische gevoelens schreven, maar als kinderen van hun tijd deelden ze een obsessie met zichzelf – wie zijn wij? Wie hoort bij ons en wie niet?

Nederlandse literatuur heeft altijd diezelfde obsessie gehad. Ook met zichzelf, maar dan in enkelvoud. Wie ben ik? Bij wie hoor ik en bij wie niet? Dat is een kleinere vraag, waardoor we misschien niet moeten denken aan de Great Dutch Novel maar de Small Dutch Novel. Het verschil tussen groot en klein is niet kwalitatief, het is het verschil tussen het interieur en het plein. Beide kunnen vol met mensen staan.


Beeld: Mark Power/Magnum/HH