De greep van de angst

Beatrice de Graaf, Theater van de angst. De strijd tegen terrorisme in Nederland, Duitsland, Italie en Amerika. € 25,-

Een file op een Autobahnn bij Stuttgart begin jaren zeventig. Klopjacht op leden van de Rote Armee Fraktion, wier grofkorrelige gezichten ons aanstaren van de affiches die overal hangen. Een laag vliegende helikopter. Tussen de auto’s politieagenten met pistoolmitrailleurs en hoge petten. Herdershonden. In de auto mijn moeder met rood aangelopen hoofd, mijn vader die quasi-nonchalant grapjes maakt: ‘Ach, ik ben weer helemaal thuis, in kamp Amersfoort.’ Op de achterbank mijn broertje en ik, huiverend genietend.
Voor niet-pubers waren het beslist grimmige beelden. Ging het in Duitsland niet weer helemaal de verkeerde kant op? Sloeg dat ordelievende volk in zijn strijd tegen het linkse terrorisme niet volledig door? Kwam de ware aard van het beestje weer boven? In Nederland werden deze vragen door velen hardop gesteld.
Overigens beperkte het terrorisme zich niet tot Duitsland en Italië, ook Nederland bleef er niet van verschoond. Toch leek de aanpak hier heel anders. Veel minder machtsvertoon van de overheid, geen massahysterie, en pas bij de tweede treinkaping werd er met fors geweld ingegrepen. Van een politiestaatachtig klimaat zoals in Duitsland, of een halve burgeroorlog zoals in Italië, waar extreem-rechtse terroristen in nauwe samenwerking met figuren uit de geheime diensten onschuldige burgers opbliezen, was in Nederland geen sprake. Maar waren de verschillen zo groot? Was de Nederlandse aanpak slimmer of juist te slap? Was Duitsland werkelijk op weg naar het Vierde Rijk?
Zoals altijd moet de tijd eerst enige afstand scheppen voordat deze vragen objectief kunnen worden onderzocht. Vandaar dat serieus onderzoek naar het terrorisme van de jaren zeventig pas de laatste jaren op gang komt, al moet hier onmiddellijk aan worden toegevoegd dat het juist recente ontwikkelingen zijn die aan het terrorismeonderzoek een grote urgentie lijken te geven. Kunnen we van de ervaringen uit de jaren zeventig iets leren met betrekking tot het moslimterrorisme van vandaag?
Veel is er de afgelopen jaren geschreven over het terrorisme dat in de jaren zeventig verschillende westerse landen in zijn greep leek te houden. In Het theater van de angst onderzoekt Beatrice de Graaf echter hoe in vier van deze landen, Nederland, Duitsland, Italië en de VS, het terrorisme werd bestreden. Zij doet dat op systematische, analytische wijze, waarbij ze zelfs niet terugschrikt voor een zekere mate van kwantificering. Doordat ze eindeloze hoeveelheden beleidsnoties en ambtelijke rapporten te lijf gaat met begrippen uit de sociale wetenschappen wordt het lezen van Het theater van de angst een tamelijk afmattende bezigheid, wat echter niets afdoet aan het feit dat we hier te maken hebben met een bijzonder informatief boek dat enkele belangrijke conclusies trekt.
Omdat de daadwerkelijke kracht die zij kunnen ontplooien beperkt is, proberen terroristen volgens De Graaf een 'theater van de angst’ te creëren, waarmee ze aan de bevolking bepaalde reacties willen ontlokken. Door de overheid te provoceren moet deze wel optreden, zodat de staat precies wordt wat hij volgens de terroristen in wezen is: onderdrukkingsapparaat. Overheden staan dus voor een duivels dilemma: terughoudend optreden leidt tot grote angst onder de bevolking en kritiek van oppositiepartijen, terwijl keihard optreden het 'gelijk’ van de terroristen bevestigt en links-liberale critici die vrezen voor een politiestaat in de kaart speelt.
Het interessante aan het boek van De Graaf is dat zij niet in de eerste plaats ingaat op de concrete successen van contraterrorismebeleid (het aantal arrestaties of verijdelde aanslagen), maar vooral op de wijze waarop de overheid de beeldvorming beïnvloedt en de relatie tussen deze zogenoemde 'performative power’ en de intensiteit van het terrorisme. Terwijl in de Verenigde Staten onder Nixon daadwerkelijke terroristen, critici van de oorlog in Vietnam en burgerrechtenactivisten als links-revolutionair tuig op één hoop werden gegooid, en in Duitsland na een aarzelend begin de staat met veel misbaar zijn spierballen liet zien, reageerde de Nederlandse overheid heel terughoudend, werden verijdelde aanslagen geheim gehouden en kregen de hoofdredacties van de dagbladen het verzoek alsjeblieft zo weinig mogelijk aandacht aan die terroristen te besteden. Door te proberen de bevolking te mobiliseren - iets wat de terroristen dus ook wilden - vertoonden Nixon en Helmuth Schmidt veel 'performative power’, terwijl Nederland juist laag scoorde.
De Graaf laat echter zien dat waar het gaat om terrorismebestrijding mobiliserings- en overtuigingskracht niet per definitie positieve begrippen zijn. Geringe 'performative power’ leidde over het algemeen sneller tot een afname van radicalisering en politiek geweld dan woeste retoriek en wapengekletter. Hoewel De Graaf zich realiseert dat de enigszins regenteske wijze waarop de Nederlandse overheid het publiek in slaap suste in het huidige, aan emotiejournalistiek verslaafde tijdsgewricht wellicht niet meer werkt, komt ze toch tot de conclusie dat Nederland toen geen gek figuur sloeg. In de VS en Duitsland werd het contraterrorismebeleid pas echt succesvol toen het overheidsapparaat zich gematigder en terughoudender ging opstellen. Hoe De Graaf denkt over de war on terror die na 11 september 2001 losbarstte, laat zich dus raden.

Beatrice de Graaf
Theater van de angst: De strijd tegen terrorisme in Nederland, Duitsland, Italië en Amerika
Boom, 394 blz., € 25,-