Wilders en de rechtsstaat

De grens over

De PVV keert zich tegen grondwetsartikelen over rechts- gelijkheid en vrijheid van godsdienst. Met een door de PVV gedoogd kabinet verlenen CDA en VVD aan deze antirechtsstatelijke doelstellingen respectabiliteit.

SOMS HERKEN JE EEN ZWARTE bladzijde op het moment dat hij geschreven wordt. Voor velen gold dat bijvoorbeeld, om ons tot de naoorlogse geschiedenis van Nederland te beperken, voor 21 juli 1947, toen de eerste zogenaamde politionele actie tegen Indonesië van start ging, en voor 11 juli 1995, de dag dat de moslimmannen werden weggevoerd uit het door Nederland ‘verdedigde’ Srebrenica.
Je hoeft geen scherpzinnig waarnemer te zijn om te constateren dat op 30 juli 2010 de eerste regels geschreven zijn van een volgende bladzijde die mogelijkerwijs heel donker gaat uitpakken. Op die vrijdagavond gaven de leiders van VVD, CDA en PVV een gezamenlijke verklaring uit waarin werd gemeld dat eerstgenoemde partijen een minderheidskabinet wilden vormen en dat de PVV het te sluiten regeerakkoord 'vanuit een gedoogpositie’ zou steunen. Over de rol die informateur Ruud Lubbers in deze heeft gespeeld is heel wat gezegd en geschreven, en ook werd er onmiddellijk gespeculeerd over de vraag welke invulling Geert Wilders aan zijn gedoogrol zou geven en of hij zijn toon zou matigen. Hoewel de PVV-leider onmiddellijk na het bekendmaken van de gedoogverklaring tegenover de pers triomfantelijk riep dat hij dus alles mocht blijven zeggen wat hij wilde, verwachten sommige mensen dat hij nu gedomesticeerd zal worden. Volgens historicus Frank Ankersmit zal Wilders moeten inbinden, waardoor zijn partij van karakter zal veranderen en 'haar ideologie [zal] veraangenamen’. Dat zou inderdaad mooi zijn, maar hoe realistisch is dit scenario?
Wat optimisten als Ankersmit vergeten is dat Wilders in de onderhandelingen het 'SP-gedeelte’ van zijn verkiezingsprogramma - het verzet tegen elke aantasting van de verzorgingsstaat - voor het overgrote deel zal moeten opgeven. Is het dan te verwachten dat hij de andere onderwerpen waarop hij bij de kiezers scoort ook nog overboord zal kieperen? Het succes van Wilders was tot nog toe gebaseerd op het voeden van angst, onvrede en rancune. Als hij dit voortaan nalaat, en weer de 'gewone’ Haagse politicus wordt die hij ooit was, zal zijn aantrekkingskracht in rap tempo verdampen.
Hoewel er over de staatsrechtelijke en machtspolitieke aspecten van het formatieproces veel te zeggen valt, heeft de kwestie ook nog een principiële kant. Deze bleef aanvankelijk nogal onderbelicht, zodat ondergetekenden in allerijl een Comité voor de Rechtsstaat hebben opgericht, dat op 3 augustus een brief aan de Tweede-Kamerleden van VVD en CDA schreef. In deze brief, die mede werd ondertekend door 74 bezorgde Nederlanders - en waaraan daarna nog meer dan honderd mensen ongevraagd hun adhesie hebben betuigd - stelden wij dat met de gedoogverklaring van de drie partijleiders een principiële grens was overschreden. Uit het verkiezingsprogramma van de PVV blijkt immers dat deze partij de grondwettelijke vrijheid van godsdienst en levensovertuiging niet op de islam wil betrekken, een heilig boek wil verbieden, belasting op hoofddoekjes wil heffen en 'de strijd tegen de islam’ tot 'het kernpunt van ons buitenlandbeleid’ wil maken. Hiermee keert de PVV zich in ieder geval - het aantasten van de onafhankelijkheid van de rechtspraak hebben we hier buiten beschouwing gelaten - tegen de artikelen 1 (rechtsgelijkheid), 6 (vrijheid van godsdienst én levensovertuiging) en 7 van de Nederlandse grondwet. Uiteraard is dit binnen ons rechtsbestel toegestaan, maar een partij die zich uitspreekt tegen dergelijke grondrechten betoont zich duidelijk een vijand van onze rechtsstaat. Tegelijkertijd geven Mark Rutte en Maxime Verhagen middels hun gedoogverklaring aan dat ze Wilders’ aanvallen op onze rechtsorde accepteren als een legitieme uiting van een gedoogpartner. Vandaar dat wij de Kamerleden van deze partijen opriepen publiekelijk afstand te nemen van dit standpunt en uit te spreken dat men elke aanval van de grondslagen van onze liberale rechtsstaat afkeurt en het onacceptabel acht wanneer een gedoogpartner zich daaraan schuldig maakt.

HOEWEL GEEN VAN de aangeschreven Kamerleden op deze brief heeft gereageerd, heeft ze wel aandacht getrokken. Naast een flink aantal adhesiebetuigingen kwam er uiteraard ook kritiek. Volgens de internethooligans van GeenStijl en soortgelijke sites was dit een van de laatste stuiptrekkingen van de Linkse Kerk, verlangden de ondertekenaars terug naar de tijd van Stalin en vormden zij de vijfde colonne van de wereldwijde jihad. In NRC Handelsblad van 6 augustus schoof hoogleraar politieke theorie Meindert Fennema het comité allerlei opvattingen in de schoenen die nergens uit de brief bleken, en in de Volkskrant van 11 augustus beweerde de jonge staatsrechtgeleerde Peter Boswijk dat wie zich in een politieke discussie beroept op de rechtsstaat deze zelfde rechtsstaat in gevaar brengt. Hiermee suggereerde de auteur dat de antirechtsstatelijke opvattingen van Wilders niet het probleem zijn, maar de mensen die daar kritiek op hebben. De eerste prijs voor Hogere Dialectiek gaat echter naar Rob de Vries, VVD-wethouder in IJsselstein, die in NRC Handelsblad van 17 augustus stelde dat de critici van Wilders hun mond moeten houden omdat de CPN in 1956 de sovjet-inval in Hongarije verdedigd heeft.
Gezien het peil van deze redeneringen was het niet vreemd dat Frits Abrahams zich, in zijn eerste NRC-column na zijn vakantie (9 augustus), afvroeg waar in dit debat de Nederlandse intellectuelen bleven. In zijn inleiding bij een reeks reacties van schrijvers en denkers in Vrij Nederland (14 augustus) contrasteert Harm Ede Botje de huidige apathie met het jaar 2000, toen in Oostenrijk de partij van Jörg Haider deel ging uitmaken van de regering en dit in Nederland enorme verontwaardiging veroorzaakte. Nu lijkt het wel of 'weldenkend’ Nederland zich voor het overgrote deel heeft neergelegd bij het gegeven dat er een kabinet komt dat politiek afhankelijk is van de PVV, die bij monde van zijn autocratisch heersende Leider door zal gaan met het beschimpen, stigmatiseren en discrimineren van 875.000 Nederlanders. Een meerderheid van de Tweede Kamer heeft hier blijkbaar geen enkel probleem mee. Zo werkt de democratie nu eenmaal, luidt een redenering die steeds vaker klinkt. 'De nadruk ligt op de meerderheid, niet langer op grondrechten’, schrijft Martin Sommer (de Volkskrant, 18 augustus). En deze ontwikkeling lijkt hem, 'na zoveel jaar hangen-en-wurgen-discussies over immigratie en integratie, alleen maar gezond’.
Terwijl er tien jaar geleden moord en brand werd geschreeuwd over het optreden van Haider in het verre Oostenrijk - en het onbegrijpelijk werd gevonden dat de koningin nog ging skiën in Lech - lijken veel Nederlandse opinion leaders het nu wel prima te vinden dat een partij die aan de Haagse onderhandelingstafel zit de haat tegen een complete bevolkingsgroep blijft aanwakkeren. Blijkbaar wordt het 'normaal’ gevonden dat in de 'gedoogverklaring’ van 30 juli reeds in de eerste zin de islam wordt genoemd. Alsof deze godsdienst het grootste probleem is waar Nederland mee wordt geconfronteerd, alsof we elk moment onder de voet kunnen worden gelopen door gewapende jihadisten die hier een theocratie willen invoeren waarin alle 'zondige’ vrouwen worden gestenigd en homoseksuelen van flatgebouwen worden gesmeten. Los van het feit dat de discussie over de vraag of de islam een religie of een politieke ideologie is staatsrechtelijk onzinnig is - een ideologie is een 'levensovertuiging’ waarvan de vrijheid in artikel 6 van onze grondwet gegarandeerd wordt - wil kritiek op Wilders natuurlijk helemaal niet zeggen dat men alle opvattingen van alle moslims onderschrijft.

ONZE VRIJHEDEN zijn ongedeeld, ze gelden voor alle burgers gelijkelijk. Ze creëren een vrije ruimte, waarin iedereen zijn opvattingen kan uiten, hoe abject die in de ogen van een ander ook zijn. Uiteraard is kritiek op de islam toegestaan. In gangbare interpretaties van deze religie komen verschillende elementen voor (in het bijzonder de positie van vrouwen en de houding tegenover homoseksuelen) die strijdig zijn met wat wel 'de kernwaarden van de moderniteit’ worden genoemd. Dat Pim Fortuyn bijvoorbeeld de islam een 'achterlijke cultuur’ noemde is dus het probleem niet, het principiële punt is dat de grondrechten van moslims niet mogen worden aangetast. Het gaat er niet om wat wij van de islam vinden, maar of wij de rechtsstaat de moeite van het verdedigen waard vinden. Een kortzichtiger redenering dan die van Martin Sommer, dat de meerderheid prevaleert boven de grondrechten, is nauwelijks denkbaar. Die meerderheid kan zich immers tegen die grondrechten keren. De rechtsstaat is geen onveranderlijk gegeven, maar een bouwwerk dat in de loop van eeuwen is ontstaan. Zij is niet 'heilig’ omdat zij ons door een 'hogere macht’ macht is gegeven, ze is iets wat wij willen bewaren. De meerderheid kan wijzigingen doorvoeren, maar dan loopt de rechtsstaat ook het risico dat zij van karakter verandert of zelfs ophoudt een rechtsstaat te zijn.

WIE KRITIEK UIT op de PVV krijgt vaak te horen dat hij of zij 1,5 miljoen kiezers niet serieus neemt en buiten wil sluiten. We kunnen ons niet herinneren dat dezelfde mensen dat riepen toen in 2006 de SP, die zelfs een zetel meer had gehaald dan Wilders nu, buiten het formatieproces werd gehouden. Bovendien: de PVV heeft 15,5 procent van de stemmen behaald, wat altijd nog betekent dat 84,5 procent niet op haar heeft gestemd. Het gaat niet om het leggen van een cordon sanitaire rond de PVV. Wel behoor je van deze partij te eisen dat zij zich onthoudt van aanvallen op de rechtsstaat. Wij geloven niet dat er in de komende regeerperiode een koranverbod en een belasting op hoofddoekjes komt, of dat islamitische Nederlanders in grote aantallen zullen worden gedeporteerd. Doordat VVD en CDA echter niet op voorhand van Wilders hebben geëist dat hij dergelijke discriminerende, stigmatiserende uitlatingen voor zich houdt en verklaart dat hij niet zozeer de letter als wel de geest van onze grondwet zal respecteren, hebben deze twee partijen aan Wilders’ antirechtsstatelijke doelstellingen een hoge mate van respectabiliteit verleend.
Hiermee hebben zij een principiële grens overschreden. Het is nu aan elk lid van VVD en CDA, en aan elke Nederlandse burger, om te beslissen of hij of zij deze grens ook wil oversteken. Als de meerderheid van de stemgerechtigde Nederlanders dat wil, kun je dat beschouwen als een triomf van de democratie. Nederland zal dan echter wel een ander land zijn geworden, een land waar je moeilijk nog trots op kunt zijn.

Jan Dirk Snel en Rob Hartmans zijn initiatiefnemers van het Comité voor de Rechtsstaat (www.comitévoorderechtsstaat.blogspot.com)