In de trein die op dondermiddag 1 december uit Krakau vertrekt met als eindbestemming Przemyśl, circa zestigduizend inwoners, zitten twee Oekraïense dames met goedgevulde boodschappentassen. Przemyśl (spreek uit: Pshemshil) ligt dicht bij de Oekraïense grens, in minder dan twee uur ben je in Lviv, tegenwoordig gaan er vanaf het grensstadje ook directe treinen naar Odesa en Kyiv. Oorlog of geen oorlog.

Op de muren van het station en in de ondergrondse doorgang zijn talloze kleine Oekraïense vlaggen geschilderd met pijltjes eronder, de Oekraïense vluchteling weet welke kant hij op moet. In maart 2022 arriveerden in Przemyśl circa vijftigduizend Oekraïense vluchtelingen per dag.

De dames, moeder en dochter, verklaren dat ze teruggaan naar Oekraïne, ik durf niet te vragen hoelang ze in Polen zijn geweest. Eigenlijk wekken ze de indruk er alleen boodschappen te hebben gedaan.

Oekraïners en Polen hebben elkaar in deze regio, die deel uitmaakte van de historische landstreek Galicië, regelmatig wederzijds uitgemoord. Aan het eind van de Eerste Wereldoorlog maakte Przemyśl even deel uit van de door vrijwel geen enkel land erkende West-Oekraïense Volksrepubliek, in november 1918 zorgden Poolse troepen ervoor dat de Oekraïense soldaten op de vlucht sloegen. Niet veel later, in 1920, trok Isaak Babel als verslaggever door het gebied rondom Przemyśl, de vijandelijkheden van de Pools-Russische oorlog beschrijvend met het weemoedige besef van de ware schrijver, alleen de stijl kan troosten, nooit de moraal. ‘Ik rouw om de bijen. Ze zijn gemarteld door de strijdende legers. In Wolynië (deel van Galicië − ag) zijn geen bijen meer.’

Tussen september 1939 en 22 juni 1941, het begin van Operatie Barbarossa, de Duitse invasie van de Sovjet-Unie, werd het stadje verdeeld onder manschappen van de Wehrmacht en het Rode Leger met de rivier de San als overzichtelijke grenslijn. Op de westelijke oever heersten de nazi’s, daar was ook het joodse getto, op de oostelijke oever lagen de Russen die hun best deden alle herinneringen aan het Poolse bestuur van de voorgaande twintig jaar uit te wissen. In hun ogen behoorde het stadje al tot de Oekraïense Republiek, die ten oosten van de San diende te verrijzen en alleen nog opgericht hoefde te worden voordat ze door de Sovjet-Unie kon worden ingelijfd.

Mijn gids in Przemyśl zegt dat het vooral vanwege de wandaden van Oekraïners tegen Polen is, of van hen wier nazaten Oekraïners zouden worden, dat de extreem-rechtse Poolse partij Konfederacja Wolność i Niepodległość (Confederatie Vrijheid en Onafhankelijkheid), die bij de laatste parlementsverkiezingen bijna zeven procent van de stemmen haalde, zich tegen ruimhartige opvang voor Oekraïense vluchtelingen keerde.

Het geheugen is als bekend selectief en die partij zal dat selectieve geheugen vast ook hebben gebruikt om de periode kort na de Tweede Wereldoorlog te verdringen, toen miljoenen mensen veelal noodgedwongen bezig waren met landverhuizen. De verschillende overwinnaars hadden multiculturalisme en diversiteit niet hoog op de agenda staan, de gedachte was dat de broze vrede het best gewaarborgd kon worden in een homogene samenleving. Vaak is de snelste weg naar homogeniteit gedwongen migratie, tegenwoordig ook genoemd etnische zuivering. Het is in die geest dat Janusz Korwin-Mikke, een van de oprichters van Konfederacja Wolność i Niepodległość, sommige immigranten ‘menselijk vuilnis’ noemt.

Juist de geschiedenis van Polen is nauw verbonden met die van de landverhuizer tegen wil en dank. Na de oorlog verdreef het Poolse leger circa 150.000 Oekraïense burgers uit het zuidoosten van Polen, ook uit Przemyśl, met als doel Oekraïens verzet tegen de Poolse overheersing in de kiem te smoren.

In een aantal Oost-Europese landen wordt de homogeniteit nog steeds vurig verafgood, vuriger dan elders. Vanuit het perspectief van het progressieve liberalisme is dat de verafgoding van het gouden kalf. Hoe vertel je de mensen dat ze een kalf aanbidden? Zelfs Mozes lukte dat niet, hij moest in woede ontsteken, de stenen tafelen kapot gooien en daarna had hij de hulp nodig van God die het volk als straf veertig jaar door de woestijn liet zwerven.

De bijbel leert dat een vlucht veertig jaar kan duren en dat de leider van de vluchtelingen kan sterven voor hij het land van aankomst, het beloofde land van melk en honing, bereikt. Mozes stierf terwijl hij de belofte in de verte zag liggen. Voor zover Janusz Korwin-Mikke zichzelf als Mozes ziet is het de vraag welke belofte hij in de verte ziet liggen. Een gezuiverd Polen?

Dat na de slachtpartijen van de Tweede Wereldoorlog miljoenen mensen bezig waren zich elders te vestigen kwam vooral ook doordat Polen van plaats veranderde. Het verloor grondgebied in het oosten en kreeg er in het westen Duits grondgebied bij. De steeds weer veranderende grenzen zijn vluchtelingen op zich, of gelden als metafoor voor de vluchteling. Niet alleen de mens en het dier vluchten, soms vlucht de grens mee.

De beroemde uitspraak van Angela Merkel uit 2015 over Syrische vluchtelingen, ‘wir schaffen das’, moet begrepen worden in deze context, die misschien het meest een Duitse context is. Vanaf 1944 tot 1950 waren miljoenen Duitsers op de vlucht, uit het oosten van Europa westwaarts, vóór het Rode Leger uit, dikwijls ook erachteraan. Naar schatting kwamen in totaal zo’n zeshonderdduizend van deze uitgewaaierde Duitsers tijdens de vlucht c.q. de gedwongen volksverhuizing om het leven. De overlevenden vonden veelal onderdak in de ddr en West-Duitsland. Dat de vluchtelingen meestal Duits spraken zal hebben geholpen bij de inburgering, maar voor een inwoner van Dortmund moet een Duitser uit Breslau, tegenwoordig Wroclaw, vooral een vluchteling zijn geweest.

Sommigen van die Duitse vluchtelingen verenigden zich kort na de Tweede Wereldoorlog in een Bund für Heimatvertriebenen. Zoals de naam al aangeeft had die vereniging een ietwat reactionair karakter, niet alleen omdat veel verdrevenen enthousiast nazi waren geweest, maar ook omdat heimwee naar de oude Heimat bleef voortbestaan. Het Duitsland van 1947 was niet de plaats om moeilijk te doen over vluchtelingen, zeker niet vanwege het besef zelf medeverantwoordelijk te zijn voor die gigantische stroom landverhuizers. En de leiders van het nieuwe Duitsland beseften goed dat Köningsberg niet meer Duits zou worden en Breslau vermoedelijk evenmin. Dan moet je tegen de vluchteling zeggen: ‘Oude Heimat voor altijd voorbij. Hier is nieuwe Heimat, veel geluk en veel plezier.’ Soms werd er als gezegd tegengestribbeld, tegenstribbelen heet tegenwoordig biculturele identiteit, in Amerika heette dat lang hyphenated identity, in Duitsland heette het na de oorlog Bund für Heimatvertriebenen.

Vroeg of laat wordt de oude Heimat een imaginaire Heimat, daarmee wordt misschien ook identiteit imaginair. Het is moeilijk te zeggen wat pijnlijker is, te blijven verlangen naar het imaginaire of te zwichten voor het realiteitsprincipe. De grenzen vluchten als gezegd mee. Deze lekkende kraan, deze wc die blijft lopen, deze kijvende buurvrouw, dit is nu mijn Heimat. Als ik hier niet thuis ben, waar dan wel? Wat de oude vraag oproept, hoeveel Heimat heb je eigenlijk nodig?

Nu zijn de meeste grenzen, in Europa althans, tot rust gekomen. Men spreekt van stabiele grenzen, zo stabiel zelfs dat de EU het concept van buitengrens kon omarmen. Om in de woorden van talloze politici te blijven: zij die hier niets te zoeken hebben worden daar gescheiden van hen die hier wel iets te zoeken hebben. Maar als de Europese geschiedenis één ding duidelijk maakt, en Merkel is altijd doordrongen geweest van deze geschiedenis, dan is het wel hoe veranderlijk de plek is die je thuis mag noemen. Waar gisteren Heimat was, heb je vandaag niets meer te zoeken.

Kuznica, Polen. De grens tussen Polen en Belarus © Irek Dorozanski / Polish Ministry of National Defence via Getty Images

Przemyśl is niet alleen een belangrijke doorgangsplek voor Oekraïners, in dit stadje bevindt zich tevens een van de zogenoemde closed camps voor vluchtelingen die van elders komen. Ook in Polen is het verschil in opvang tussen Oekraïense vluchtelingen en niet-Oekraïense vluchtelingen groot.

Als vergeldingsactie voor de sancties van de EU, en vermoedelijk met toestemming van Poetin, laat de Belarussische president Loekasjenko sinds de zomer van 2021 potentiële vluchtelingen visumvrij naar Minsk vliegen om ze vervolgens richting Polen, Letland en Litouwen te duwen (hard duwen is nauwelijks nodig, dat Belarus niet het land van melk en honing is ontdek je snel). De route bestond al voor de zomer van 2021, maar werd nauwelijks gebruikt. Het is moeilijk na te gaan hoeveel vluchtelingen sinds de zomer van 2021 via Belarus in de EU zijn beland, vooral omdat een en dezelfde vluchteling, vanwege de pushbacks, de grens meerdere malen kan zijn gepasseerd. Een artikel in The Washington Post geeft een indicatie. Vóór 2021 kwamen er per jaar circa zeventig mensen illegaal vanuit Belarus Litouwen binnen. Alleen al in de maand juli van 2021 waren er dat circa 2600. Een nog betere indicatie geven deze officiële Poolse cijfers: tussen augustus 2021 en december 2022 zijn 50.668 vreemdelingen door Polen teruggestuurd naar Belarus (pushback). Waarbij wederom goed mogelijk is dat een en dezelfde vreemdeling meerdere malen teruggestuurd is naar Belarus.

Zo werd Polen, met dank aan Loekasjenko, een land waar veel vluchtelingen de EU betreden, oftewel een land van first entry. Geen land wil dat zijn, want volgens het zwaargewonde om niet te zeggen bijna comateuze akkoord van Dublin moet daar de asielaanvraag worden ingediend. Polen, waar een regering aan het roer staat onder leiding van de PiS (Recht en Rechtvaardigheid), ziet in homogeniteit meer dan een gouden kalf en reageerde snel. Er werd een muur gebouwd tussen Polen en Belarus, grote delen van die grens zijn nu betrekkelijk goed afgesloten. De muur is 186 kilometer lang en vijfenhalve meter hoog, om het zekere voor het onzekere te nemen zit er ook prikkeldraad op. De bouw ervan begon op 25 januari 2022 en werd op 30 juni 2022 afgerond. Kosten: 353 miljoen euro.

Men had aan de ddr en het IJzeren Gordijn in het algemeen kunnen denken, vroeger mocht je er niet uit, nu mag je er niet in, maar niemand denkt aan de ddr. Soms is denken te pijnlijk of het geheugen te kortstondig.

Ook nam het Poolse parlement op 14 oktober 2021 een wet aan die de grenspolitie de bevoegdheid gaf asielaanvragen ter plekke af te wijzen, feitelijk een legalisering van de zogenoemde pushback. Vóór de vreemdeling om internationale bescherming kan vragen heeft de grenswacht de vreemdeling alweer over de grens geduwd. ‘Hier geen Heimat, vreemdeling, Heimat elders.’

Het closed camp bevindt zich op vijf minuten loopafstand van het centrum van Przemyśl. Een journalist van The New York Times noemde Przemyśl in het voorjaar van 2022 een prachtig stadje met een gefortificeerd kasteel, een barokke kerk en een winkel met heerlijke donuts waar Amerikaanse soldaten van smulden. Op vrijdag 2 december 2022 zijn er geen Amerikaanse soldaten te zien en het stadje maakt onder de laaghangende bewolking een sombere indruk.

De gevangenis is niet toegankelijk voor journalisten, maar ik ben medewerker van de ngo van Joanna Sarnecka. Zij is antropoloog en kunstenaar, sinds het begin van de vluchtelingencrisis houdt ze zich voornamelijk bezig met asielzoekers. Ze heeft me in contact gebracht met twee vluchtelingen in detentie die redelijk Engels spreken, naast journalisten houdt de gevangenis ook tolken buiten de deur. De vluchtelingen hebben mij schriftelijk toestemming gegeven om met hen te spreken en zij weten ook dat ik over hen zal schrijven.

Van buiten lijkt de gevangenis op een postkantoor. Op een bord onder de Poolse vlag staat in grote letters Biuro Przepustek, wat wil zeggen: loket voor afgifte van pasjes. Hier kan de bezoeker zijn entreebiljet krijgen voor toegang tot het gesloten kamp.

Achter een balie zit een ongewapende maar geüniformeerde dame. Ik overhandig haar mijn paspoort en de getekende machtiging om in gesprek te gaan met meneer Nazaar. Na ongeveer vijf minuten neemt een lid van de grenspolitie, eveneens zonder wapen, mij mee. Achter het postkantoorachtige gedeelte bevindt zich een binnenplaats en daar weer achter gebouwen die vaag aan stenen barakken doen denken, daaromheen muren met prikkeldraad. Maar alles discreet gedaan. Een verborgen wereld achter een zo onschuldige façade. Ik kan me voorstellen dat dit vroeger een militaire kazerne was.

Eenmaal binnen is er weer een loket. De Poolse grenspolitie hier spreekt niet of nauwelijks Engels of veinst geen Engels te spreken. Kafka zegt over Mozes dat hij het beloofde land niet alleen niet bereikte omdat zijn leven te kort was, maar omdat het een mensenleven was. Ik hoef uiteindelijk niet lang te wachten, wel moet ik mijn tas en mijn paspoort in een kast doen die op slot wordt gedaan. Het leven in het detentiecentrum is een lange opsluiting die bestaat uit een reeks kleine opsluitingen. Maar ik ben in de beloofde kamer.

In die kamer waar ik met meneer Nazaar zal spreken staat een computer, duidelijk bedoeld voor gedetineerden die met familieleden of advocaten willen beeldbellen (smartphones zijn hier officieel verboden).

Nazaar wordt binnengeleid. Hij heeft een snor en een baard en draagt een trainingspak. Voor iemand die al zestien maanden in detentie zit en officieel wacht op uitzetting ziet hij er vrolijk uit. De deur wordt op slot gedaan. De binnenkant van de deur bevat een raam met spiegelend glas, wij kunnen onszelf zien, ik vermoed dat men ons aan de andere kant, mochten ze dat willen, ook kan zien. Nazaar gaat tegenover me aan tafel zitten. Water is er niet.

‘Laten we beginnen’, zeg ik. We hebben anderhalf uur gekregen.

Nazaar vertelt dat hij 25 is en in Bagdad in een soennitische familie is geboren. Augustus 2021 is hij naar Minsk gevlogen, als toerist. De reis kostte 740 dollar. Een paar dagen verbleef hij in Belarus, toen probeerde hij Litouwen te bereiken, maar de Litouwse grenspolitie duwde hem terug.

Er waren meer mensen zoals hij in Minsk. ‘Na weer een paar dagen Minsk’, zegt hij, ‘zijn we met een man of tachtig in zestien taxi’s naar de grens met Polen gereden. De grenspolitie van Belarus zei: “Wacht tot het nacht is, dan laten we jullie erdoor.” We deelden ons op in groepjes van veertien of vijftien man en toen gingen we het bos in. We hadden niets bij ons. Zo zijn we de grens overgestoken. Maar de Poolse grenspolitie stopte ons in auto’s en reed ons terug naar Belarus.’

‘Vroeg u om internationale bescherming?’ vraag ik.

‘Ze spraken geen Engels’, zegt Nazaar.

Hoe veranderlijk is de plek die je thuis mag noemen. Waar gisteren Heimat was, heb je vandaag niets meer te zoeken

‘Officieel mag dat terugsturen niet.’

Nazaar haalt zijn schouders op. ‘We zijn in Polen’, zegt hij. ‘Hier mag alles. Moslims en zwarten zijn voor de Polen geen mensen, het racisme zit in hun bloed.’ Hij laat zijn armen zien. Alsof hij wil laten zien waar het racistische bloed bij de Pool stroomt.

‘Uiteindelijk vroeg u in Polen asiel aan’, zeg ik, het Poolse bloed laten we even voor wat het is.

‘Ik heb twee keer asiel aangevraagd. Ik had een advocaat, maar nu doe ik alles zelf. Aan een advocaat heb je niets.’

‘Twee keer? U bedoelt dat u in beroep bent gegaan?’

‘Ik ben twee keer afgewezen’, zegt Nazaar. ‘Eigenlijk ben ik homoseksueel. En wilde ik naar Duitsland of Nederland. Maar ik wist dat ze in Polen niets van homo’s moeten hebben dus heb ik gezegd dat ik mee heb gedaan aan de protesten en daarom mijn leven niet meer zeker ben in Irak.’ Tussen 2019 en 2021 is in Irak met regelmaat en door diverse groeperingen tegen de regering geprotesteerd. Bij die protesten en de daaruit voortvloeiende onlusten zijn honderden mensen om het leven gekomen.

‘U zit hier nu vast omdat u eigenlijk uitgezet zou moeten worden’, zeg ik. Volgens de Poolse regels kun je iemand die uitgezet moet worden achttien maanden in gesloten detentie houden, boven op de zes maanden die je doorgaans in gesloten detentie zit tijdens de asielaanvraag.

‘Ze kunnen me niet naar Irak deporteren’, zegt Nazaar, ‘daar zijn ze mee gestopt. Twee Koerdische vrienden zijn uitgezet, omdat ze tegen hen hadden gezegd: “Als je niet zelf het vliegtuig in gaat slaan we je het vliegtuig in.” Een vriend van mij weigerde, een Irakees. Ze sloegen hem en braken zijn hand. Daarna brachten ze hem naar de dokter. Toen hij daar klaar was sloegen ze hem in de auto nog een keer en ze reden hem naar een andere dokter. Toen die hem had behandeld sloegen ze hem nog een keer. Dankzij hem worden er geen mensen meer naar Irak uitgezet.’

Dankzij hem? Bedoelt hij dat de Poolse grenspolitie het breken van handen van vluchtelingen die moeten worden uitgezet niet efficiënt vindt en dat men daarom gestopt is met het uitzetten van die specifieke groep vluchtelingen?

Nazaar gaat hier verder niet op in. ‘Ze zouden me maar wat graag deporteren’, zegt hij alleen. ‘Ze zouden niets liever willen dan dat ik erom vroeg.’

De nieuwe prikkeldraad grens tussen Polen en de Russische exclave Kaliningrad, 5 november 2022 in Wisztyniec, Polen © Omar Marques / Anadolu Agency via Getty Images

Volgens Amnesty is het inderdaad voorgekomen dat vluchtelingen door de Poolse grenspolitie voor de uitzetting met stroomstootwapens zijn bewerkt, in een enkel geval werd de vluchteling verdoofd, niet tegen de pijn, maar om haar het vliegtuig in te krijgen. Bij gedwongen uitzettingen in Nederland gebruikt de Koninklijke Marechaussee in dergelijke gevallen een zogenoemde body-cuff, een dwangbuis.

‘Kunt u me iets vertellen over dit detentiecentrum?’ vraag ik.

Nazaar knikt. ‘Veel’, zegt hij, ‘waar moet ik beginnen? Er zitten hier ongeveer honderd mensen, maar ik ben de oudste, niet de oudste in leeftijd, maar omdat ik hier het langst zit. Ik vertaal soms voor de bewakers, daarom zeggen ze tegen me: “We zullen je helpen hieruit te komen, je hoeft hier niet eeuwig weg te rotten.”’

‘Is dat niet een beslissing die de rechter moet nemen?’ vraag ik.

Nazaar begint te lachen. ‘We zijn hier in Polen’, zegt hij weer. ‘We mogen honderd zloty (ongeveer twintig euro − ag) per maand uitgeven aan sigaretten en dergelijke. Voedsel van buiten mag de gevangenis niet in. Want, zeggen ze: “Dan weten we niet waar je ziek van wordt, is het van jouw of van ons eten.” We zitten met zijn negenen op een kamer. We halen het eten op in het restaurant van de gevangenis. Dan proberen we er op de kamer local food van te maken, begrijp je?’

Ik zeg dat ik dat begrijp.

‘Er is ook een echte gevangenis, een nog echtere gevangenis, je bent er langsgekomen, daar ga je heen als je je misdraagt. Er was een Afrikaan, die ging altijd als eerste eten halen, omdat hij zo langzaam at, op een dag zei de bewaker: “Nee, wachten.” Maar die Afrikaan pakte de hand van de bewaker, de bewaker pakte zijn taser, die man lag al op de grond en hij werd nog getaserd. Hij is naar de gevangenis gestuurd. Dat was een paar maanden geleden. De dikke man die je hier binnenbracht. Ze noemen hem “de inspecteur”. Hij weet veel.’

‘Wat deed u in Bagdad?’ vraag ik.

‘Ik heb mijn school niet afgemaakt, ik bleef zitten. Mijn vader werkt in de bouw. Al op mijn negende begon ik hem te helpen. Ik heb toen ik van school ging allerlei baantjes gehad, ik bezorgde voedsel, ik heb kleding verkocht.’

‘Hoe oud was u toen u besefte dat u homoseksueel was?’

‘Ik was negen of tien. Er kwamen vaak ooms en neven langs – met een neefje had ik mijn eerste seksuele relatie. Maar ik heb ook relaties gehad met vrouwen, want ik ben biseksueel. Die neef is inmiddels getrouwd. Hij zei: ik moet aan mijn toekomst denken.’

Nazaar glimlacht als ik hem vraag of hij Irak al vaker had geprobeerd te verlaten. Hij vertelt hoe hij drie keer via Turkije probeerde te vluchten, twee keer werd hij gedeporteerd en een keer had hij pech. ‘De vierde keer heb ik het via Belarus geprobeerd en nu ben ik hier.’ Het klinkt triomfantelijk.

‘U verdoet uw tijd hier, u slaapt, u eet, misschien zit u hier nog anderhalf jaar.’

‘Het is hier in deze gevangenis beter dan in Irak. In 2007 en 2008 sloegen ze mannen met lange haren met een steen op straat dood. Heb jij dat gezien?’

‘Nee’, zeg ik. ‘Ik was er toen wel, maar ik heb dat niet gezien.’

‘Ze doen het nu niet meer met een steen, maar ze maken je nog wel dood’, zegt Nazaar.

‘Ook in Irak is er vooruitgang’, merk ik op.

Ik wil vragen of deze gevangenis nu de Heimat van Nazaar is geworden, maar hij zegt alleen: ‘Weet je wat een groot verschil is tussen de Iraakse en de Poolse politie? Als je de Iraakse politie geld geeft laten ze je gaan.’

Dan komt de Poolse grenspolitie binnen en escorteert mij naar buiten.

In restaurant Cuda Wianki, naar het schijnt het beste restaurant van Przemyśl, op tien minuten loopafstand van het closed camp, eet ik een Poolse en Oekraïense specialiteit, pierogi, deegkussentjes gevuld met boekweit, met een saus van paddenstoelen eroverheen, om dan weer terug te keren naar het detentiecentrum. Aan het loket kennen ze me inmiddels en ik hoef mijn paspoort niet meer te laten zien. Ik mag ook zelf doorlopen naar het gevangenisgedeelte. Daar herhaalt zich het ritueel. Tas en paspoort in kast, kast gaat op slot. De vreemdeling wordt binnengeleid. Deze heet Spencer en komt uit Kameroen, hij draagt een trainingsbroek en een trui. De deur gaat op slot.

‘Laten we bij het begin beginnen’, zeg ik. ‘Uw geboorte.’

Ben ik reisgids? Ben ik leider van de vluchtelingen? De rol van Mozes ligt mij niet. Ik schrijf slechts op wat ik zie en hoor

‘Ik ben op 12 januari 1990 geboren. Mijn moeder was vijftien toen ze me kreeg, mijn vader was achttien. Ik ben voornamelijk door mijn grootmoeder opgevoed, maar mijn ouders kwamen regelmatig langs.’

Spencer stottert. Zijn tong, ik kan het niet anders omschrijven, lijkt spastische bewegingen te maken, de tong lijkt uit de mond van Spencer te willen ontsnappen.

‘Ik ben zakenman geweest in Kameroen’, gaat Spencer verder, ‘ik was taxichauffeur, ik heb ook op een kippenboerderij gewerkt.’

‘Hoe bent u hier beland?’

‘Van Kameroen ben ik naar Belarus gevlogen en vandaar ben ik naar Donetsk gegaan, want daar zou ik gaan studeren. Computer science. Ik heb daar een paar weken in een jeugdherberg gewoond. Toen brak de oorlog uit en heb ik Donetsk verlaten, ik ben teruggegaan naar Belarus en kwam daar in een kamp terecht. Dat was de hel. We kregen alleen brood en water. Ik ben toen via Oekraïne naar Polen gegaan, ik was alleen, ik was te voet. In Polen heb ik me aangesloten bij een groepje dat Duitsland wilde bereiken. Vlak bij de Duitse grens zijn we gearresteerd.’

‘Ik probeer uw reis helder te krijgen. Van Kameroen naar Belarus, van Belarus naar Donetsk, in de hoop daar te studeren, toen vanwege de oorlog terug naar Belarus. Een kamp in Belarus. Daarna te voet via Oekraïne naar Polen, in Polen richting Duitse grens.’

Spencer knikt. ‘Op het politiebureau hebben ze me handboeien omgedaan. Ik zei: “Hoe kan dat? Ik ben vrijwillig met jullie meegegaan. En nu doen jullie mij handboeien om.”’

Het stotteren wordt erger. ‘Ik ben ook in de gevangenis hiernaast geweest. Als daar de deur dichtgaat gaat de deur echt dicht. Hier kun je overdag door de gangen lopen. De bewakers hebben geen fysiek maar wel mentaal geweld gebruikt. Ik vroeg bijvoorbeeld om thee en dan gooiden ze het kopje door mijn kamer.’

‘Uw ouders zijn nog in Kameroen?’

‘Mijn moeder is in Parijs. Ze is al sinds 2013 in Frankrijk en heeft inmiddels een Frans paspoort. Ze heeft me hier ook opgezocht en me een pakje gestuurd en mijn vader is voor mijn ogen op 21 mei 2019 vermoord.’

‘Kunt u daar iets meer over vertellen?’

‘Wij deden mee aan de protesten tegen de willekeur van het regime’, zegt Spencer. Sinds 2016 zijn er spanningen in Kameroen tussen de Engelstalige minderheid en de Franstalige meerderheid. Engelstalige separatisten gebruiken geweld als politiek middel waartegen het leger van Kameroen met nog meer geweld optreedt. Hoewel hij een poging doet het me uit te leggen, wordt me niet helemaal duidelijk wie Spencer en zijn vader in een kamp hebben opgesloten, hebben gemarteld en zijn vader uiteindelijk hebben gedood.

‘Uw vader is voor uw ogen vermoord. Waarom denkt u dat ze u niet hebben vermoord?’

Spencer begint te huilen. Hij gebruikt de kraag van zijn trui om zijn tranen te drogen.

‘Ik zou willen dat ik u iets aan kon bieden’, zeg ik, ‘maar er is hier geen water. Ik zou u ook willen omhelzen, maar ik weet niet of dat mag van de Poolse grenspolitie.’ Ik heb alles in me om een ambtenaar te worden die het ergste probeert te voorkomen.

‘Ik weet niet’, zegt Spencer na een tijd, ‘waarom ze mij niet hebben vermoord.’

‘Was er een begrafenis voor uw vader?’

‘Nee, ze hebben het lichaam weggegooid.’

Ik begrijp dat zijn vader in het kamp is vermoord en Spencer na die moord is vrijgelaten.

‘Vanaf die tijd tot ik in Belarus kwam heb ik in de bossen geleefd’, gaat hij verder. ‘Ik moest vluchten voor de milities. Mijn grootmoeder zei: “Ga weg uit Kameroen”, zij heeft de soldaten omgekocht om me naar het vliegveld te laten gaan.’

‘Bent u hoopvol?’ wil ik weten. Ik bedoel zijn situatie in Polen, maar hij begint over zijn kinderen te vertellen van twee, vier en zes, die hij vanuit Kameroen nog geld heeft gestuurd voor school.

‘U komt zo rustig over’, zeg ik, ‘terwijl u op grond van uw verhaal zoveel reden heeft boos te zijn.’

‘Mijn grootmoeder zei tegen mij toen ik nog klein was: “Word nooit boos, Spencer, jij praat namelijk langzaam en mensen die langzaam praten worden vaak snel boos en dat wil ik niet, want jij bent mijn enige kleinkind.”’ Hij kijkt naar zijn handen. ‘Ik ben geen onruststoker’, zegt hij, ‘hier op deze plek is het oké.’

‘Is er nog iets waarover u wil praten?’ vraag ik.

‘De dokter’, zegt Spencer. ‘Ik wil over de dokter praten. Ik heb last van mijn heupen. De dokter hier kan niets voor me doen. Hij zegt: “Je bent in Kameroen gemarteld. In Polen is niets gebeurd. Dus ik kan je alleen pijnstillers geven.” Ik heb niemand behalve mijn moeder. Ze hebben tegen mijn moeder gezegd: “Als u ons dertienhonderd euro geeft laten we uw zoon gaan.” Maar waar haalt ze dat geld vandaan?’

Spencer begint weer te huilen.

Ik zeg: ‘Huil maar, dat lucht op.’

‘Op 3 januari kom ik vrij’, zegt Spencer, ‘dan ga ik naar een open kamp.’

De relatieve vrijheid van het open kamp lijkt Spencers verdriet niet weg te kunnen nemen.

De deur gaat open. Met het Engelse woord ‘enough’ maakt de grenspolitie een eind aan ons gesprek. Ik geef de vluchteling een hand. Een vrouwelijk lid van de grenspolitie escorteert me naar de uitgang. We zeggen niets tegen elkaar.

Die namiddag al zit ik in de enige directe trein van Przemyśl naar Warschau. ‘Mis hem niet’, had mijn assistent nog geschreven. Ze is altijd een beetje bezorgd als ik door Oost-Europa reis. De trein is vol, veel reizigers, nauwelijks landverhuizers is mijn inschatting. Iets voorbij Krakau word ik gebeld door Joanna Sarnecka. Ze wil weten hoe het was en vertelt dat ze met een advocaat over Spencer heeft gesproken. In Polen maakt hij weinig tot geen kans, zijn beste kans is Frankrijk, vanwege zijn moeder. ‘Maar hoe komt hij daar?’ vraagt Joanna.

Ben ik reisgids? Ben ik leider van de vluchtelingen? De rol van Mozes ligt mij niet. Ik schrijf slechts op wat ik zie en hoor. ‘We spreken elkaar in Warschau’, zeg ik. Ik buig me weer over mijn aantekeningen. In de film Full Metal Jacket van Stanley Kubrick over de Vietnamoorlog zit een prachtige zin die ik vaak heb geciteerd: ‘De doden weten maar één ding, dat het beter is levend te zijn.’

In de trein van Przemyśl naar Warschau weet ik nog maar twee dingen, dat het goed is om niet Nazaar te zijn, dat het nog veel beter is om niet Spencer te zijn. En zelfs de snelle schrijver is een langzame spreker, daarom moet hij nooit, echt helemaal nooit woedend worden. Laat de doden maar woedend zijn.

Dit is een voorpublicatie van De vluchteling, de grenswacht en de rijke jood, dat Arnon Grunberg over gedwongen migratie schrijft en dat later dit jaar zal verschijnen