Veertig jaar Club van Rome

‘De grenzen zijn bereikt’

Banken falen, grondstofprijzen pieken en de natuur legt het loodje. Veertig jaar na het Rapport van de Club van Rome loopt de wereld keihard tegen de voorspelde grenzen op.

Wouter van Dieren ontmoette eind 1970 als jong journalist in Amerika zijn lotsbestemming. Hij was daar voor een verhaal in Elseviers weekblad over giftige bijwerkingen van het vliegenvangende plakband van Vapona. Zijn omzwervingen brachten hem onder meer op het Massachusetts Institute of Technology bij Boston. Daar raakte hij in gesprek met jonge wetenschappers die computerberekeningen maakten over de ontwikkeling van de industriële samenleving. Ze waren daarvoor benaderd namens ‘de Club van Rome’, een gezelschap van industriëlen en wetenschappers die zich zorgen maakten over de toekomst.

’s Avonds las Van Dieren het voorlopige rapport en hij zag onmiddellijk de impact die het stuk kon hebben. ‘Jullie hebben dynamiet in handen’, verzekerde hij de onderzoekers. Onzeker als ze waren, stemden ze ermee in dat Van Dieren een exemplaar mee zou nemen om er in Nederland wat vrienden naar te laten kijken. Maar behalve wetenschappers hadden ook collega-journalisten er belangstelling voor. Zo kwam het dat NRC Handelsblad in september 1971 de primeur had over het Rapport van de Club van Rome en dat Boebie Brugsma er in de Haagsche Post een commentaar op schreef met de titel ‘Apocalyps op afbetaling’. Daarmee was de toon gezet.

Eric Jan Tuininga, vriend van Wouter en de huidige secretaris van de Club van Rome Nederland, herinnert zich de opwinding: ‘Dat zoemde rond: de toekomst is uitgerekend. Met computers. Heel bijzonder.’

Tuininga, die toen bij tno werkte, nam de Nederlandse vertaling ter hand. De Club van Rome presenteerde haar rapport op 1 maart 1972. De Nederlandse uitgave van De grenzen aan de groei kwam na de zomer als vijfhonderdste Aulapocket uit voor een spotprijs. Van het boekje met de geknakte margriet op de kaft zijn er naar schatting 250.000 gedrukt, een recordoplage.

Het rapport was gebaseerd op de computerberekeningen van Dennis Meadows en zijn team op het mit in Boston. Voor die tijd unieke simulaties lieten zien dat een ongeremde economische groei tegen grenzen aanloopt: overbevolking, uitputting van grondstoffen, vervuiling van het milieu en uiteindelijk een ineenstorting van de industriële samenleving. Dat bericht sloeg in als een bom. Daar werd op verjaardagen zorgelijk over gepraat: de ondergang in zicht, net nu alles een beetje beter ging.

Veertig jaar later is het rapport terug in de actualiteit. Niet eens vanwege het ronde getal, maar door de huidige crisis, die gezien wordt als een systeemcrisis die niet valt op te lossen met wat stimuleren hier en wat snijden daar. ‘Met de huidige crisis is een definitief einde gekomen aan de economische groei zoals de westerse wereld die de afgelopen 250 jaar sinds de Verlichting heeft doorgemaakt’, stelt milieukundige Klaas van Egmond. ‘Deze recessie is anders dan alle vorige’, schreef Wouter van Dieren in NRC Handelsblad. In een gesprek citeert hij Thomas Friedman (auteur van Hot, Flat & Crowded): ‘In 2008 Free Market and Mother Nature hit the wall together.’

Voor Van Dieren, lid van de internationale Club van Rome, is het duidelijk dat de huidige crisis het begin is van een historische transitie. ‘Hoeveel duidelijker moet het nog worden? De grenzen zijn bereikt. We zitten er midden in’, zegt de zeventigjarige milieuactivist met zijn aristocratische dictie.

Veel mensen denken dat de Club van Rome ongelijk had. Dat de Club zou hebben voorspeld dat in 2000 de olie op zou zijn, en we tanken nog steeds. Dus.

de club zelf, opgericht in 1968, was in de woorden van Tuininga ‘een oudemannenclub’. De vrijmetselaar Aurelio Peccei, nummer twee bij Fiat en hoog in de boom bij Olivetti, had samen met de Schotse wetenschapper Alexander King een klein internationaal gezelschap uitgenodigd voor een bijeenkomst in een villa in Rome. Chemicus Frits Böttcher was er als enige Nederlander via de oeso terechtgekomen. De deelnemers waren afkomstig uit de diplomatie, het bedrijfsleven, academies en overheden. Ze bespraken het dilemma van het kortetermijndenken in een wereld met beperkte voorraden en toenemende onderlinge afhankelijkheid. De Club stelde zich als doel om het langetermijndenken te bevorderen en om te laten zien hoe ontwikkelingen in de wereld samenhangen.

In augustus 1970 kwamen ze in contact met de systeemdynamicagroep van het mit in Boston. Professor Jay Forrester had daar in de jaren vijftig een techniek ontwikkeld om complexe processen met de computer te simuleren. Een systeem – het kon een industriële installatie zijn, een wijk in verval, of een orgaan in het menselijk lichaam – werd opgebouwd uit onderling communicerende deelsystemen. Een computer zo groot als een gymzaal berekende dan stap voor stap hoe het systeem zich ontwikkelde. De uitkomst zag eruit als elkaar kruisende grafieken die met sterretjes en plusjes geprint waren op groen met wit kettingpapier.

In opdracht van de Club van Rome ging Dennis Meadows, een oud-promovendus van Forrester, aan de slag om de hele wereld in de computer te stoppen. ‘Natuurlijk kan dat’, had Forrester vol zelfvertrouwen gezegd. Hij had er alleen zelf geen tijd voor gehad. Meadows wel. Diens model, World3, beschreef de ontwikkeling van de wereld aan de hand van slechts vijf variabelen: natuurlijke hulpbronnen, bevolkingsgrootte, voedsel per hoofd, industriële productie en vervuiling. De uitkomsten van dit model legden het fundament voor het Rapport van de Club van Rome.

De grafiek loopt van het jaar 1900 tot 2100. In de linkerhelft van de grafiek gaat alles nog goed: in de twintigste eeuw groeit de populatie en stijgt de industriële productie en is er meer dan genoeg te eten. De vervuiling neemt ook toe, maar voorlopig niet verontrustend en de hoeveelheid natuurlijke hulpbronnen begint te dalen.

Dat wordt, iets na 2000, het begin van het einde. De industriële productie begint af te vlakken, evenals de hoeveelheid voedsel. De vervuiling neemt nog wel toe en ook de bevolking groeit nog een generatie lang door. Na een piek in het midden van de 21ste eeuw zakt de wereldbevolking terug naar het niveau van 2000. De industriële productie is dan helemaal ingezakt, evenals de vervuiling. De hoeveelheid voedsel die de postindustriële samenleving weet te produceren is ongeveer de helft van wat het in 1900 was. De natuurlijke hulpbronnen bevinden zich op een laag, maar constant niveau. Het feestje is voorbij.

Na de aanvankelijke schrik klonk er ook kritiek op het rapport. In Nederland met name van de Stichting Toekomstbeeld der Techniek (stt), opgericht in 1968 door het Koninklijk Instituut van Ingenieurs, tegenwoordig Kivi-Niria. André Sjoerdsma, elektrotechnisch ingenieur en oud-luchtmachtofficier, was oprichter en directeur van de technologiestichting. Net als de Club van Rome deed de stt studies naar de toekomst van techniek. Maar van het Rapport was Sjoerdsma niet erg onder de indruk, en al helemaal niet van de voorspelde ineenstorting. ‘Ik dacht: dit kan niet, dit zal niet gebeuren’, zegt Sjoerdsma (85). Een gezonde kleur, kort haar en slimme bruine oogjes achter een dubbelfocusbril. ‘Ze hebben een computersysteem toegepast, maar dat is nooit in staat om ingewikkelde processen als sociale en technische verandering te voorspellen. Systeemdynamica is veel te eenvoudig om de wereld te modelleren. Dat kan geen enkel systeem.’

Hoewel hij de uitkomst niet gelooft, heeft hij wel begrip voor de aanpak: ‘Ik besef dat het nodig kan zijn om een ruw en overdreven beeld te schetsen om mensen in beweging te krijgen.’

Aanvankelijk leken de oliecrises van 1973 en 1979 de voorspelde tekorten aan grondstoffen te bevestigen. Burgers merkten het aan de pomp en in de portemonnee. Daarna volgde de economische crisis van de jaren tachtig en zorgelijke verhalen over zure regen, uitstervende plant- en diersoorten en het gat in de ozonlaag. Ook die milieumisère paste goed in de verwachting.

Maar dankzij nieuwe exploraties stroomde de olie volop. Begin jaren negentig bloeide ook de economie op en groeide jaarlijks met twee tot drie procent. Het communisme was verslagen, het kapitalisme zegevierde. Ook met het milieu ging het inmiddels beter: ontzwavelingsinstallaties hadden de zure regen gestopt en een verbod op cfk’s voorkwam verdere afbraak van de ozonlaag. Happy days. Klimaatverandering was nog niet aan de orde. Nieuwe technieken en hogere prijzen maakten winning rendabel uit ertsen en bronnen die men voorheen links liet liggen. Het leek alsof de techniek de wereld oneindig van grondstoffen kon voorzien, en alsof marktwerking simpelweg de reserves kon vergroten. Niemand dacht meer aan de sombere geluiden van de Club van Rome.

Zo ontstond het idee dat de Club zich had vergist en dat haar ongelijk was aangetoond. Maar dat blijkt een misvatting.

onlangs hebben twee Amerikanen, Charles A.S. Hall en John W. Day, voor het blad American Scientist (juni 2009) de voorspellingen uit het Rapport naast de huidige waarden gehouden en ze constateerden een behoorlijke overeenkomst. De groei van de wereldbevolking was met 6,7 miljard in 2008 iets achtergebleven bij de verwachte waarde van 6,9 miljard. Ook de vervuiling was iets minder erg dan verwacht; de hoeveelheid co2 in de atmosfeer bijvoorbeeld bleef anno 2000 met 370 ppm (parts per millon; een concentratiemaat) iets achter bij de projectie (380 ppm). Maar met de grondstoffen is iets vreemds aan de hand. De huidige bekende voorraden van tal van grondstoffen zijn een stuk groter dan Meadows destijds dacht; zo is er twintig maal meer aluminium te winnen en drie maal meer olie dan toen werd gedacht. Maar de afloop verandert er nauwelijks door. Meadows berekende in 1971 dat de toen bekende olievoorraad voldoende was voor dertig jaar rijplezier, maar ook dat een vijf keer grotere voorraad slechts twintig jaar langer mee zou gaan. Dat komt doordat het verbruik gelijke tred houdt met het aanbod. Met andere woorden: grondstoffen worden net zo snel opgebruikt als dat ze ontgonnen worden, en het netto resultaat is dat de huidige voorraden van bijvoorbeeld koper en olie de helft zijn van wat ze in 1970 waren. Het rapport voorspelde een gemiddelde teruggang van bijna de helft, wat dus verbazend goed klopt.

Terugkijkend hebben Meadows en collega’s de kracht van de techniek onderschat. ‘Technologie heeft in combinatie met de markteconomie de draagkracht van de aarde voor mensen enorm vergroot’, constateren Hall en Day. Maar de winst ervan is betrekkelijk door wat zij Jevons’ paradox noemen – een stelling uit de economie die zegt dat verbeterde efficiëntie leidt tot lagere prijzen en hogere consumptie.

Eric Jan Tuininga vat het aardig samen: ‘Het gekke is dat Meadows nog steeds zegt: “We’re right on target.” Hij laat aan de hand van grafieken zien dat het allemaal dertig jaar is opgeschoven, maar dat we over 25 jaar wel de ineenstorting gaan meemaken. Het uitstel hebben we te danken aan technologie.’

De enige manier om aan de collapse te ontkomen, stelde het Rapport destijds, is een politiek van stabilisering door middel van geboortebeperking, drastische verlaging (met een factor vier) van het grondstoffengebruik en de vervuiling en een economische verschuiving van materiële productie naar diensten. Grenzen stellen aan de groei, kortom. Maar dat was in 1972. Simulaties vanuit de huidige omstandigheden leiden steevast tot ineenstorting. Daarom doet Meadows dat ook niet meer. ‘Het heeft geen zin om alleen maar rampscenario’s te berekenen’, vindt hij.

daarin is hij niet de enige. Want hoewel Van Dieren zegt dat de belangrijkste functie van de Club is om te blijven hameren op het aambeeld van de grenzen aan de groei is ze ook oplossingsgericht gaan denken. Was de denktank tien jaar geleden nog ‘een gerontologisch clubje’, de laatste jaren zijn er jongere leden uit de praktijk aangetrokken: groene ondernemers als Günther Pauli (voormalig eigenaar van Ecover, fabrikant van biologisch afbreekbare schoonmaakmiddelen, en de man achter het duurzame business-model Blue Economy) en de bankier Peter Blom, directeur van Triodos Bank. Die ziet de Club als een geschikt podium om zijn denkbeelden over duurzaam bankieren te verspreiden. Want anders dan veel andere banken die de laatste tijd in de problemen zijn gekomen doet de kleine bank uit Zeist het goed. En dat blijkt veel te maken te hebben met ouderwetse degelijkheid. Blom: ‘We gaan niet met het vermogen van de bank op financiële markten beleggen voor extra winst. We trekken spaargeld aan om kredieten te financieren. Zoals het hoort.’ Hij is een voorstander van splitsing van banken in een nutsbedrijf en een risicodragend deel dat op financiële markten speculeert. ‘You’ve got to change finance to finance change’, vat Blom zijn missie samen.

En wat gebeurt er de komende veertig jaar? Wouter van Dieren komt niet los van de onheilsprofetie die hij al zijn leven lang verkondigt. ‘De grote kladderadatsch komt eraan’, zegt hij. Bankcrises, klimaatverandering, zeespiegelstijging en voedseltekorten: ‘Tegen 2025 is het fosfaat op. Geen fosfaat, geen landbouw. Einde verhaal.’

Eric Jan Tuininga verwacht de meeste problemen met grondstoffen: ‘Wie heeft nog toegang tot olie en tot basismetalen die alleen in landen voorkomen waar China nu al zijn vingers in heeft? Ik rijd zelf in een Prius en ik weet dat een aantal van de metalen die daarin zitten zeer schaars gaan worden. Hoe gaat het dan met opslag van elektriciteit en elektrisch vervoer?’

Sjoerdsma, oud-directeur van Stichting Toekomstbeeld der techniek, is het daar uiteraard niet mee eens: ‘Als het nijpend wordt verzinnen we er wel wat op. Ik heb dat zo vaak zien gebeuren. Ik denk dat het een wetmatigheid is.’

Ook Blom is minder somber. Hij heeft het ook niet over ‘de ineenstorting’ maar over ‘het oog van de naald’ waar de wereld de komende decennia doorheen zal gaan. Als voorbeeld noemt hij de landbouw die zwaar steunt op fossiele brandstof. Hoe moet dat zonder olie? ‘Is technologie een uitkomst, of moeten we juist lokaal en kleinschalig gaan verbouwen? We moeten proberen vergezichten te creëren zodat bedrijven, bevolking en politici zich erop kunnen oriënteren. De Club van Rome moet zich daarin meer manifesteren’, vindt Blom.

Veertig jaar geleden heeft de Club van Rome de toon gezet door sociale vraagstukken, grondstoffen en milieu met elkaar in verband te brengen. Toegegeven, het model World3 was grof en de sociale dynamiek werd buiten beschouwing gelaten. Desondanks hebben ze de dynamiek goed getroffen.

Intussen zijn er tal van aspecten bij gekomen, waaronder klimaatverandering, biodiversiteit en waterbeheer. Het zou goed zijn als de Club zich daar vaker over uit zou laten om te vertellen hoe de vlag erbij hangt. De behoefte aan een visie op lange termijn en samenhang is er in de afgelopen veertig jaar niet minder op geworden. Integendeel. Visie op duurzaamheid ontbreekt momenteel vooral in de politiek. Voor steeds meer burgers zijn bewust consumeren en zuiniger omgaan met energie vanzelfsprekend geworden. Als Stichting Urgenda een nacht van de duurzaamheid organiseert, komen daar vijfduizend mensen op af. Ook veel bedrijven zien het voordeel van duurzamer opereren, vaak uit goed begrepen zelfbelang. Natuurlijk verdienen groene advertenties van Shell en energiebedrijf rwe de hoogste staat van argwaan (voor hen is groene energie een leuke etalage, maar een marginale bedrijfsactiviteit), maar dat Unilever voor duurzame vis met msc-label kiest, is omdat er anders binnenkort niks meer te vissen valt.

Maar in de politiek is duurzaamheid nauwelijks een item. Zeker niet in tijden van crisis en onder een neoliberaal kabinet dat kiest voor een vlucht naar voren: bredere wegen, harder rijden en de opheffing van het ministerie voor Milieu.

Als de Club van Rome iets heeft aangetoond, dan is het wel dat het onvermogen om de grenzen aan de groei op de politieke agenda te krijgen een serieuze bedreiging vormt voor de industriële samenleving.