De Eerste Wereldoorlog als historiografisch probleem

De grijs geverfde twintigste eeuw

Is de Eerste Wereldoorlog de Urkatastrophe die volgens de historicus Maarten Brands ‘de kaarten van Europa schudde’? Of moet je het breder zien, zoals zijn Duitse collega Gerhard Hirschfeld doet?

Gerhard Hirschfeld geniet van het rustige Wassenaar. In de bosrijke omgeving rond het onderzoeksinstituut Nias, waar hij een jaar lang als fellow verblijft, schrijft hij aan een boek over de geschiedenis van Nederland in de twintigste eeuw. Die begon betrekkelijk kalm. Nederland bleef buiten de Eerste Wereldoorlog die Europa met een geweldige dreun in de twintigste eeuw deed neervallen. Dat betekent volgens de historicus uit Stuttgart niet dat Nederland geen enkele oorlogservaring doormaakte. De enorme vluchtelingenstroom uit België bleef niet onopgemerkt, er kwamen handelsblokkades en er heerste zeker in de latere jaren van de oorlog ook in Nederland schaarste.

De Eerste Wereldoorlog is een van Hirschfelds specialismen en de wijze waarop hij Nederland bij de oorlog weet te betrekken is tekenend voor zijn cultuurhistorische benadering. Hij zoekt naar mentaliteiten, herinneringen en ervaringen, onderwerpen die in de politieke of militaire geschiedenis niet aan bod komen. Dat is voor het onderzoek naar de Eerste Wereldoorlog van wezenlijk belang. Denk alleen al aan de zorgen die de grotendeels vrouwelijke bevolking thuis voor alle mannen, broers, vaders, ooms op het slagveld had. Gerhard Hirschfeld: ‘Wat betekent het voor vrouwen en kinderen om elke ochtend naar het gemeentehuis te lopen om de dodenlijsten te bestuderen en zich af te vragen: staat vader erop? Staat oom erop? Dat zijn toch heftige ervaringen die hoe dan ook littekens achterlaten.’

Hirschfeld noemt het de verbreding van de oorlog in existentiële zin. Het is een heel andere kant van de oorlog dan de overbekende beelden van de gruwelijkheden aan het front. Je kunt vervolgens wel verwijzen naar de politieke consequenties ervan in de jaren twintig en dertig – zoals het nationaal-socialisme – maar hoe kun je de frontervaringen op waarde schatten als je beseft dat soldaten na thuiskomst er praktisch nooit over spraken, omdat die voor anderen letterlijk onvoorstelbaar waren? ‘Wat het betekende om in een grote slag te hebben meegevochten, daarover konden echtparen niet eens met elkaar praten.’

Daarmee dient Hirschfeld meteen een criticus van deze benadering van repliek: de Nederlandse historicus Maarten Brands. In een vaak aangehaalde rede op het toenmalige Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie (Riod) hekelde Brands in 1997 de ‘blinde vlek’ die de Eerste Wereldoorlog in het nationale geheugen is. Door de massaslachting te negeren – er sneuvelden bijna tien miljoen soldaten, er raakten er ruim twintig miljoen gewond en acht miljoen werden vermist – ontstaat er volgens Brands een vertekend geschiedbeeld. De Great War had immense gevolgen, ook voor Nederland.

Tien jaar later is de aandacht voor deze Urkatastrophe van de twintigste eeuw in Nederland weliswaar aangewakkerd, maar ze richt zich veelal op de ‘softere’ mentaliteitsgeschiedenis die Hirschfeld bepleit. Tot ergernis van Brands, die het daarom tijd vond zijn pleidooi van tien jaar geleden te herhalen. Afgelopen herfst pleitte hij in Hollands Maandblad nogmaals tegen Hirschfelds ‘demilitarisering’. Diens buitenproportionele aandacht voor nevenverschijnselen is volgens hem een vlucht voor de ‘veel gruwelijker geschiedenis aan het echte front’: de geschiedenis van de miljoenen doden en verminkten.

Brands licht dat desgevraagd graag toe: ‘Waartegen ik polemiseer is dat ik word omringd door mensen die doen alsof het verschil tussen oorlogservaringen in Nederland en bijvoorbeeld België eigenlijk te verwaarlozen is. De oorlog gíng niet aan ons voorbij, zeggen ze dan en wijzen bijvoorbeeld op de voedselschaarste of het gebrek aan brandstof. Maar kijk eens naar het aantal slachtoffers, die 45.000 Belgische militairen. Daar zit toch wel een klein verschil in, dacht ik. Het gevolg is een veralledaagsing van een buitengewoon exceptionele situatie. Als je het dan over koffie en thee gaat hebben, doe je behoorlijk wat af aan die uitzonderlijkheid.’

Hirschfeld op zijn beurt kan weinig met die kritiek. Onderzoek naar de leefomstandigheden kan het beeld verbreden. Denk aan de opkomst van de vrouwenarbeid, aan de rol van de propaganda aan beide zijden. Of in bredere zin aan de Europese cultuur, die nog in hoge mate negentiende-eeuws was: de ‘januskop’ van de Eerste Wereldoorlog, aldus Hirschfeld. Aan de ene kant vormden negentiende-eeuwse begrippen als ‘eer’ een wezenskenmerk van de oorlog, ‘als gevolg waarvan een terugtrekking van het leger, ook al waren het maar enkele kilometers, als een te groot gezichtsverlies werd beschouwd’. Aan de andere kant was de oorlog al stevig verankerd in de twintigste eeuw, in de zin dat het een ‘geïndustrialiseerde massamoord’ was.

Deze analyses zal Brands niet bestrijden: ‘Natuurlijk erken ik dat dergelijke sociale factoren erg belangrijk zijn om te bestuderen. Datzelfde geldt voor veel mentale processen, zoals de verhouding tussen recht en macht, tussen oorlog en vrede. Het probleem is de nadruk die in de huidige onderzoeken wordt gelegd op bijzaken. Daar gaat het om.’

Brands maakt zich met name boos om wetenschappers die de sociale of culturele thematiek van hun onderzoeken, zoals hij dat noemt, verzelfstandigen. Daarmee verdwijnt de hiërarchie tussen de onderzoeksgebieden, waaraan hij – ‘noem me ouderwets’ – erg veel waarde hecht: ‘Ik vind vragen van leven en dood belangrijker dan voedselschaarste. De tegenwoordig zo populaire cultuurgeschiedenis horizontaliseert, omdat alles erin past. Ik heb daar veel moeite mee. Het gaat juist om het perspectief. Als dat er niet in zit, dan trek je die koffie en die kolen ook scheef. Je kunt niet de verschillen tussen de oorlogservaring van bijvoorbeeld België en Nederland tenietdoen door een bijzin waarin je schrijft: bij ons heerste ook schaarste, net als in België. Vanzelfsprekend mag aan dergelijke dingen aandacht worden besteed, maar altijd voorzover de verhoudingen met de oorlogsaspecten die echt impact hadden duidelijk blijven.’

Kan hij er ook niet mee instemmen dat deze vorm van geschiedschrijving ons beeld van de oorlog verbreedt? Nee. ‘Van breedbeeldtelevisie wordt het beeld toch ook niet automatisch scherper?’ Volgens Brands ‘vergrijst’ het geschiedbeeld in Nederland alleen maar, door ‘de grijze verf van historici’ die niet expliciet maken wat er tijdens de oorlog werkelijk toe deed en wat niet. Alle problemen in het Midden-Oosten zijn een direct of indirect gevolg van de Eerste Wereldoorlog. Bijna alle grenzen van het huidige Europa zijn toen bepaald, inclusief een immens minderhedenvraagstuk.

Toch kunnen niet alle gevolgen van de Eerste Wereldoorlog worden verklaard zonder hulp van een cultuur- of mentaliteitshistorisch perspectief. Dat is wat Hirschfeld niet moe wordt te herhalen. Brands heeft in zijn ogen een te beperkte kijk op het historisch onderzoek. De cultuurgeschiedenis legt zich tenslotte niet in de eerste plaats toe op koffieschaarste of gebrek aan brandstoffen, maar op vragen die ook politieke historici zouden moeten interesseren. De vraag bijvoorbeeld waarom de Vrede van Versailles in Duitsland zo erg werd gevonden. ‘Wat hij in politiek opzicht toch echt niet was. De Fransen waren überhaupt niet gelukkig met het verdrag, omdat ze op grond van hún ervaringen Duitsland nog veel zwaarder hadden willen straffen.’ Toch wordt met het argument van dit zogenaamde vredesdictaat, dat in de jaren twintig en dertig alleen maar Duitslands wraakzucht zou hebben aangewakkerd, dikwijls een rechtstreeks verband gelegd: de Eerste Wereldoorlog als ‘oercatastrofe’ die de Tweede onvermijdelijk maakte.

Die lezing gaat er bij Hirschfeld niet gemakkelijk in: ‘De landen om Duitsland heen hadden zeker niet van tevoren rekening gehouden met deze catastrofe. Er heerste eerder nog een zekere hoop dat het nu definitief voorbij was met de oorlogen.’

De verklaring waarom het in Duitsland toch misging in de jaren dertig ligt volgens hem in de hoofden van de Duitsers: ‘Het Duitse revanchisme kan worden gezien als een manier om hún lijden en hún slachtoffers op te waarderen. Want waar de Duitsers met zekerheid het sterkst onder hebben geleden, is het gevoel dat hun slachtoffers niet zo veel waard waren als de andere. Kijk naar de geruchten die na de oorlog ontstonden: de Fransen en Britten plaatsten witte kruizen op hun soldatenbegraafplaatsen en wij Duitsers moesten de onze zwart schilderen. Er bestonden geen voorschriften voor witte of zwarte kruizen, maar toch zette dit beeld zich vast in de waarneming van de Duitsers. Zwart, dat was de nederlaag. Het ging veel minder om de aantallen slachtoffers, want die waren bij de grote slagen min of meer gelijk. Maar hoe de doden in de geesteswereld van de naties naar het graf werden gedragen, daar zit het verschil. Vragen als “zijn onze offers voor niets geweest?” kun je niet op een politieke wijze verklaren. Daarom zijn mentaliteits- en cultuurhistorische vragen belangrijk. Dat geldt overigens ook voor Nederland, waar zeker nog een lacune in het onderzoek zit.’

Maar Brands geeft niet toe. Dat er lacunes zitten in het geschiedbeeld van Nederlandse historici ontkent hij zeker niet – dat was tenslotte precies wat hij tien jaar geleden op het Riod aan de kaak stelde. ‘Ik wilde beklemtonen dat wanneer ze zich daar exclusief concentreren op de Tweede Wereldoorlog, dit onvermijdelijk leidt tot een afgeknot perspectief op de twintigste eeuw, wat in Nederland dan ook op grote schaal het geval is geweest. Je kent de grap van de Amerikaanse geschiedenisstudent die na een college over de Eerste Wereldoorlog tegen zijn docent zegt: de Eerste? Ik dacht dat er alleen een Tweede Wereldoorlog was. Zo is het in Nederland ook. De zogenaamde korte twintigste eeuw, die veel historici in 1914 laten beginnen, is voor Nederland wel erg kort, want begint pas in 1940. Tegen die benepen blik, die nooit oog heeft voor langetermijnprocessen, vecht ik. Maar tussen Hirschfelds benadering en de mijne bestaan levensgrote verschillen.’

Hirschfeld is optimistischer. Afzijdig tijdens de Eerste en bezet tijdens de Tweede Wereldoorlog heeft Nederland zich lang in die rol kunnen wentelen. Tegenwoordig ziet Hirschfeld ‘een zekere deemoed, een zekere bescheidenheid. Dat is een gevolg van Srebrenica, maar bijvoorbeeld ook van discussies over het grijze verleden als het om de Tweede Wereldoorlog gaat, of van de binnenlandse opruiingen na de moord op Van Gogh. Ik denk niet dat de Eerste Wereldoorlog daarbij nog een belangrijke rol kan spelen, behalve als een soort vertrekpunt. En Srebrenica is zeker niet het eindpunt. Nederlandse soldaten vechten in Afghanistan en zullen in de toekomst zeker nog in andere oorden worden ingezet. Al zijn historici natuurlijk – hoe heet dat zo mooi – op het verleden gerichte profeten.’