Heerlijke nieuwe wereld: Willem Schinkel

‘De groei is overal’

Democratie, dat is voor socioloog Willem Schinkel ‘duizend mogelijkheden, elk moment weer’. Helaas doen Europese politici alsof er geen alternatieven zijn voor hun rampzalige crisisaanpak.

‘Ik ben totaal niet geïnteresseerd in het beschrijven van wat is. Dan mis je zoveel.’ Hoogleraar sociologie Willem Schinkel zegt het zonder blikken of blozen. ‘Nee, echt, ik meen het. Het heden is maar een heel beperkte horizon. Wat je schrijft moet vooral voor de toekomst interessant zijn. Daarom wil ik perspectieven bieden. Het gaat me niet om actualiteit. Het gaat om potentialiteit.’

Geen beter moment om daarover te praten dan in jaar vijf van de grootste crisis sinds de Tweede Wereldoorlog. De originele betekenis van het woord ‘crisis’, zo benadrukt Schinkel, is ‘beslissing’. Het is hét moment om fundamentele keuzes te maken. Om nieuwe politieke visies te ontwikkelen. Tot zijn grote verbazing en ergernis denkt de Nederlandse politiek daar anders over.

‘Mijn diagnose aan de vooravond van de crisis was: er is depolitisering. Onder invloed daarvan was politiek verworden tot probleemmanagement. Politieke partijen waren nauwelijks meer van elkaar te onderscheiden. Eén groot d66. Maar wat hebben we in plaats daarvan gekregen? Een soort nieuw paars kabinet van pvda en vvd. Nóg meer depolitisering dus! Misschien is dat heel naïef, maar ik dacht dat in een partij als de pvda, onder invloed van de crisis, vroeg of laat heel anders gedacht zou gaan worden. Helaas. Zo’n partij heeft blijkbaar helemaal geen eigen visies. Ze omarmt alleen maar ideeën die allang gemeengoed zijn. Ondertussen worden politieke beslissingen vervangen door economische calculaties. Vergeet niet: dat was de basis voor het succes van Fortuyn indertijd. Vroeg of laat zal er weer zoiets gebeuren.’

Op zijn bureau op de zesde verdieping van een flat van de Erasmus Universiteit, hoog boven Rotterdam, heerst chaos. Oude nummers van de New York Review of Books en het Passagen-Werk van Walter Benjamin liggen begraven onder stapels boeken met titels als Oceanography: An Invitation to Marine Science. Die brede interesse komt terug in zijn werk. Willem Schinkel, jaargang 1976, staat er inmiddels om bekend ver buiten de gebaande paden van zijn vakgebied te treden. Hij schuwt de grote greep niet, doorspekt zijn boeken met zelf bedachte woorden en lijkt er plezier in te hebben om elke algemeen geaccepteerde opinie onderuit te schoffelen.

Hij denkt, om met Nietzsche te spreken, met de hamer. Of misschien past het breekijzer de geboren Kampenaar wel beter. In zijn in 2007 verschenen studie Denken in een tijd van sociale hypochondrie zette hij dat instrument op onnavolgbare wijze in het vastgeroeste integratiedebat. Hoezo problemen met allochtonen? De discussie toonde volgens Schinkel eerst en vooral een maatschappij die zich op het hoogtepunt van haar welvaart blindstaart op vermeende aandoeningen. In een interview met De Groene Amsterdammer noemde hij Nederland ‘een paranoïde patiënt zonder zelfvertrouwen, die overal om zich heen bedreigingen ziet van zogenaamde radicale elementen of vreemde smetten’. En: ‘Het is de hypochonder die zijn billen spant, de broekriem aanhaalt, zijn ogen samenknijpt en zich ondertussen alleen maar zieker en kwetsbaarder voelt.’ Die opmerkelijke analyse leverde hem bewondering, afkeer en een optreden in Zomergasten op.

Vorig jaar probeerde hij met De nieuwe democratie de vensters open te wrikken van wat hij ‘museum Nederland’ noemt. Want daar gaat het hem om: nieuwe vormen en gedachten binnen te laten stromen in het bedompte, navelstaarderige politieke debat. Kom bij hem dus niet aan met de mededeling dat het nu eenmaal niet anders kan, zoals technocraten als Mark Rutte, Klaas Knot en Jeroen Dijsselbloem niet moe worden te betogen in de crisis. Willem Schinkel: ‘Wat is vrijheid anders dan het hebben van alternatieven? Een democratie die beweert dat er geen alternatieven zijn voor de fundamentele economische en politieke beslissingen, die zegt in feite dat ze geen democratie is.’

Tijdens de campagne voor de Tweede Kamerverkiezingen een jaar geleden bleek de crisis juist aanleiding te zijn voor mensen om saaie, technocratische bestuurders te verkiezen boven politieke experimenten. Hoe verklaar je dat?

‘De verkiezingsstrijd ging om een paar procentpunten koopkracht in 2040. En dat op basis van prognoses van hetzelfde Centraal Planbureau dat in 2007 nog geen crisis zag aankomen – alsjeblieft zeg! Zodra je de cijfers van het cpb als feiten gaat beschouwen, zoals de politieke partijen doen, veranderen ze in leugens. Maar wat je ziet, is dat uitgerekend wanneer onze politiek-economische orde bedreigd wordt, de ideologische ruimte om over alternatieven na te denken radicaal vernauwt.’

‘Op dit moment gaat het alleen maar over “groei”. Het is het laatste doel dat ons rest. Het ideaal van onze maatschappij is de dikzak. Operatie obesitas. Dat terwijl je je van heel veel vormen van groei kunt afvragen wat de gemiddelde burger daaraan heeft. Groei is helemaal niet in ieders belang. Maar iedereen die oppert dat het niet goed is om uitsluitend daarop te focussen, plaatst zich buiten de orde. Ja hoor, leuk om over na te denken, klinkt het dan, maar we moeten eerst weer groeien.’

De economie krimpt, dit jaar naar verwachting met bijna een procent. Was er maar groei

‘Nee! De groei is niet weg. Ze is overal, het gaat er de hele tijd over. Want dat is wat groei is: de preoccupatie met een thema dat plausibel maakt dat wij een afgebakende, nationale economie vormen. Dat is een vrij absurd idee in deze tijd. Groei is meer dan ooit aanwezig, zij het in negatieve zin: er is een gebrek aan groei.’

Eén voordeel: de focus op groei heeft de aandacht afgeleid van het door jou gehekelde integratiedebat. Zelfs Geert Wilders is minder in het nieuws.

‘Volgens mij zijn er twee andere, veel belangrijkere redenen dat er minder over integratie wordt gesproken. De eerste is heel praktisch: beleidstermen wisselen om de paar jaar. Er is al langer een beweging gaande van “integratie” naar “burgerschap” en “participatie”. Uiteindelijk komt het allemaal neer op hetzelfde mechanisme. Ten tweede: door die hele problematisering van integratie heeft in de afgelopen jaren een nieuwe manier van spreken en denken zijn intrede gedaan. Wat ik “multiculturealisme” noem – het historisch onjuiste idee dat we ooit multicultureel waren, maar inmiddels realist geworden zijn – is algemeen geaccepteerd. Het hele politieke spectrum heeft het over de noodzaak van culturele aanpassing door migranten. Er is dus eigenlijk geen debat meer nodig. De doelen van de Centrum Democraten in de jaren tachtig zijn gerealiseerd. Wat Janmaat toen voorstelde, zou tegenwoordig totaal niet meer extreem zijn. Mark Rutte zegt precies hetzelfde.’

Je noemt de crisis een moment van beslissing. Het biedt mogelijkheden voor een nieuw begin.

Dat betekent ook dat er iets wordt afgesloten. Maar wat?

(Grinnikt ondeugend) ‘Het is eigenlijk heel marxistisch. Het kapitalisme gebruikt crises om zijn positie te verstevigen en zich te vernieuwen. Dat is wat er in de jaren zeventig ook gebeurde. De linkse waarden van toen – authenticiteit, ­creativiteit, autonomie – zijn tegenwoordig kapitalistische kernwaarden. Die vernieuwing was nodig, want het oude industriële kapitalisme stuitte op haar grenzen. Zoiets gebeurt nu ook.’

Welke vernieuwing zie jij dan binnen het kapitalisme? Er zijn genoeg aanzetten – de groene economie, 3D-printers, peer-to-peer-netwerken, de nieuwe commons – maar wat beklijft er?

‘Het permanent, dag en nacht productief inzetbaar zijn van de geest om te werken – dat is een belangrijke vernieuwing. Mensen met beroepen zoals jij en ik doen dat in feite al. Je bent nooit klaar met je werk. En er is een versnelling van de heroriëntatie van de verzorgingsstaat die al sinds de jaren tachtig gaande is. Ik zeg bewust “heroriëntatie”, want het is niet simpelweg een “afbraak”. Volgens sommige berekeningen is de verzorgingsstaat in volume alleen maar toegenomen. Maar de manier waarop er nu bezuinigd wordt, is heel ideologisch. Dat zie je ook in het buitenland, bijvoorbeeld in Engeland met David Camerons “Big Society”. De staat mobiliseert burgers en maakt ze verantwoordelijk voor het openbaar bestuur. Tegelijk brengt die eigen verantwoordelijkheid risico’s met zich mee en vereist extra controle: mensen kunnen wel eens afwijken van het sociaal gewenste gedrag. Het gaat, kortom, om een nieuwe verhouding tussen markt en overheid. Neem de ouderenzorg. Die is in twintig jaar tijd totaal veranderd. Het idee van collectieve verantwoordelijkheid is daar helemaal uitgehaald.’

tegelijkertijd zijn er de laatste jaren allerlei initiatieven van onderop waarbij mensen zelf vorm geven aan solidariteit. Is dat geen reden tot optimisme?

‘Ja en nee. Ik deel dat enthousiasme over de _do-it-ourselves-_trend – en tegelijkertijd ook helemaal niet. Wat ik hoopvol vind, zijn initiatieven die niet aan één sector gebonden zijn. Die dus niet óf over de arbeidsmarkt óf de energievoorziening gaan, maar dat combineren. Denk aan samen met de buurt duurzame energie opwekken. Het nadeel is dat alleen de gegoede middenklasse zoiets kan doen. Zulke initiatieven zijn geen vervanging voor solidariteit op echt collectieve schaal. Toegegeven, het creëert wel een momentum. Het is aan de politiek om dat te gebruiken, zodat die ontwikkelingen onder álle lagen van de bevolking ingang vinden.’

Je hebt je eigen positie in het debat, in navolging van de Franse socioloog Pierre Bourdieu, vaker omschreven als ‘links van links’. Dat weerhoudt je er niet van om, op zoek naar openingen in de huidige, dichtgetimmerde politieke situatie, bewegingen te omarmen waar de meeste progressieve wetenschappers hun neus voor ophalen. Nationalisme, bijvoorbeeld.

‘Waarom niet? Een echte, kritische nationalist kijkt naar de toekomst. Niet naar het verleden. Dat biedt allerlei aanknopingspunten. Nationalisme is zo’n enorm reservoir van collectieve solidariteit, dat vind je nergens anders. Dus waarom zou je dat niet mobiliseren, maar dan voor andere doeleinden?’

Misschien omdat er op langere termijn nooit zoiets bestaan heeft als een progressief nationalisme? Zelfs linkse nationalistische bewegingen, of het nou Basken, Ieren of Koerden zijn, krijgen vroeg of laat behoudzuchtige, xenofobe trekjes.

‘Als de nationalistische doelen ten dele verwezenlijkt worden, sluipt er een conservatief element in. Dat klopt. Ons huidige neonationalisme is reactionair. Het is bang de Nederlandse natie kwijt te raken. Maar dat geldt bijvoorbeeld niet voor het nationalisme in de negentiende eeuw. Dat moest een natie creëren uit het niets, want voor die tijd was er helemaal geen natie. Denk aan Johann Gottlieb Fichte’s Reden an die deutsche Nation. Dat waren geen toespraken aan een Duitse natie die daar in de zaal zat, op de hei. Nee, hij moest zijn publiek nog overtuigen om een Duitse natie te wórden.

Daar zit een utopisch element in. De natie is nooit een van tevoren vaststaand gegeven. Er komt verbeelding bij kijken. Dat biedt dus ook een uitgelezen moment, een “kairos”, om tot een andere verbeelding te komen. Bovendien: het nationalisme is er historisch gezien wel als enige in geslaagd om voor de politieke solidariteit te zorgen die nodig is om een democratie te dragen. Natuurlijk, er zijn voorbeelden van Griekse en middeleeuwse stadstaten. Maar dat is veel kleinschaliger. Wie stelt dat nationalisme slecht is, moet daarom eerst eens nadenken over de geschiedenis van de democratie. Zonder nationalisme was dat niet mogelijk geweest.’

eurosceptici zien de nationale democratie als hét alternatief voor Europese technocratie.

‘Ik ben helemaal geen euroscepticus. Natio­nalisme is voor mij een grondgebonden vorm van solidariteit. Dat kan ook de Europese grond zijn. Trouwens, Nederland is veel technocratischer dan Europa. Als Europa een technocratie is, dan alleen maar omdat het de diverse nationale technocraten verenigt. Welk Europees land heeft op dit moment nou een democratie die je werkelijk politiek kunt noemen? Overal zijn crisisbezweerders aan de macht die dezelfde loze mantra van bezuinigen herhalen. Natuurlijk, op sommige punten zijn er conflicten tussen Noord- en Zuid-Europeanen, maar qua stijl verschillen ze niet.’

Stemt de eurocrisis jou niet somber? In veel landen lijkt het alsof de enige serieuze oppositie tegen het huidige beleid van populistische zijde komt. Het is de duivel of Beëlzebub. Of iets concreter: Olli Rehn of Viktor Orbán.

‘Het is waar dat de door technocratisch beleid opgeroepen politieke oppositie vaak populistisch is. De reden ligt voor de hand. Als politiek verzandt in technocratie, is er een bepaalde stijl nodig om haar open te breken. Vergeet niet dat populisme een belangrijk, politiserend moment heeft. Het herinnert aan de democratische belofte. Een beweging als Occupy heeft ook een sterk populistisch element. Het populisme wil representatie vervangen door presentie. Tegelijkertijd is dat een onmogelijkheid. Die onmogelijkheid, de kloof tussen politiek en burger, moet wat mij betreft vooral blijven bestaan. Dat is de enige manier waarop je nog een zekere afstand kunt bewaren tot de politiek, die jou te veel praat over participeren en burgerschap. De kloof is een voorwaarde voor kritische distantie. Maar om terug te komen op je vraag: is populisme het enige antwoord op technocratie. Ik denk het niet. Sterker nog, populisme is volgens mij juist kwetsbaar voor technocratie. Denk aan Wilders. Die wil de gedepolitiseerde politiek in het kwadraat doorvoeren. Ik noem dat realpopulisme. Het gaat nog steeds om problemen oplossen. Maar dan de échte problemen van de échte mensen écht oplossen.’

Om te variëren op een oude leus: een andere technocratie is mogelijk. Maar is er ook een heel ander soort oppositie tegen de huidige crisispolitiek denkbaar, voorbij het realpopulisme?

‘Alles is altijd mogelijk. Er kan wel degelijk een werkelijk politieke beweging op gang komen in Europa. Daar heb je wel een bepaalde stijl voor nodig. Als het niet populisme is, dan moet het charisma zijn. Een persoon kan charisma hebben, maar een beweging net zo goed. De Spaanse indignados, die pleinen bezetten om de werkloosheid onder jongeren aan de kaak te stellen, waren dat ook tot op zekere hoogte: charismatisch. Het gaat om een atmosfeer waarin je een bepaalde energie ervaart. Zoiets kan altijd en overal gebeuren. Dat is belangrijk om te beseffen.

De wereld bestaat uit sociale systemen. Daar lopen heel vreemde, psychisch-biologische wezens tussen die bundelingen van chaos zijn. Bronnen van onvoorspelbaarheid. Dat zijn mensen. Wat ik maar wil zeggen: wij hebben duizend mogelijkheden, elk moment weer. Denk maar aan Fortuyn. Ik had niets met zijn politieke ideeën, maar toch: nog een jaar voor zijn opkomst zag niemand hem aankomen.’


Serie: Heerlijke nieuwe wereld?

De wereld bevindt zich op een snijvlak. De alomtegenwoordige crisis – niet alleen in de economie, maar ook in de politiek en het milieu – doet vermoeden dat er een tijdperk is afgesloten. ‘Niets wordt meer als vroeger’, betogen politici van links tot rechts. Maar hoe wordt het dan wel? Hoe moeten we de huidige crises begrijpen, wat kunnen we verwachten van de stormachtige technologische ontwikkelingen, wat betekent dit voor ons mensbeeld, en waar gloort er hoop?

In een serie interviews met De Groene Amsterdammer buigen de meest toonaangevende denkers van het moment, uit binnen- en buitenland, zich over deze vragen – en komen al tastend tot een antwoord: hoe ziet die heerlijke nieuwe wereld eruit?