De groeimethode

De ondervragers turven de doorgelaten partijen drugs, de pers turft de leugens van de getuigen turven de verstreken minuten van hun verhoor. Een dagje enquetecommissie: `Wat een stelletje incompetente gekken bij elkaar’.
DEN HAAG - Donderdagmorgen 12 oktober. In de vergaderzaal van de Eerste Kamer is de commissie-Van Traa zojuist begonnen aan de driehonderdzeventigste dag van haar deprimerende fact-finding mission in het land van Hirsch Ballin, waar de vreemdste opsporingsmethoden aan de bomen groeien. Menig rechercheur die de afgelopen weken in de getuigenbank verscheen, verkeerde oprecht in de waan dat opsporingsmethoden als infiltratie, manipulatie en gecontroleerde doorlevering van drugs de goedkeuring hebben van het parlement, het ministerie van Justitie en het Openbaar Ministerie.

De getuigen uit de diverse echelons van het Openbaar Ministerie weten wel beter. Hoewel ze de afgelopen vijf jaar in hun onbetamelijke haast om voor de rechtbank te scoren bijna allemaal het gebruik van onwettige methoden hebben toegestaan, blijken ze ten overstaan van de commissie opeens stuk voor stuk te lijden aan onverklaarbare geheugenlacunes of dementia praecox.
Dat voorspelt niet veel goeds voor het Landelijke Rechercheteam (LRT), dat conform het regeerakkoord momenteel in de opbouwfase verkeert. Het LRT doet nu nog alleen financieel ofte wel ‘buitgericht’ onderzoek, maar zal naar verluidt binnen afzienbare tijd willen beschikken over eigen observatieteams, een eigen Criminele Inlichtingendienst (CID) en bijzondere opsporingsbevoegdheden. Uiteraard zal de justitiele controle op het LRT goed geregeld moeten worden, en wat dat betreft doen de huidige taferelen in de Haagse Senaatszaal het ergste vermoeden. Sommige officieren beweren glashard dat zij inkijkoperaties, pseudo-koop, infiltratie en doorlevering van drugs alleen kennen van horen zeggen, anderen geven na lang aandringen toe dat zij een enkele keer met zo'n operatie hebben ingestemd omdat zij door hun ondergeschikten voor het blok werden gezet. Voor het overige lijkt het wel of het justitiele rampjaar 1994 geheel aan de staande magistratuur voorbij is gegaan.
Welbeschouwd leveren de openbare verhoren niets nieuws op, afgezien van de constatering dat de gewraakte Delta-methode (doorlating van drugs naar de vrije markt met toestemming van Justitie) op zo grote schaal is toegepast dat de commissie nauwelijks toekomt aan het onderzoek van andere onwettige opsporingsmethoden. In haar voorrapport Opsporing verzocht vermeldde de commissie naast de Delta-methode nog tal van andere opsporingsmethoden die niet door de beugel kunnen: 'Het met dreiging van geweld afpersen van informatie, het opvangen van post zonder rechterlijk bevel, het afluisteren en binnentreden zonder rechterlijk bevel, het “buggen” van auto’s en huizen en het oogluikend toestaan van strafbare feiten om een informant te behouden. Het zijn stuk voor stuk methoden waarvoor Justitie met opzet geen wettelijke basis heeft gelegd, zodat excessen onvermijdelijk werden.’
ALS EERSTE verschijnt vandaag in de getuigenbank de Haarlemse hoofdofficier van Justitie mr. L. de Beaufort. Ook zijn biecht verloopt volgens het inmiddels vertrouwde ritueel. Hij erkent dat hij in de zomer van 1994, dus na de opheffing van het IRT Noord-Holland/Utrecht, de Delta-methode heeft gehanteerd: hij heeft ingestemd met de doorlevering van zes ton hasj onder regie van zijn Haarlemse Criminele Inlichtingendienst (CID). Nee, natuurlijk ging dat niet van harte, maar de informant waarmee de CID-Haarlem samenwerkte had de partij hasj al aan zijn criminele contacten verkocht en zou in levensgevaar komen als de zending in beslag werd genomen.
Achter de regeringstafel zucht Van Traa eens diep, terwijl commissielid De Graaf ongelovig met zijn ogen knippert. Maar ook de onschuld van de commissieleden is gespeeld. De commissie beschikt inmiddels over zoveel informatie uit geheime verhoren en archieven dat zij De Beaufort en vele andere officieren binnen vijf minuten schaakmat zou kunnen zetten.
Waarom gebeurt dat eigenlijk niet? Het gebrek aan vasthoudendheid van de commissie kan erop wijzen dat Van Traa c.s. zich toelegt op het uitwieden van de opsporingsmethoden en niet van het opsporingsapparaat. In elk geval is de stemming onder de aanwezige journalisten ronduit lacherig. Geen enkele getuige wordt serieus genomen, laat staan geloofd. Sinds het Utrechts Nieuwsblad zomer 1993 voor het eerst de methodenstrijd rond het IRT in de openbaarheid bracht, zijn kwesties als de ontsporing van infiltranten, de doorlevering van drugs, het gebrek aan toezicht door het Openbaar Ministerie en de kippedrift tussen de betrokken politiekorpsen uitputtend beschreven in alle kranten, met name door het Parool-duo Bart Middelburg en Kurt van Es. Hun boek Operatie Delta; hoe de drugsmafia het IRT opblies (1994) geldt als een standaardwerk voor IRT-watchers.
Terwijl het verhoor van De Beaufort voortkabbelt, slaat dan ook links en rechts de verveling toe. In de aangrenzende koffiekamer, eveneens voor de pers gereserveerd, zijn de verhoren te volgen op een televisiemeubel met vuistdikke afstelknoppen, zo te zien een aanschaf uit de tijd toen ambtsdragers nog in hele zinnen spraken. Hier hangen de laatkomers onderuit met schrijfgerei en gevulde koeken onder handbereik. De kamerbedienden werpen tijdens het koffieschenken verachtelijke blikken op het scherm. Sinds de arme De Wit onder de verbale tortuur van de commissie een hele karaf water leegdronk, meten zij de geloofwaardigheid van de getuigen af aan hun waterverbruik: 'Al meer dan drie glazen, Van Traa. Hij liegt!’
MAAR DE BEAUFORT blijft wonderwel overeind, althans voor de camera. Van opzij is te zien dat hij grote moeite heeft om zijn voeten stil te houden. Nee, van andere drugstransporten onder Haarlemse regie is hij niet op de hoogte. Hij neemt een flinke slok water. Desgevraagd wil hij wel verklaren dat hij de Delta-methode afwijst, principieel zelfs. In de kamerbankjes wordt besmuikt gelachen. Nog geen 24 uur eerder heeft zijn directe ondergeschikte, de Haarlemse officier Van der Veen, tegen de commissie gezegd de doorleveringsmethode nog steeds het 'ei van Columbus’ te vinden.
Niet bekend
De lankmoedigheid van de commissie in het aangezicht van zoveel selectieve vergeetachtigheid heeft al geleid tot oproepen om de openbare verhoren maar helemaal te staken. En het moet gezegd: vergeleken bij de RSV-commissie, aangevoerd door dossiertijgers als Cees van Dijk en Marcel van Dam, maken Van Traa en de zijnen maar een tamme indruk. De meeste verhoren zijn in samenspraak met de getuigen grondig voorbereid om het uitlekken van gevoelige informatie te voorkomen. Over casussen wordt alleen in abstracte termen gesproken, de betrokkenen blijven buiten schot. In arren moede legt iedereen zich toe op het maken van optelsommen: de commissie turft de doorgelaten partijen drugs, de pers turft de leugens van de getuigen en de getuigen turven op hun beurt de verstreken minuten van hun verhoor.
Toch tekent zich inmiddels een duidelijk beeld af van de deconfiture van het IRT en de algehele verloedering van de opsporingsethiek. In elk geval is vast komen te staan dat de Amsterdamse leiding het IRT terecht heeft opgeheven omdat de gehanteerde methoden ontoelaatbaar waren en niet - zoals de commissie-Wieringa na een kort en partijdig onderzoek constateerde - omdat het IRT gevallen van vermeende corruptie in de top van het Amsterdamse korps op het spoor was gekomen. De justitiele onderzoekers en criminologen die als eersten voor de commissie verschenen, hebben het beeld van de zware, georganiseerde misdaad op vele punten gerelativeerd. Criminoloog Van Duyne van het wetenschappelijk onderzoekscentrum van Justitie sprak zelfs van een 'spookbeeld’ waardoor ambtenaren en politici zich hadden laten leiden. De zwaar overtrokken analysen mondden tenslotte uit in de roep om een superteam naar Angelsaksisch voorbeeld.
Het in 1989 opgerichte Interregionaal Rechercheteam Noord-Holland/Utrecht moest maar liefst self-supporting en op need-to-know-basis gaan werken aan een full-time onderzoek van main-targets. Bovenaan de lijst stond het hasj-imperium van Klaas Bruinsma, waarop Justitie al jaren gebrand was. Het honderd man sterke IRT kwam onder leiding te staan van de Utrechtse rechercheurs Lith en Van Baarle. Het hoofdkwartier werd gevestigd in Amsterdam, maar Lith wilde niets te maken hebben met het Amsterdamse korps dat zich al sinds de jaren zeventig had verzet tegen 'grensverleggende’ opsporingsmethoden. Het justitiele toezicht kwam echter in handen van een Amsterdamse officier, mr. W. Franken van Bloemendaal, die zich uitgerekend aan de letter van de wet wilde houden. Gezien de al jaren slepende burenruzies tussen Amsterdam en Utrecht was een competentiestrijd rond het IRT dus onvermijdelijk.
Na de aanschaf van enige sportwagens en twee dozijn glimmend gelakte middenklassers met zwiepende antennes kon het grensverleggende recherchewerk tegen Bruinsma beginnen. Helaas wist de hasjhandelaar van meet af aan meer over het IRT dan andersom. Hij beschikte bijvoorbeeld over een complete lijst van de kentekens en radiokanalen van alle Nederlandse politie- en veiligheidsdiensten. Twee jaar lang besteedde het team al zijn energie aan dit bij voorbaat kansloze onderzoek. Tot overmaat van ramp stond Lith met lege handen toen Bruinsma op 27 juni 1991 bij het verlaten van het Amsterdamse Hilton door de concurrentie werd geliquideerd. Het hele onderzoek had zich namelijk op zijn persoon gericht.
DEZE MISLUKKING zou vrijwel zeker hebben geleid tot opheffing van het peperdure rechercheteam, ware het niet dat de Haarlemse CID op het kritieke moment uitkomst bood. De Haarlemse CID'ers Langendoen en Van Vondel hadden nog een informant in de aanbieding, die eventueel bereid was om te infiltreren in de organisatie van de erven-Bruinsma, het zogenaamde Delta-syndicaat. Als het IRT tot samenwerking bereid was, wilde Langendoen de informant laten 'groeien’ in het Delta-syndicaat tot hij de top had bereikt. Had hij eenmaal contact gelegd met de leiders, dan zouden die in een klap ingerekend en voor jaren achter de tralies gebracht kunnen worden. De informant stelde wel als voorwaarde dat hij de winst op de drugleveranties die hij moest verrichten om in de organisatie te stijgen, zelf mocht houden. Bovendien wilde Langendoen samen met Van Vondel de informant blijven runnen, zonder tussenkomst van het IRT.
Alvorens de 'groeimethode’ kon worden toegepast, moest Lith eerst de onkreukbare Franken van Bloemendaal lozen. In juni 1992 vond hij procureur-generaal Van Randwijck daartoe bereid; op diens gezag werd de avontuurlijke Haarlemse officier Van der Veen aangesteld als IRT-officier. Vanaf dat moment gingen alle remmen los en werd de Nederlandse markt onder IRT- regie containergewijs overspoeld met Columbiaanse weed en cocaine. Terwijl de informant slapende multimiljonair werd, waanden de Haarlemse CID'ers zich de grootste crime-busters uit de vaderlandse historie, hoewel ze geen enkele aanhouding van betekenis verrichtten. Zodra de verantwoordelijke bestuurders van het Amsterdamse korps (de 'driehoek’ van burgemeester Van Thijn, hoofdcommissaris Nordholt en hoofdofficier Vrakking) hier eind 1993 lucht van kregen, besloten zij het IRT dan ook met onmiddellijke ingang op te heffen.
Alles tot kennelijke tevredenheid van Van Randwijck, die vandaag als tweede getuige optreedt. Binnen tien minuten wordt duidelijk waarom hij in het circuit de bijnaam 'Van Rampwijck’ heeft. Desgevraagd beweert hij dat hij nooit op de hoogte is geweest van de tegenstellingen tussen de Amsterdamse en Haarlemse korpsen: 'Zulke dingen zijn mij eenvoudig niet verteld.’ Van de Delta-methode hoorde hij naar eigen zeggen voor het eerst in januari 1993, toen het IRT zijn toestemming vroeg - en kreeg! - voor de gecontroleerde doorlevering van 130 kilo cocaine. Werd er in het college van procureurs-generaal dan niet over deze methoden gesproken?, wil Van Traa weten. Nee, dat gebeurde nooit, zegt Van Randwijck met uitgestreken gezicht. De commissie-Wieringa had de methode immers goedgekeurd? Terwijl Van Traa met een theatraal gebaar zijn armen in de lucht werpt, vraagt Koekoek aan Van Randwijck hoe hij deze onvoorstelbare nalatigheid bij het OM verklaart. 'Misschien hebben sommige collega’s te weinig lef’, oppert de PG. 'Hoe bedoelt u dat precies?’ vraagt Koekoek. 'Nee, nee,’ herstelt Van Randwijck zich, 'Ik voel al waar u naartoe wilt. Ik neem mijn woorden maar liever terug.’
BIJ ZOVEEL WANKELMOEDIGHEID is het niet verwonderlijk dat de Haarlemse CID'ers na de opheffing van het IRT op eigen gezag doorgingen met de Delta-methode. Ze troffen zelfs een regeling waarbij de informanten een deel van hun drugswinsten afstonden aan de politie voor de aanschaf van apparatuur en auto’s en de huur van loodsen, waarvan Langendoen een zwarte boekhouding bijhield. De zogenaamde 'dek-ladingen’ waarin de drugs verstopt waren, werden voor rekening van Justitie verkocht. Haarlem werd het toneel van een soort Miami Vice op klompen, met Sonny Langendoen en Ricardo van Vondel in de hoofdrollen. Ze verlegden hun werkzaamheden ook naar Utrecht, Enschede en Rotterdam, maar in Amsterdam stuitten ze op de onverzettelijkheid van de genoemde Vrakking, die als derde in de getuigenbank plaatsneemt.
In afgemeten zinnen vertelt hij de commissie dat de 'groei-methode’ per definitie uit de hand loopt, omdat de informant steeds zwaardere misdaden moet plegen om in zijn criminele organisatie te kunnen groeien. Tegelijk loopt hij een steeds groter risico in geval van ontmaskering. Zodoende kan de informant de politie gemakkelijk manipuleren en zelfs chanteren. De CID- Haarlem had dit spelletje meegespeeld en tot tweemaal toe geprobeerd om hem, Vrakking, door chantage te bewegen tot het doorleveren van containers. De Amsterdamse verontwaardiging over het rapport-Wieringa klinkt door in zijn stem: 'Dat zullen we dan wel eens zien, heb ik toen gezegd. We hebben die containers allebei geveegd (in beslag genomen - ab) op het moment dat ze de haven binnenkwamen.’
De laatste getuige van vandaag, de Rotterdamse hoofdofficier De Groot, heeft zich wel door de Haarlemse CID laten ringeloren. Nietsvermoedend gebruikte hij een door Haarlem aangeboden informant in de Rotterdamse haven, terwijl deze van Haarlem zijn partijen op de markt mocht brengen en de winst zelf mocht houden. 'Voelt u zich gelangendoend? vraagt commissie-lid Rabbae tot besluit. Als het hoongelach bedaard is, trekt De Groot zijn beminnelijkste gezicht en geeft ongewild een perfecte samenvatting van de IRT-verhoren tot nu toe: 'Ik begrijp niet wat u bedoelt.’
Bij zoveel justitiele verwildering en incompetentie is niemand verbaasd als Het Parool op zaterdag onthult dat sommige doorgeleverde containers behalve softdrugs ook cocaine en wapens bevatten, terwijl het VPRO-programma Lopende Zaken op zondagavond met een nieuwe beschuldiging komt: de president van het college van procureurs-generaal, de vlezige poete maudit en voormalige BVD-chef Docters van Leeuwen, zou ongeoorloofde druk hebben uitgeoefend op een informant om tegen de commissie-Van Traa te liegen. Ook als het niet waar is, is deze farce tekenend voor de totale ontredddering bij het Openbaar Ministerie. Als Hirsch Ballin en zijn opvolgster Sorgdrager over enkele weken voor de commissie verschijnen, hebben zij veel, heel veel uit te leggen.