Palestijnse en Israëlische schoolboekjes

De Groene Lijn

De naam Israël staat niet in de Palestijnse schoolboeken en de naam Palestina niet in de Israëlische. Daar moet nodig verandering in komen.

TEL AVIV – Het is toch niet te geloven! In Palestijnse schoolboeken is geen Groene Lijn te bekennen! Daaruit blijkt toch overduidelijk dat de Palestijnen het bestaan van Israël niet erkennen, zelfs niet met de grenzen van vóór 1967! Ze beweren zelfs dat de ‘zionistische boevenbendes’ het land van de Arabieren hebben gestolen! Op die manier vergiftigen ze de hoofden van hun kinderen! Deze bloedstollende onthullingen werden onlangs weer eens in Israël en ook op andere plekken in de wereld gepubliceerd. De betekenis hiervan is duidelijk: de Palestijnse Autoriteit, die verantwoordelijk is voor de schoolboeken, kan voor Israël geen partner zijn in vredesonderhandelingen.

Wat een schokkende conclusie!

Nieuw is het verhaal niet. Eens in de paar jaar, als alle andere argumenten om te weigeren het gesprek met de Palestijnse leiders aan te gaan tot de draad zijn versleten, duikt het ultieme argument op: de Palestijnse schoolboeken roepen op tot vernietiging van Israël.

De ammunitie wordt altijd geleverd door een van de ‘professionele’ instellingen die zich hiermee bezighouden. Het zijn extreem rechtse organisaties die zich voordoen als wetenschappelijke instituten en die royaal worden gesponsord door joods-Amerikaanse multimiljonairs. Hele teams van betaalde medewerkers gaan met een haarfijn kammetje door alles wat wordt gepubliceerd in de Arabische media en schoolboeken en hebben daarbij een vooropgezet doel: bewijzen dat ze antisemitisch zijn, haat preken tegenover Israël en oproepen joden te doden. In een zee van woorden is het niet zo moeilijk toepasselijke citaten te vinden en al het andere te negeren.

Dus het is nu volkomen helder: de Palestijnse schoolboeken preken haat tegenover Israël. Zo wordt een nieuwe generatie terroristen opgevoed. Daarom kan er geen sprake van zijn dat Israël en de rest van de wereld de boycot van de Palestijnse Autoriteit beëindigen.

Maar hoe staat het aan de Israëlische kant? Wat staat er in de Israëlische schoolboeken? Is daar de Groene Lijn wél te vinden? Wordt het recht van de Palestijnen om een staat te stichten aan de andere kant van de grenzen van vóór 1967 erkend? Kun je in Israëlische boeken liefde voor het Palestijnse volk lezen (of op z’n minst dat zo’n Palestijns volk bestaat), of respect voor de Arabieren in het algemeen, of enige kennis van de islam?

Het antwoord op al deze vragen is: nee, absoluut niet.

Niet lang geleden kwam de Israëlische minister van Onderwijs Yuli Tamir met een bombastische aankondiging. Ze was van plan in de Israëlische schoolboeken de Groene Lijn aan te geven. Bijna veertig jaar geleden was die lijn uit de boeken verwijderd. De rechtse partijen reageerden woedend en niemand heeft ooit meer iets van dit voorstel gehoord.

Van de kleuterschool tot de laatste dag van de middelbare school krijgen de Israëlische leerlingen nimmer te horen dat de Arabieren enig recht zouden hebben op enig deel van dit land. Integendeel, het is duidelijk dat het land alleen ons, de Israëliërs, toebehoort, dat God het persoonlijk aan ons heeft gegeven, dat we er inderdaad ooit, in het jaar 70, uit zijn verdreven door de Romeinen na de vernietiging van onze Tempel (wat trouwens een mythe is), maar dat we er na de stichting van de zionistische beweging weer zijn teruggekeerd. Sinds die tijd hebben de Arabieren echter keer op keer geprobeerd ons van de aardbodem te verdrijven, zoals de niet-joden, de goyim, dat al generatie na generatie hebben gedaan. In 1936 hebben de ‘boevenbendes’ (zo noemt Israël de strijders van de Arabische Revolutie) ons aangevallen en vermoord. Enzovoort, enzovoort, tot op de huidige dag.

Als hij door deze pedagogische molen is gehaald, ‘weet’ de joods-Israëlische leerling dat de Arabieren een primitief volk zijn met een moordzuchtige godsdienst en een armzalige cultuur. Deze opvatting brengt hij met zich mee als hij een paar weken later het leger in gaat. Daar wordt deze opvatting bijna automatisch bevestigd. De dagelijkse vernedering van oude mensen en vrouwen – om het niet over alle anderen te hebben – bij de controleposten van het leger zou anders niet mogelijk zijn.

Het is natuurlijk de vraag of schoolboeken werkelijk zoveel invloed hebben op de leerlingen. Vanaf hun vroegste jeugd absorberen kinderen de sfeer van hun omgeving. De gesprekken thuis, dat wat ze zien op de televisie, wat er gebeurt op straat, wat ze horen van vriendjes in de klas – dat alles beïnvloedt ze veel meer dan wat er geschreven is in de boeken, die ook nog worden geïnterpreteerd door onderwijzers die zelf ook aan deze invloeden blootstaan.

Een Arabisch kind ziet op de televisie een oude vrouw klagen over de verwoesting van haar huis. Hij ziet op de muren in de straten foto’s van heldhaftige martelaars, zoons van de buurt waar hij woont, die hun leven hebben gegeven voor hun volk en hun land. Hij hoort wat er is gebeurd met zijn neef, die vermoord is door die slechte joden. Hij hoort van zijn vader dat ze geen vlees of eieren kunnen kopen omdat de joden hem niet toestaan te werken zodat ze te eten hebben. Thuis is er het grootste deel van de dag geen water. Moeder vertelt over grootvader en grootmoeder, die zestig jaar lang zijn weggekwijnd in een miserabel vluchtelingenkamp in Libanon. Hij weet dat zijn familie is verdreven uit hun dorp in wat later Israël zou worden en waar nu joden wonen. De held van de klas is een jongen die op een passerende Israëlische tank is gesprongen of die het durfde van tien meter afstand een steen te gooien naar een soldaat die daar stond met gericht geweer.

We gingen eens naar een Palestijns dorp om de inwoners te helpen een huis te herbouwen dat de dag ervoor door het Israëlische leger was verwoest. Toen de volwassenen bezig waren de laatste hand te leggen aan het dak vormden de plaatselijke kinderen een kring om mijn vrouw Rachel en toonden grote belangstelling voor haar camera. Er ontstond een gesprek, dat ongeveer zo ging: ‘Waar komen jullie vandaan? Uit Amerika?’ ‘Nee, we komen hier vandaan.’ ‘Zijn jullie messihiin (christenen)?’ ‘Nee, Israëliërs.’ ‘Israëliërs?’ (Algemeen gelach.) ‘Israëliërs doen: boem boem boem!’ (Ze doen schietende soldaten na.) ‘Nee, echt, waar komen jullie vandaan?’ ‘Uit Israël, we zijn joden.’ (Ze kijken elkaar aan.) ‘Waarom komen jullie hier naartoe?’ ‘Om te helpen met het werk.’ (Gefluister en gelach.) Een jongetje holt naar zijn vader: ‘Deze vrouw zegt dat ze joden zijn.’ ‘Dat is waar’, bevestigt de vader enigszins verlegen met de situatie: ‘Het zijn joden, maar goede joden.’ De kinderen trekken zich terug. Ze lijken niet geheel overtuigd.

Wat kunnen schoolboeken hieraan veranderen? En als het om de joods-Israëlische kant gaat? Vanaf zijn vroegste jeugd ziet het kind de beelden van zelfmoordaanslagen op tv, lichamen die overal verspreid op de grond liggen, gewonden die worden weggebracht in ambulances waarvan de sirenes een bloedstollend gegil uitstoten. Hij hoort dat de nazi’s in Polen de hele familie van zijn moeder hebben afgeslacht en in zijn bewustzijn worden nazi’s en Arabieren een en hetzelfde. Iedere dag hoort hij op het nieuws boze dingen over wat de Arabieren nu weer doen, dat ze de staat Israël willen vernietigen en ons Israëliërs de zee in willen drijven. Hij weet dat de Arabieren zijn broer, de soldaat, willen doden, zonder enige reden, alleen maar omdat het zulke laffe moordenaars zijn. Er bereikt hem geen enkel bericht over het leven in ‘de gebieden’, die misschien maar op een paar kilometer afstand liggen. Totdat hij in dienst moet zijn de enige Arabieren die hij tegenkomt Israëlisch-Arabische arbeiders die ondergeschikt werk doen. Als hij in het leger gaat, ziet hij ze alleen door het vizier op zijn geweer, ieder van hen is een potentiële ‘terrorist’.

Een verandering in de schoolboeken heeft alleen zin als ook de alledaagse werkelijkheid verandert. Wil dat zeggen dat schoolboeken geen enkele betekenis hebben? Het belang van die boeken moet zeker niet worden onderschat.

In de late jaren zestig gaf ik een lezing in een kibboets. Ik legde uit dat het nodig is dat er een Palestijnse staat naast Israël komt (toen nog een tamelijk revolutionair idee). Een van de kibboetsniks vroeg: ‘Ik begrijp er niets van! U wilt dat wij al het land dat we hebben veroverd teruggeven. Land is iets echts, land en water. Wat krijgen we daarvoor terug? Abstracte woorden zoals “vrede”? Krijgen we niets praktisch?’

Ik antwoordde dat er van Marokko tot Irak tienduizenden klaslokalen zijn en dat in elke klas een landkaart hangt. Op al deze kaarten wordt het grondgebied van Israël aangeduid als ‘bezet Palestina’ of er staat helemaal niets. Voor ons is het nodig dat de naam Israël op al die duizenden kaarten verschijnt.

Nu zijn we veertig jaar verder en de naam Israël staat niet in de Palestijnse schoolboeken, noch, neem ik aan, op enige landkaart in de scholen van Marokko tot Irak. Evenmin staat natuurlijk de naam Palestina op de landkaarten in de Israëlische scholen. Pas als hij in het leger zit, ziet een jonge Israëliër voor het eerst een kaart van ‘de gebieden’, met zijn krankzinnige puzzel van zones A, zones B, zones C, nederzettingen en apartheidswegen.

Een landkaart is een wapen. Toen ik een kind was in het Duitsland van tussen de twee wereldoorlogen hing er een landkaart aan de muur van mijn klas. Duitsland had op deze kaart twee grenzen. De ene was, als ik het me goed herinner, groen, dat was de bestaande grens die was vastgesteld door het Verdrag van Versailles na de Eerste Wereldoorlog. De andere grens, aangegeven door vurig rood, was de grens van vóór die oorlog. In duizenden klaslokalen verspreid over heel Duitsland, dat toen werd geregeerd door de sociaal-democraten, zagen de leerlingen elke dag voor hun ogen hoe verschrikkelijk onrechtvaardig Duitsland was behandeld toen er aan alle kanten stukken van waren ‘afgerukt’. Zo groeide een hele generatie op die bereid was haar plicht te doen in de oorlogsmachine van de nazi’s tijdens de Tweede Wereldoorlog. (Vijftig jaar later bracht ik een beleefdheidsbezoek aan die school in Duitsland. Ik vroeg het hoofd van de school naar de landkaart en hij werd binnen enkele minuten opgedoken uit het archief.)

Nee, ik doe echt niet luchthartig over landkaarten. In het bijzonder niet over landkaarten op scholen. Ik herhaal nog eens wat ik toen heb gezegd: het doel moet zijn dat een kind in Ramallah aan de muur van zijn klas een landkaart ziet hangen waarop de staat Israël wordt aangegeven. En dat een kind in een dorp in Israël aan de muur van zijn klas een kaart ziet waarop de staat Palestina wordt aangegeven. Niet uit dwang, maar door overeenstemming.

Dat is natuurlijk onmogelijk zolang Israël geen grenzen heeft. Hoe kan op een landkaart een staat worden aangeven die vanaf zijn eerste dag bewust en onvermurwbaar heeft geweigerd zijn grenzen te bepalen? Kunnen we serieus eisen dat het Palestijnse ministerie van Onderwijs een kaart publiceert waarin het hele Palestijnse grondgebied binnen de staat Israël ligt?

Aan de andere kant, hoe kunnen we de naam Palestina op de kaart aangeven als er geen Palestijnse staat is? Zelfs de meeste Israëlische politici die zich – althans pro forma – uitspreken vóór een tweestatenoplossing doen hun uiterste best om te vermijden te zeggen waar de grens tussen die twee staten zal lopen. Tzipi Livni, de Israëlische minister van Buitenlandse Zaken, is het geheel en al oneens met de aankondiging van haar collega, de minister van Onderwijs, Yuli Tamir, dat zij de Groene Lijn op de kaart wil zetten, want dat zou dan wel eens als de grens kunnen worden gezien.

Vrede betekent een grens. Een grens die door overeenstemming is vastgesteld. Zonder vrede is het een gotspe om van de andere kant iets te eisen wat we van onze kant nooit van plan zijn te doen.

Vertaling Max Arian