Het eerste nummer na vijf jaar Duitse bezetting

De Groene meldt zich present

Anderhalve week na de bevrijding verschijnt voor het eerst in vierenhalf jaar weer een nummer van De Groene. Bij gebrek aan middelen is het een dun krantje, maar de voorpagina draagt de fiere kop ‘De Groene meldt zich present.’ Hierin wordt aangeknoopt bij het verleden van het blad, maar vooral naar de toekomst gekeken.

Toen de nazihorden ons land overmeesterd hadden, was De Groene de eerste die ervan doordrongen was dat het een gevaarlijke illusie zou zijn te menen dat van een enigerlei vrije meningsuiting in politieke zaken sprake zou kunnen zijn en van die overtuiging ook metterdaad blijk gaf.

Voortzetting van de politieke strijd zou slechts voortzetting van de strijd tegen het fascisme kunnen zijn, en men moest wel zeer naïef zijn, of willen lijken, om aan te nemen dat zodanige strijd in het openbaar aangebonden, in welke vorm dan ook, of zelfs maar een, op zichzelf reeds karakterloze, neutraliteitspolitiek, door Goebbels en Himmler getolereerd zou worden. Wie zich aan het een of ander zou wagen, zou zich vroeger of later tot lippendienst aan de vijand gedwongen zien. Dat was van de aanvang af duidelijk voor een ieder die niet ziende blind was, maar dat waren zelfs in 1940, helaas, nog al te velen.

De Groene trok zich, onmiddellijk na de capitulatie, welbewust van het politieke terrein terug, en legde van dit besluit aan zijn getrouwe lezers verantwoording af. Nog korte tijd bleef hij trachten op de overblijvende terreinen van het nationale leven zijn taak naar behoren te vervullen, zonder ook maar ooit met één woord enigerlei concessie aan het nazidom te doen. Toen het duidelijk werd dat het ook op die gebieden niet langer mogelijk zou zijn zichzelf te blijven, deed hij er verder geheel het zwijgen toe.

Nu ons volk de vrijheid om op ieder gebied weer zichzelf te zijn herwonnen heeft, meldt ook De Groene zich present, bereid om de taak, die hij bijkans zeventig jaar geleden op zich nam te hervatten.

Weer zichzelf zijn – betekent dat: dezelfde zijn? Nee, niemand onzer is in 1945 de mens die hij was in 1940. Er is een storm over ons heen gevaren, die ons, naar wij al te wel weten, gehavend heeft, en, naar wij mogen hopen, ook gelouterd.

En toch – in één opzicht kan De Groene Amsterdammer, zonder enige reserve, gerust verklaren dat hij ‘dezelfde’ is: hij is scherp antifascistisch in 1945, zoals hij scherp antifascistisch was vóór mei 1940, en vele jaren vroeger. Hij heeft geen Tweede Wereldoorlog en geen bezetting van Nederland nodig gehad om zich een oordeel te vormen.

Aan wat er voordien in Italië en Duitsland, in Spanje en Oostenrijk, in Abessinië en Tsjechoslowakije was gebeurd, had hij ruimschoots voldoende. En hij herinnert zich met grimmig genoegen zijn pinksternummer van 1940, dat de wellicht scherpste aanval was welke ooit in ons land tegen de nsb werd gericht.

Misschien zal de vraag gesteld worden: is dat zo fier beleden antifascisme nog wel zo nodig? Zijn fascisme en nationaal-socialisme niet reeds dood of stervende? Dan is ons antwoord: vergis u niet; de oorlog, welke uit de fascistische geestesgesteldheid geboren werd, de mislukte oorlog tegen de voortgeschreden en voortschrijdende mensheid moge ten einde lopen, daarmee is die reactionaire geestesgesteldheid zelf nog niet gestorven. Zij zal nog aanwezig blijken, verkapt, of zelfs openlijk, ook bij ons: en dus zal waakzaamheid geboden blijven en strijd noodzakelijk.

Maar die waakzaamheid en die strijd zullen slechts een deel, en naar wij hopen een van lieverlee slinkend deel vormen van onze activiteit. Wij zijn niet slechts ‘contra’, wij zijn ook ‘pro’. Het is de traditie van De Groene dat hij, zonder ooit een bepaalde politieke partij te hebben gekozen, altijd partij heeft gekozen voor een ontwikkeling der Nederlandse volksgemeenschap in democratische, vooruitstrevende zin. In de lijn van deze traditie spreekt ons weekblad zich thans uit voor een werkelijke, niet slechts met lippendienst beleden democratische vernieuwing van onze maatschappelijke instellingen – politiek, sociaal en economisch.

Wanneer wij ‘democratisch’ zeggen, dan bedóelen wij ook democratisch. Er zijn mensen die fabrikanten democraten noemen als zij patriarchaal-vertrouwelijk omgaan met hun arbeiders; en die mevrouwen democratisch vinden omdat zij zich wellevend gedragen jegens haar dienstboden. Wij echter willen ons liever houden aan Lincoln, die in zijn vermaarde improvisatie op het slagveld van Gettysburg sprak over een ‘regering van het volk, door het volk, voor het volk’.

Met dit doel vast voor ogen willen wij – wat betreft de methoden om het te bereiken – in onze kolommen de geest van verdraagzaamheid en saamhorigheid pogen te bestendigen die in de sombere, maar vaak zo prachtig-strijdbare jaren der bezetting in ons volk is opgebloeid uit het gemeenschappelijk verzet tegen een tirannie die aller hart doorwondde.

Tienduizenden Nederlanders hebben elkander leren zien en waarderen in het werk voor de bevrijding. De sociaal-democraat kreeg begrip voor de kwaliteiten van zijn katholieke medestrijders, de katholiek ging de socialist met andere ogen bekijken, de antirevolutionair ontdekte dat men communist kan zijn en niettemin een goed vaderlander, de communist ontdekte dat men a.r. kan zijn en niettemin een sociaal voelend mens. In die zin zal bijvoorbeeld in De Groene zowel diegene aan het woord kunnen komen die oprecht meent dat de economische democratie slechts kan worden verwezenlijkt langs de weg der politieke democratie, als degene die even oprecht meent dat een werkelijke politieke democratie niet kan bestaan, tenzij de economische democratie daaraan voorafgaat.

De Groene ziet het als zijn voornaamste taak voor de komende tijd om in – overigens geenszins neutrale – onpartijdigheid het onderling begrip en de samenwerking te bevorderen tussen al dezulken, die blijk zullen geven van de oprechte en door de nodige zin voor de realiteit geschraagde wil om mee te werken aan de opbouw van een maatschappij waarin de rechten en belangen van de gewone man tot richtsnoer van de verdere ontwikkeling zullen zijn.

In de stellige overtuiging dat oorlog in laatste instantie slechts zal kunnen worden uitgebannen door de vorming van een de gehele aarde omvattende federatie van volken willen wij – aansturend op dit ongetwijfeld zeer verre doel – gestadig pleiten voor uitnemende betrekkingen tussen Nederland en alle voortgeschreden en voortschrijdende delen der mensheid, in Oost en West, in Noord en Zuid. Wij willen Nederland zien als niemands voorpost, maar veeleer als schakel tussen allen die van goede, vredelievende, democratische wil zijn. Onze aardrijkskundige ligging en onze geschiedenis, beide wijzen ons deze taak als het ware aan. Moge de geboorte van een nieuw vrij Duitsland, na de nederlaag en de bestraffing van het oude onvrije Duitsland, ons volk het vervullen van die taak vergemakkelijken.

Van wat er gedurende de oorlogsjaren in de vrije wereld op cultureel gebied is opgebloeid, is het meest ons ontgaan. Er zijn romans geschreven en gedichten en muziek; er is film en toneel gemaakt; schilders en beeldhouwers en bouwers hebben gewerkt; geleerden opperden denkbeelden en deden vondsten, theoretisch en praktisch – en wij weten van dat alles weinig of niets. Nu de zware druk der slavernij van Nederland is weggenomen, kan bovendien ook hier de bloei herbeginnen – artistiek en wetenschappelijk. Het zal ons een vreugde zijn over al deze dingen getrouwelijk te laten rapporteren, door mannen en vrouwen die tot het geven van een oordeel bevoegd zijn. Ook dát is de traditie van De Groene.

De stormen van de tijd hebben ons allen naar voren gestuwd. Wie zijn taak hervat in 1945 staat niet meer op hetzelfde punt als waarop hij haar in 1940 neerlegde. Maar wij herkennen onze weg – het is dezelfde weg als in 1940. Onze koers behoefde geen wijziging; wij willen hem volgen met een overtuiging die nog dieper en hechter is geworden in de jaren van het zwijgen.