Inleiding op de special over poëzie

De Groene poëzie-enquête

Het is veel gezegd, het is veel geschreven: de poëzie leeft. Elke zichzelf respecterende gemeente heeft zijn literair festival waarop muzenzonen en –dochters, al dan niet begeleid door snerpende gitaren en woeste bas, vanaf de podia hun verzen scanderen. Hoe ludieker hoe beter, lijkt het credo: Dichters in de Botanische Tuin, Dichter aan Huis, Dichter bij de Molen. Maar wat schiet de poëzie eigenlijk op met zulke ridicule manifestaties, vraagt Menno Wigman zich af in zijn bijdrage aan dit nummer. Het blijft bizar dat dichters als wilde dieren worden gadegeslagen terwijl hun bundels ongelezen blijven. De afgelopen vijf jaar gaven Nederlanders tussen de vijf en negen miljoen gulden uit aan poëzie, gemiddeld nog niet één procent van de totale besteding aan boeken. Toch wisten dichters als Neeltje Maria Min en Nel Benschop ooit monsteroplages te behalen, beiden worden in dit nummer geïnterviewd. Ook bloemlezingen doen het nog altijd aardig, vooral als ze over seks en liefde gaan, beweert Fleur Speet. Komt die eeuwige malaise in de poëzie misschien niet ook omdat de poëzie zich nauwelijks engageert? Rob Schouten zet uiteen waarom het in Nederland nooit van politieke poëzie zal komen. Naast onder meer artikelen over hoe een gedicht gelezen of uit het hoofd geleerd moet worden, vindt u in dit zomernummer portretten van de allerlaatste vergeten dichter, van Dante, Reve en Gorter, van Byron, Camões, Slauerhoff en van Querulijn Xaverius markies de Canteclaer, die wordt geprofileerd door Martin van Amerongen. Hieronder allereerst de Groene Poëzie-enquête, waarin dichters, critici en redacteuren zich uitspreken over de huidige stand van zaken in de poëzie.

De Groene poëzie-enquête

In 1983 werd een nummer van het inmiddels ter ziele gegane literaire periodiek Maatstaf gevuld met de resultaten van een grootschalige poëzie-enquête. «Waarom dichters/kritici lastig gevallen met elf ernstige, misschien wel saaie vragen over de poëzie en het functioneren daarvan? Eerlijk gezegd, we weten het zelf ook niet helemaal», aldus Maatstaf-enquêteurs Rob Schouten en Peter de Boer in het nummer van destijds. De Groene zou ook geen sluitende rechtvaardiging voor het uitvoeren van de gehouden enquête durven leveren. Behalve dat het Maatstaf-onderzoek alweer achttien jaar geleden plaatsvond en het dus tijd is voor een update. Vorig jaar deed de Vlaamse Poëziekrant eenzelfde poging. Honderd wetenschappers, critici en organisatoren (dus geen dichters!) werden aangeschreven, doch het merendeel reageerde niet of negatief. Bij die enquête kon ook slechts antwoord worden gegeven op twaalf gesloten vragen die vooral tot doel hadden om tot rijtjes als «de vijf belangrijkste dichters/essen ná 1945» te komen.

Dé conclusie van de Maatstaf-enquête was dat er van echte stromingen in het vaderlandse poëzielandschap niet langer sprake was. «Er zijn op dit moment in Nederland geen dichters die de krachten bundelen en als één man achter een bepaald program staan», aldus vatten de enquêteurs de antwoorden van de achttien respondenten samen. Een opmerkelijke conclusie, achteraf bezien. In die dagen domineerde de, op Kouwenaar en Faverey geïnspireerde poëzie waar Tom van Deel en vrienden voor stonden. Eind jaren tachtig zou blijken dat de kalme, open zee inderdaad nog niet bereikt was. De Maximalen en de Nieuwe Wilden (die beide pleitten voor meer vitaliteit) braken de hermetische hegemonie met geweld open.

Zou de open zee inmiddels bereikt zijn? Misschien leert de geschiedenis wel dat de door ons geënquêteerden een complete revolutie over het hoofd zien. Zoals het de deelnemers aan die andere grote naoorlogse poëzie-enquête overkwam. In 1950 vroeg Elseviers Weekblad gevestigde literatoren als J.C. Bloem, Godfried Bomans, Karel Meeuwesse, P.H. Ritter jr., Maurice Roelants, Gabriël Smit en Hendrik de Vries naar hun oordeel over de poëzie van dat moment. Men sprak onder meer van «de dood in de pot». Over de Vijftigers, die met hun gestencilde blaadjes toch al stampij maakten, repten zij met geen woord.

De Groene deed 26 dichters, poëziecritici en -redacteuren een enquêteformulier toekomen. De gevraagden die reageerden en een ingevuld formulier terugstuurden, waren: Anton Korteweg, Pieter Boskma, Erik Spinoy, Simon Vinkenoog, Maarten Doorman, Tonnus Oosterhoff, Rob Schouten en Peter Nijssen. Helaas reageerde geen van de aangeschreven dichteressen. Ook de stem van de jongste generatie dichters ontbreekt. Een andere minderheid, de Vlaming, is wel vertegenwoordigd. In de persoon van Erik Spinoy (1960), die met bundels als Fratsen en Susette ook in Nederland respect wist af te dwingen. Anton Korteweg (1944), is behalve dichter van een achttal bundels — in oktober verschijnt nummer negen Al fluitend — directeur van het Letterkundig Museum. Rob Schouten (1954) is niet alleen dichter — hij schreef een achttal bundels waarvan de laatste, Infauste dienstprognose, werd bekroond met de Herman Gorter-prijs 2001 — maar ook poëzierecensent, onder meer voor Vrij Nederland. Filosoof Maarten Doorman (1957) is behalve dichter — zijn bundel Kloppend heden werd genomineerd voor de VSB Poëzieprijs 2001 — poëziecriticus van NRC Handelsblad. Dichter Pieter Boskma (1956) lieerde zich aan de Maximalen maar ging vervolgens, met inmiddels zeven bundels, op eigen voet verder. Simon Vinkenoog (1928) maakte deel uit van de Vijftigers en behoeft verder geen introductie. Tonnus Oosterhoff (1953) heeft zich nooit geconformeerd aan welke beweging dan ook. Met bundels als De ingeland en Boerentijger geldt hij als de belangrijkste debutant van de jaren negentig, waarvan ook het in de wacht slepen van de Buddingh’-prijs (1990) en de Herman Gorter-prijs (1994) getuigen. Peter Nijssen (1961) is poëzieredacteur bij uitgeverij De Arbeiderspers.

  1. Bestaan er volgens u stromingen in de Nederlandse poëzie van dit moment?

Pieter Boskma: «Ik geloof het niet. Je hebt natuurlijk wel altijd een nieuwe generatie, die zich wat luidkeelser profileert en zo een soort ‹nieuwe stroming› lijkt. Meestal betreft het totaal verschillende dichters die gemeen hebben dat ze jong en nieuw zijn. Ook binnen de huidige jonge dichtersgeneratie zie ik geen duidelijke stroming of beweging. Wat je wel kunt zien, is dat er dichters bij zitten met een wat lichtere toon die het ook op het podium goed doen, en dichters die een wat meer gelaagde, meerduidige, vervreemdende poëzie voorstaan. Er is zelfs een kleine discussie ontstaan toen de Moeilijken de Makkelijken verweten dat ze slappe, eendimensionale voordrachtsversjes bakten. Ik ben het eigenlijk wel met die Moeilijken eens: er is veel lichte, bijna naar light verse tenderende jonge poëzie die inderdaad vaak wat dunnetjes lijkt.»

Simon Vinkenoog: «Evenzovele stromingen als er individuen zijn. (…)»

Maarten Doorman: «Stromingen bestaan niet meer sinds het eind van de avant-garde. Er zijn nog enkele tendensen: podiumdichters, balkers als Ter Balkt, Pfeijffer en Gerbrandy, en filosofische dichters als Mustafa Stitou, K. Michel, Esther Jansma en Arjen Duinker.»

Rob Schouten: «Echte stromingen niet, wel stroomversnellingen. Na Maximaal is er toch heel wat opengebroken. Het lijkt of dichters zich stukken vrijer voelen om hun eigen gang te gaan, van licht-filosofisch (K. Michel) tot experimenterend hermetisch (Tonnus Oosterhoff), zonder dat ze zich veel van elkaar of een vermeend klimaat aantrekken. Maar de laatste tijd zie je weer wat meer discipline opkomen (Menno Wigman, Hagar Peters). Ik geloof dat het anything goes-tijdperk alweer ter kimme neigt. Jammer, het was een verademing.»

Erik Spinoy: «In de Vlaamse poëzie heb je momenteel een traditionele, romantisch-realistische tendens, die via dichters à la Van Wilderode vanaf de jaren zeventig werd voortgezet door Herman de Coninck en nu zijn succesvolle vertegenwoordiger vindt in Luuk Gruwez. Daarnaast heb je de modernistisch-postmodernistische lijn, die via Van Ostaijen over Claus naar Van Bastelaere loopt. Er bestaan tegelijk grote individuele verschillen en er zijn dichters die de genoemde tegenstelling compliceren en dus ook niet zo eenvoudig te situeren zijn.»

Anton Korteweg: «Er is een hele regenboog van klassiek-verstandelijk-verstaanbaar in alle mengvormen (Komrij, Wigman, Rawie, Boerstoel, Kal, Enquist, Schouten) en idem dito maar dan met wat meer zichtbare emotie (Eijkelboom, Leeflang, Herzberg, Zuiderent, Gerlach, Otten, Boskma) naar de meer associatieve, soms naar het absurdistische neigende dichters (Kopland tegenwoordig, Jansma, Michel, Reints, Koenegracht, Menkveld), met Oosterhoff, Van Haren, Lampe op de uiterste vleugel. Maar hoe vullen we op deze schaal Ouwens, Ter Balkt en Van Dixhoorn in? Het is maar welke polen je kiest.»

Peter Nijssen: «Ik zie slechts generaties. De huidige generatie, waarvoor wellicht de Maximalen het pad hebben geëffend, is in allerlei opzichten losbandiger dan de vorige, de generatie die tussen 1975 en 1990 de poëzie bepaalde, en die Kouwenaar en Faverey als voorbeelden had. Maar stromingen, dat niet. Zelfs in de door kouwenarianen gedomineerde jaren tachtig waren ze al moeilijk te ontdekken.»

  1. Bevindt de poëzie zich volgens u op een dood spoor of is er nog vernieuwing mogelijk?

PB: «De poëzie zit niet op een dood spoor, not while I’m alive. Vernieuwing is ongetwijfeld mogelijk en zal er ook wel komen. Het houdt mij niet echt bezig. Ik heb weleens over mijn eigen werk gelezen dat ‹Boskma zich met elke bundel weer weet te vernieuwen›. Misschien.»

SV: «Poëzie is vernieuwing, als je je houdt aan Ezra Pounds adagium: Make It New.»
Tonnus Oosterhoff: «Ik zou niet graag aan de poëzie in het algemeen de verplichting tot vernieuwing opleggen. Dus poëzie die zich niet vernieuwt bevindt zich niet noodzakelijk op dood spoor. Zelf probeer ik met elk nieuw gedicht iets nieuws te maken. Ik ken veel dichters die dat doen, en zo vernieuwt zich de poëzie. Ik vat literatuur op als onderzoek. Onderzoek roept altijd nieuw onderzoek op, daarom is er geen einde aan de mogelijkheid van vernieuwing. Maar ook het aantal dode sporen neemt exponentieel toe.»

MD: «Er is nog vernieuwing mogelijk.»

RS: «Dood spoor, welnee. Er valt nog van alles te beleven, zeker met internet op de loer. Surf maar eens naar www.tonnusoosterhoff.nl.»

ES: «Natuurlijk is vernieuwing mogelijk.»

AK: «De poëzie bevindt zich op een kronkelweg waarop steeds vernieuwing mogelijk is, al is ‹vernieuwing› niet het juiste woord. Alles keert steeds ooit eens anders terug: Gorter bij Boskma, Kloos bij Wigman. De poëzie hoeft daar geen moeite voor te doen.»

PN: «Ik geloof dat de poëzie in geen tijden vitaler is geweest dan tegenwoordig. Nieuwe poëzie kan uiteraard nooit helemaal zonder terug te grijpen op de traditie, maar ik vind dat daar in de huidige poëzie buitengewoon lenig en origineel mee wordt omgegaan.»

  1. Wat vindt u van de kwaliteit van de poëziekritiek in dit land?

PB: «Wisselend maar niet zo slecht. Vaak moet je door een nogal geforceerde inleiding heen voor je bij de echte bespreking van een bundel komt. Zelden echter hoor je diepere tonen. De stukjes zijn vaak ook erg politiek, en als je eenmaal weet wie de vrienden c.q. vijanden van een recensent zijn, worden de kritieken vaak erg voorspelbaar. Dit is waarschijnlijk onvermijdelijk, en ook een van de redenen waarom de meeste critici hooguit vijf jaar recensies moeten schrijven.»

SV: «Mijn drie laatst verschenen bundels zijn nergens besproken.»

TO: «Ik vind Piet Gerbrandy in de Volkskrant dikwijls de spijker op de kop slaan. Hij beoordeelt de dichters naar de maatstaven die zij impliciet aanreiken. Ik lees te zelden kranten en tijdschriften om de vraag vergelijkenderwijs te kunnen beantwoorden.»

MD: «Die is vrij goed, als je die vergelijkt met die in het buitenland, waar veel minder besproken wordt.»

RS: «Daar zeg ik als direct betrokkene lekker niks over.»

ES: «Een goede poëziecriticus heeft duidelijk omschreven uitgangspunten, maakt zich grondig vertrouwd met de besproken gedichten en situeert ze ten opzichte van zijn eigen uitgangspunten. Hierom was Herman de Co ninck geen goede poëziecriticus. Hij deed alsof hij geen uitgangspunten had, las slordig en stelde vervolgens een absoluut oordeel. Critici als Marc Reugebrink en Jos Joosten doen het beter. Het is duidelijk waar ze voor staan, vanuit welk standpunt ze naar de poëzie kijken. Daarom ook kun je zeggen: als Reugebrink dit goed vindt, dan vind ik er niks aan.»

AK: «Ik vind dat we goede critici hebben, al zijn ze vaak te welwillend: Doorman, Gerbrandy, Van den Berg, Schouten. Ik mis de lange, analytische stukken, zoals vroeger in Merlijn, en de exacte tegenpool daarvan, De Coninck, die als geen ander zijn liefde en enthousiasme voor poëzie wist over te brengen.»

PN: «Te mager. Al die heren-dichters, Yvonne Né is de enige poëziecritica voor zover ik weet. Er zijn veel te weinig critici die zelf niet dichten. Peter de Boer (Trouw) en Thomas Vaessens (Financieel Dagblad) zijn de uitzonderingen. Er is ook nog Jos Joosten, de Hollandse paternalist van de Vlaamse Standaard, die alleen maar badinerende, schoolfrikkerige stukjes kan schrijven die getuigen van een zo groot gebrek aan ruimhartigheid dat je gaat vermoeden dat de man poëzie moet haten.»

  1. Vindt u dat poëzie gelezen moet worden of vindt u dat poëzie ook prima te aanschouwen is?

PB: «Poëzie is ook uitstekend te aanschouwen, als de dichter in kwestie een beetje aardig voor kan lezen. Zelf merk ik dat men mijn werk soms beter kan plaatsen als men het mij heeft horen voorlezen. Bovendien kreeg ik van God (benevens veel roken en drinken) een donkerbronzen stem die zich goed leent voor het lezen van poëzie.»

SV: «Alles goed, als het maar swingt.»

TO: «Er is in dezen geen hiërarchie. Een combinatie is aan te raden voor maximum effect. Sommige podiumpoëzie kan beter niet gelezen worden door verstandige mensen, sommige subtiel schrijvende dichters kunnen niet voorlezen.»

MD: «Ik vind dat helemaal niks moet, heb een hekel aan het woord ‹prima› en vind verder dat poëzie gelezen kan worden en maar zelden te aanschouwen is.»

RS: «Poëzie is er in de eerste plaats om gelezen te worden. Je ziet ook dat voorleesbare poëzie aan andere eisen moet voldoen dan leespoëzie, die moet vooral lekker bekken. De dichters van wie ik houd doen het vooral op papier.»

ES: «Het aanschouwen van poëzie is doorgaans een slaapverwekkende ervaring. De voorgelezen teksten zijn doorgaans van een zeer matige kwaliteit. Geef mij maar lezen. Je legt je boek weg wanneer je dat wilt en je hoeft je er niet voor op te tutten.»

AK: «Poëzie is voor een belangrijk deel ‹in houd› en die kun je, als je hem voor het eerst hoort, niet goed bevatten. Je mag pas naar een gedicht luisteren als je het al kent, of, in noodgevallen, gelijktijdig meeleest. Het is een ietwat decadent verschijnsel dat meer mensen poëzie beluisteren dan lezen. Een dichter die niet optreedt, dreigt bijna niet meer als dichter te bestaan. Ik wou dat net zoveel mensen mijn gedichten gelezen als beluisterd hadden.»

PN: «Ik lees liever. Als ik dan toch moet luisteren dan liever niet langer dan twintig minuten.»

  1. Is het een taak van de overheid om poëzie naar de mensen te brengen?

PB: «De staat moet met zijn grijpgrage klauwen van de poëzie afblijven, maar wél grof geld in deze schoonste aller kunsten steken. Dichters zijn tenslotte onze hersenboeren, en waarom wel miljarden steken in ‹gewone› boeren, en geen cent in de agrariërs van de geest?»

SV: «Liever niet zelfs.»

TO: «Nee. Als de vraag luidde: is het een taak van de overheid om de mensen naar de poëzie te brengen? had ik misschien geaarzeld.»

MD: «Ja. De overheid heeft een taak met betrekking tot het instandhouden en bevorderen van de beschaving. Dit moet vooral door goed literatuuronderwijs gebeuren, dat is beter dan allerhande vormen van subsidie.»

RS: «Het lijkt me al mooi als ze het genre subsidiëren en zich er verder zo weinig mogelijk mee bemoeien. Laat poëzie zichzelf maar verkopen. Of niet.»

ES: «Zoals de overheid ertoe moet bijdragen om een infrastructuur te scheppen die mensen toelaat kennis te maken met korfbal, zo behoort de overheid voor poëtische minimumvoorzieningen te zorgen. Waarbij het eenieder vrij staat om niet op dat aanbod in te gaan.»

AK: «De overheid probeert toch al, bijvoorbeeld door Schrijvers School Samenleving, Poetry International en de Jan Campert-stichting te subsidiëren. Directer bemoeienis is ongewenst. En waarom zou het juist de poëzie moeten zijn en niet de klassieke muziek of de beeldende kunst?»

PN: «Ik vind dat de overheid voorwaarden moet scheppen voor een bloeiend cultureel leven, waarvan ook de poëzie deel uitmaakt.»

  1. Vindt u dat vanuit de poëzie zelf voldoende getracht wordt de massa te bereiken?

PB: «Ik geloof niet dat de poëzie het RTL4- Story-ANWB-miljoenenpubliek kan en wil bereiken. Daarvoor is het een te elitaire aangelegenheid, en dat mag het van mij ook blijven. Er worden vanuit de poëzie genoeg initiatieven ondernomen: festivals, radio-uitzendingen, gedichten op kaarten. Zelf ga ik deze winter een serie erotica maken voor Playboy.»
TO: «Ja. Maar vanuit de massa wordt onvoldoende getracht de poëzie te bereiken.»

MD: «Dood aan de massa! De dichtkunst is voor uitverkorenen, verliefden, katholieken, vrijmetselaars en wanhopigen.»

RS: «Ik doe er zelf in het geheel niet mijn best voor. Van het bereiken van de massa verwacht ik ook helemaal niks. Me dunkt dat ook de kwaliteit van poëzie en van kunst in het algemeen niet per se gebaat is bij massaficatie.»

ES: «Sommigen doen wat al te hard hun best, anderen geloven nog steeds dat ze zich interessant kunnen maken door zich boven de massa te verheffen. Mijn ervaring is wel dat je lezers vooral niet moet onderschatten, dat ze best veel kunnen hebben als je de kans krijgt om het een en ander uit te leggen.»

AK: «De massa zit er niet op te wachten, heeft er geen tijd voor (over) en is bovendien niet fijn genoeg bewerktuigd om, ik doe maar een greep, de associaties van Astrid Lampe te kunnen volgen, of de mythologieën van Ouwens.»

PN: «Ik gruw van kunst die de intentie heeft de massa te bereiken. En toch, dat de poëzie van Szymborska zoveel weerklank heeft gevonden, vind ik prachtig. Het maakt haar poëzie niet onmiddellijk suspect.»

  1. Gelooft u dat de poëzie een dienst bewezen wordt met het instituut Dichter des Vaderlands?

PB: «Het trekt de aandacht naar de poëzie en dat is altijd goed.»

SV: «Geef hem een grote hofhouding, zonder pikorde.»

MD: «Ik vind dat de Dichter des Vaderlands persoonlijk door de koningin moet worden uitgekozen.»

RS: «Kwaad kan het niet, dus waarom zouden we er zuur over doen?»

ES: «Ik zou niet weten waar zo'n instituut goed voor is. Een particulier dichter wordt daarmee tot Vat van Dichterlijke Wijsheid gebombardeerd. Terwijl hij al net zo min als u en ik weet wat poëzie is.»

AK: «Als het maar niet te serieus wordt genomen. Gedichten worden er in ieder geval mee onder de aandacht gebracht. Hoewel je je kunt afvragen of dat nodig is. Uit onderzoek blijkt dat honderdduizenden Nederlanders gedichten schrijven. Poëzie is de enige kunst die meer bedreven dan genoten wordt. Een gedicht als zodanig is van geen belang, een goed gedicht daarentegen van het grootste belang. De Dichter des Vaderlands kan de indruk wekken dat een gedicht qualitate qua al iets moois zou zijn. Quod non.»
PN: «Komrij doet dat natuurlijk uitstekend. Kees Ouwens mag een groot dichter zijn, je moet er niet aan denken dat hij het zou zijn… Je moet de poëzie als Dichter des Vaderlands populariseren zonder haar ingewikkeldheid op te geven. Om die reden zou het funest zijn als we een magische orgelpijp als Lucas Hüsgen of een rijmelmans als Ivo de Wijs tot ambassadeur zouden uitroepen.»

  1. Wat vindt u van het hedendaagse poëziebeleid van uitgevers?

PB: «Positief omdat er in dit land veel wordt uitgegeven en ook door algemene literaire uitgevers, anders dan in Engeland en de VS. Ne gatief omdat de laatste jaren erg makkelijk een nieuwe dichter wordt uitgegeven, waar door vrij veel onrijp werk verschijnt. Er wordt door uitgevers om economische redenen te weinig tijd en aandacht aan een bundel besteed.»

SV: «Verlies moedig nemen is er niet meer bij; noch het zoeken naar goedkopere middelen om poëzie toch uit te kunnen geven.»

MD: «Uitgevers geven te veel poëzie uit. Dat lijkt mooi maar werkt contraproductief.»

RS: «Magertjes. Vroeger was de poëzie een prestigieus uithangbord maar onder bewind van managers en financiële directeuren raakt het steeds meer in de verdrukking. Ook de omloopsnelheid van bundels met slechte verkoopresultaten is ad absurdum opgevoerd. Na een jaar of twee ligt de boel al in de ramsj. De tijd waarin uitgevers er eer in legden om met baten van bestsellers de kosten van poëzie te delgen, lijkt helaas voorbij.»

ES: «Uitgevers zijn tegenwoordig verkopers van bedrukt papier. De druk is bijgevolg groot om niet te veel aan poëzie te doen, en het te houden bij wat succesvol of modieus is.»

AK: «Als uitgevers minder thematische bloemlezingen over dood, liefde en lente uitgaven, werden er meer reguliere bundels verkocht.»

PN: «De belangrijkste literaire uitgevers geven allemaal poëzie uit, tot wel acht nieuwe bundels per uitgever per jaar. Er zijn niet of nauwelijks onontdekte, veronachtzaamde of geheel ten onrechte vergeten dichters.»

  1. Wat is de laatste belangrijke polemiek in de poëzie geweest?

PB: «Die rond de Maximalen, de laatste beweging die iets bewerkstelligd heeft, het openbreken van het benauwde poëzieklimaat van de jaren tachtig. De Maximalen hadden nauwelijks een programma, wat gunstig was. Bij de Nieuwe Wilden, die een uitgebreid programma hadden, zat eigenlijk geen enkele goede dichter. Het was meer een lesbisch-feminis tisch en dus politiek collectief.»

TO: «Er is denkelijk nooit een belangrijke polemiek in de poëzie geweest. Ik hoor tot een generatie waarvan de talenten een afkeer hebben van polemiek en bentvorming en geestdrijverij. Dichters als Nachoem Wijnberg, Elma van Haren, K. Michel of F. van Dixhoorn laten door hun werk zien waar ze het zoeken en waar het te vinden is.»

RS: «Met de Maximalen was het de laatste keer dat een polemiek ook een zichtbare verandering teweegbracht. Tot mijn verbazing sloeg de door Elly de Waard onlangs heraangesneden discussie over zuivere en onzuivere poëzie ook weer aan, met narimpelingen over moeilijke en makkelijke poëzie. Maar dat zijn heel ouwe en taaie koeien.»

AK: «Voorafgaand aan de Dag van de Poëzie zag ik op Nova een malle pseudo-bokswedstrijd tussen Van Duijnhoven en Pfeijffer, bedoeld als apotheose van een discussie over de vraag of podiumdichters met begrijpelijke poëzie nu slechter of beter zouden zijn dan ingewikkelder verzen schrijvende dichters. Dit naar aanleiding van een artikel van Pfeijffer in Bzzlletin waarin hij vertelde dat hermetische poëzie per definitie beter is.»

PN: «Als je na een aantal jaren terugblikt op polemieken blijkt vaak dat het sop de kool niet waard is geweest.»

  1. Wie is volgens u de beste dichter van Nederland en wie de slechtste?

PB: «Elke zichzelf respecterende dichter vindt zichzelf de beste.»

SV: «Leo Vroman: vanzelfsprekend. Slechtste bestaat niet: er is er altijd één nog slechter.»

TO: «Dit is een vraag die je niet zou moeten stellen als je de poëzie in kaart wilt brengen.»

MD: «Campert en Kouwenaar. De slechtste, dat weet ik niet.»

ES: «Claus, Van Bastelaere, Pernath, Bogaert, Ducal. In Nederland Oosterhoff, Van Lier en vroeger Schippers, Armando en Faverey.»

AK: «De latere Kouwenaar. De slechtste zult u van mij niet horen. Als er eentje tegen een boom rijdt moet ik toch bij de weduwe om z'n literaire nalatenschap bedelen.»

  1. Kan de Nederlandse poëzie wedijveren met de buitenlandse?

PB: «De Tachtigers, Van Ostaijen, Slauerhoff, Nijhoff, Bloem, Achterberg en de Vijftigers zijn van internationaal niveau.»

SV: «Ja, helaas onvertaalbaar.»

TO: «De Nederlandse poëzie is zeer rijk.»

MD: «Mijn indruk is dat de Nederlandse poëzie het er niet slecht vanaf brengt.»

RS: «Ga je oor maar eens te luisteren leggen bij de buitenlandse dichters op Poetry International. Daar doen wij beslist niet voor onder.»

ES: «Voor zover ik weet gebeurt in de buitenlandse poëzie die ik ken weinig spannends.»

AK: «Ik ken buitenlandse dichters alleen dood (Pessoa, Rilke, Auden) of oud (Szymborska, Herbert, Gustafson).»

PN: «Op het WK voor landenteams zouden we wellicht de achtste finale kunnen halen.»

  1. In welke poëtische traditie staat u?

PB: «In de ‹mystiek-romantische› traditie van dichters als Gorter, Achterberg, Marsman, Postma, Reve en Lucebert.»

SV: «Ik trek mijn eigen baan.»

RS: «In alle tradities, denk ik.»

ES: «Mijn opa is Van Ostaijen, mijn papa Claus, mijn neefje Van Bastelaere en ik heb inmiddels zelf ook kinderen.»

AK: «De traditie van Tirade-kleinspraak: Emmens, Michaelis, Kopland.»

  1. Mag het woord «ziel» in een gedicht voorkomen?

PB: «Door de allergie voor grote woorden gaat veel poëzie nergens meer over.»

SV: «Alle woorden mogen.»

TO: «Ja.»

MD: «Toen ik het Nooteboom afried werd hij zo boos dat hij een gedicht schreef: ‹Neen, Doorman!› En dat moppert: ‹jij wou op je eentje de ziel afschaffen/ maar ik kwam hem deze week nog vier keer tegen.› Ik had op iets getrapt wat veel van een ziel weghad en denk er nu genuanceerder over.»

RS: «Het is het woord dat ik naast ‹de› en ‹het› het meest gebruik.»

ES: «Hoe meer zielen, hoe meer vreugd.»

AK: «Laten we ons vooral niet laten wijsmaken dat bepaalde woorden niet mogen, of het nu ‹ziel› is of ‹lul›.»

PN: «Van mij wel.»

  1. Vindt u dat je in deze tijd nog met een sonnet aan kunt komen?

PB: «Onlangs schreef ik een modern verbouwd sonnet dat bestaat uit drie terzinen en dan twee kwatrijnen, in plaats van andersom.»

SV: «Ja, waarom niet?»

TO: «Ja.»

MD: «Natuurlijk, zelfs met het woord ‹ziel›.»

RS: «Ik heb vier bundels met voornamelijk sonnetten geschreven maar een echt kloppend sonnet krijg ik niet meer uit de pen. Toch is het wat mij betreft een soort oervorm.»

ES: «Laat de sonnettenschrijvers hun gang gaan.»

AK: «Dichters als Jellema, Komrij, Rawie en Mortier schrijven op volstrekt geloofwaardige manier nog sonnetten.»

PN: «Liever een sonnet dan een haiku of een limerick.»