‘de groene was echt malafide’ ‘ik heb me godsliederlijk ingespannen, achteraf vraag je je af wat je ermee hebt bereikt’

DE GROENE-LEZER kent hem als de archetypische ingezonden-brievenschrijver, een man die met grote regelmaat reageert op artikelen die hem niet bevallen, op blunders van medewerkers, of die zijn waardering voor een bepaald stuk onderstreept met de nodige aanvullingen op het geschrevene. Vorig jaar nog loofde hij een jaarabonnement op De Groene uit voor wie een zin van Heidegger kon omzetten in begrijpelijk Nederlands. Ook lezers van andere bladen kunnen regelmatig hun voordeel doen met zijn altijd informatieve brieven.

Ongetwijfeld zullen velen zich ook ergeren aan de bijdragen die hij ongevraagd levert, want om de hete brij heen draaien, dat doet dr E.M. Janssen Perio zelden. Zijn toon is nimmer bezadigd, zijn oordelen zijn nooit voor tweeërlei uitleg vatbaar en zijn argumenten getuigen van een hinderlijke eruditie.
Behalve als brievenschrijver in semi-vaste dienst is de thans zeventigjarige Janssen Perio nog op een andere wijze verbonden met de geschiedenis van De Groene. In de jaren vijftig was hij namelijk de felste bestrijder van dit in zijn ogen gevaarlijke meelopersblad, deze gecamoufleerde spreekbuis van het Sovjet-communisme. De jonge, uit een links nest afkomstige, Evert Janssen wond zich namelijk mateloos op over de wijze waarop dit in cultureel opzicht zo prestigieuze weekblad de politiek van de Sovjetunie vergoelijkte. In een artikel in Socialisme en Democratie uit 1952 typeerde hij De Groene nog als een ‘in vele opzichten ook sympathiek weekblad’. Vijf jaar later schreef hij in Tirade sarcastisch over 'het bolwerk van echte objectiviteit’. En in 1960 publiceerde hij in de Cartons voor Letterkunde twee artikelen onder de titel 'Walgen van De Groene’.
Het door Rients Dijkstra en Sem Davids geleide blad behoorde volgens hem 'tot de zeer walgelijke verschijnselen in het Nederlandse geestesleven en de Nederlandse journalistiek’, geschreven voor een publiek dat verwacht werd 'in één teug met een betrekkelijk veeleisende intellectuele en artistieke informatie een zekere hoeveelheid politieke misleiding en communisante oubolligheid te slikken’. De schrijver struikelde bijna over de invectieven die hij in de richting van hoofdredacteur Dijkstra slingerde, en vroeg zich tegelijk af waarom niemand iets ondernam tegen de 'walgelijke etterbuil’ die De Groene heette.
Bijna dertig jaar later ging Janssen Perio in Maatstaf (1989, nr. 8/9) nog eens in op de politieke houding van De Groene in de jaren vijftig. Zijn toon was wat rustiger doch in wezen niet vriendelijker. Het was de laatste ronde in deze vreemde bokswedstrijd. De geschriften van dr. E.M. Janssen Perio zijn van een felheid die, in dit zo rustige landje, opmerkelijk mag heten.
ALS IK HEM opzoek in zijn, onder de last van boeken en andere documentatie bijkans bezwijkende woning in de Rotterdamse wijk Schiebroek, wordt me onmiddellijk duidelijk dat hij er met het klimmen der jaren niet milder op geworden is. Zeker niet als het gaat om de houding van De Groene tijdens de Koude Oorlog.
Janssen Perio: 'De Groene was toen, daar ben ik nog altijd van overtuigd, volstrekt malafide. Het was gewoon een mantelorganisatie, maar daar heeft men in Nederland toen niets van begrepen. De kennis van specifiek communistische praktijken was, en is ten dele nog altijd, heel mager. Je wordt hier al gauw als paranoïde beschouwd, als iemand die overal een grote samenzwering ziet. Maar dat is natuurlijk flauwekul, aangezien iedereen inmiddels kan weten hoe het communisme werkte. Kijk maar wat er na de val van de Muur bekend is geworden over de DDR. Het is toch onzinnig om te denken dat de communisten overal met geheime organisaties werkten, behalve nu juist in Nederland.
Dit alles wekte bij mij een enorme irritatie, zodat ik me gedwongen voelde het ware karakter van De Groene te onthullen. Waarbij trouwens nog komt dat ik in een vorig leven een jachthond moet zijn geweest, die achter elke haas die zijn pad kruist, aanrent. En De Groene was nu eenmaal zo'n haas, en wel een heel grote. De jachthond vraagt zich niet af of hij er goed aan doet om zo achter die hazen aan te gaan en of het misschien slecht is voor zijn reputatie, hij rent gewoon. En voor bepaalde hazen was ik natuurlijk extra allergisch, en dan met name de fascistische en communistische. Want mijn allergie strekt zich uit tot beide vormen van totalitarisme.’
JANSSEN PERIO ging in 1946 geschiedenis studeren aan de Universiteit van Amsterdam. Financiële problemen waren er mede oorzaak van dat hij na een jaar overstapte naar de Leidse universiteit. Van de drie doctoraalscripties die hij schreef, en die alle werden gepubliceerd, handelde er een over de houding van Nederlandse socialisten tegenover de Sovjetunie, waarbij vooral Jan Romein het moest ontgelden.
De polemische aandrift openbaarde zich al vroeg bij de jonge historicus, die zich wat dat betreft ook enigszins erfelijk belast voelt. Ook opa Janssen, wiens pseudoniem 'Perio’ hij als achtervoegsel ging gebruiken, was een uiterst strijdvaardig publicist, die onder meer in Domela’s Recht voor Allen misstanden in de maatschappij en het leger aan de kaak stelde. W.H. Vliegen noemde hem 'een der beste penvoerders’ van de vroege socialistische beweging en betreurde het dat Janssen later met de beweging brak. In 1900 nam opa Janssen het initiatief tot de oprichting van de Bond voor Staatspensionering.
Janssen Perio: 'Ik herken veel in deze grootvader, en zeker dat strijdvaardige element. Dat pseudoniem leek me leuk, zo'n opvallende naam. Van de gewone Janssens stikt het natuurlijk. Pas later kwam ik erachter dat niet alleen je vrienden je aan die naam herkennen, maar ook je vijanden. En ik ben ervan overtuigd dat het getal van mijn vijanden dat van mijn vrienden ver overtreft.
De neiging op te vallen, te provoceren, is mij zeker niet vreemd. Ook die aanval op De Groene heeft daarmee te maken. Het was ook het karakter van de Cartons voor Letterkunde. Daarin heb ik verreweg het meeste geschreven. Ik beschouwde het ook een beetje als mijn eigen blaadje. Ik heb veel tijd in die polemiek gestopt. Het was allemaal nogal scherpslijperig. Alles werd stevig afgebroken, en dat met het nogal naïeve idee, op die leeftijd heb je dat, dat ik daar enig succes mee zou boeken, dat mensen dat leuk zouden vinden. (Homerisch gelach.) De mensen vonden het helemaal niet leuk. De reactie die kwam, zeg ik nu, is wel logisch: er was immers maar één reactie, namelijk géén reactie.
Dat is ook wel een beetje het patroon hier in Nederland. Als je vervelende dingen zegt, dan word je gewoon genegeerd. Ik had natuurlijk ook wel een beetje de houding van “ik heb het grootste gelijk van de wereld, alleen ik krijg het niet.” Misschien had ik ook wel het idee dat ik een soort Van Deyssel moest spelen, met zijn scheldkritieken. En het voorbeeld van Ter Braak was natuurlijk heel belangrijk. Het idee een tweede Ter Braak, of Joost mag weten wat, te worden speelde zeker mee. Dat provoceren was bewust. Ik heb bij die aanvallen op De Groene zover willen gaan dat niemand er meer omheen zou kunnen. Ik wilde zulk grof geschut gebruiken dat er wel een reactie op moest volgen. Nou, dat was een misrekening.’
De ongebreidelde schrijfdrift van Janssen Perio beperkte zich niet tot het schrijven van polemieken. Gestaag werkte hij aan een oeuvre dat er zijn mag. Hij is Nederlands grootste kenner van het werk van de historicus Jacob Burckhardt. In 1970 promoveerde hij op het eerste deel van wat een tenminste zevendelige serie zou moeten worden. Na Jacob Burckhardt und die Renaissance volgde in 1979 nog een deel over Burckhardt en de Grieken, waarna Janssen Perio met de reeks stopte. 'Ik had er geen zin meer in, het was een ongelooflijke klus maar het vond geen enkele weerklank. Ja, een paar positieve recensies in het buitenland, maar in Nederland, ho maar! Het is echt zonde van het werk geweest’, concludeert hij vrij bitter.
Naast tal van wetenschappelijke artikelen heeft Janssen Perio daarna nog een aantal boeken voor een breder publiek geschreven. Over uiteenlopende onderwerpen als 'Nederland in 1884’, de Franse revolutie, de tijd van de grote ontdekkingsreizen en de Renaissance. Met name zijn laatste boek, Een nieuwe wereld (1994), is hem zeer dierbaar, en hij kan het slecht verkroppen dat ook dit nagenoeg geen aandacht in de pers heeft gekregen.
NAAST DIT WERK had Janssen Perio altijd een full-time baan. Tot 1976 was hij geschiedenisleraar op de Rijks-HBS in Helmond en het Erasmiaans Gymnasium in Rotterdam, vervolgens werkte hij tot 1987 als vakdidacticus aan de Universiteit van Amsterdam. Een soort troostprijs?
Janssen Perio: 'Het was voor mij geen bijzonder leuke baan. Een vakdidacticus is toch een outsider, een soort dorpsgek. Na heel lang aarzelen heb ik het aanbod geaccepteerd. Vooral om af te zijn van die vreselijk zware leraarstaak. Een volledige betrekking in het onderwijs is natuurlijk een ellende. Vooral als je aan een dissertatie werkt en allerlei artikelen schrijft, is dat moordend. Dat is natuurlijk een deel van mijn verbittering geweest, als je merkt welke minkukels mooie baantjes krijgen.’
Door zijn grote ervaring met het geschiedenisonderwijs was Janssen Perio bij uitstek geschikt om nieuwe lesboeken te recenseren voor Kleio, het blad voor geschiedenisleraren. Zijn vlijmscherpe pen bezorgde hem busladingen nieuwe vijanden.
Je zou je haast gaan afvragen of Janssen Perio ze bewust kweekte, die vijanden. 'In onze familie werd het verhaal verteld dat er aan mijn wieg twee tantes hebben gestaan. Maar dat zijn natuurlijk in werkelijkheid twee feeën geweest: een boze fee en een goede. De goede fee zei: “Ik ga ervoor zorgen dat het een scherpzinnige jongen wordt, die dingen heel snel doorheeft, sneller dan veel andere mensen.” Waarop de boze fee zei: “Maar dan zorg ik ervoor dat hij dat allemaal zo opschrijft dat alle mensen de pest aan hem krijgen.”’
In een gesprek met iemand van zijn leeftijd, en zeker als het gaat om een Rotterdammer, komt de oorlog regelmatig om de hoek kijken.
Janssen Perio: 'Eerlijk gezegd heeft het bombardement van 1940 betrekkelijk weinig indruk op me gemaakt. Nu woonden wij in Blijdorp, en werden daardoor zelf niet ausgebombt, dus dat scheelt wel. Maar voor de rest merkte ik er ook niet veel van. Ik kwam eigenlijk zelden in het gebombardeerde deel van de stad. En bovendien, ik heb nooit veel gevoel voor die stad gehad, en dat heb ik nog altijd niet. Ik ben er weliswaar geboren, maar de eerste tien, in mijn herinnering idyllische, jaren bracht ik door in Voorburg.
Die oorlog en bezettingstijd zijn natuurlijk buitengewoon belangrijk geweest, ook al ben ik van mening dat er in Nederland tegenover het gros van de burgers slechts een marginale terreur - en dus geen totale - werd uitgeoefend. Maar dat betekent nog niet dat men in die tijd het verschil tussen “goed” en “fout”, in de geest van de bekende oratie van Hans Blom, zou moeten relativeren. Die benadering is trouwens in wezen niet nieuw. Iedereen besefte destijds dat de scheidslijnen niet zo zwart-wit lagen, dat de bevolking niet louter bestond uit helden en schurken. Maar als het erop aankwam, was het onderscheid haarscherp. Het hebben van een duidelijke vijand, zoals toen, heeft trouwens een groot voordeel. Achteraf heb ik me gerealiseerd dat dat ook een prettige kant van de oorlogstijd was. Je wist precies wie er niet deugde. Je leefde helemaal vanuit die haat, dat werkte stimulerend. Bovendien gaf dat het gevoel dat je zelf beter was dan de vijand. Dat is een in veel opzichten aangename toestand. Door de wereldhistorische problemen werd je voor een deel ontheven van je eigen sores.’
Een duidelijk vijandbeeld is voor een criticus een godsgeschenk. In de drie jaargangen van de Cartons voor Letterkunde die tussen 1959 en 1962 verschenen, ging Janssen Perio tal van vijanden te lijf. Anders dan zijn drie mederedacteuren - Johan Polak, Rob van Gennep en Martin Veltman - schreef hij bijzonder veel in dit tijdschrift zonder programma. 'Nee, een programma hadden we niet. Alles wat kritisch was kon erin, althans dat was mijn programma zo'n beetje. Vooral kritisch tegen de incrowd, tegen alles wat de toon aangaf. Er werd onvoorstelbaar veel middelmatige troep gepubliceerd. En als ik verstandig was geweest, had ik het laten zitten, want het was de moeite niet waard.
Eigen ideeën brachten we niet in, dat was ons zwakke punt. Het blad had hierdoor een heel zwakke basis. De belangrijkste basis was de geldingsdrang van de redacteuren, en hun schrijfdrift, en dat gold dan vooral voor mij. Johan Polak financierde uiteraard het blad, maar schreef zelf nauwelijks iets, evenmin als Rob van Gennep. Een van de oorzaken dat het blad ter ziele ging, was dat het tussen mij en Van Gennep niet boterde. Ons blad was een eigenlijk maar een allegaartje, maar er hebben best interessante mensen in geschreven: Dick Hillenius, Jean Schalekamp, Wilfred Smit, A. Marja, Dolf Verspoor, Simon Vinkenoog, Heere Heeresma, Charles B. Timmer, de oude Van Ravesteijn, Leo Vroman, Theo Sontrop.’
HET UITBLIJVEN VAN reacties, het gebrek aan weerklank, het lijkt een rode draad in het leven van Janssen Perio. Vervult dat een mens met spijt of met woede? Janssen Perio: 'Met beide. Ik heb eigenlijk spijt van alles wat ik in mijn leven heb gedaan. Ik me echt godsliederlijk ingespannen, maar achteraf vraag je je af wat je daar nu mee bereikt hebt. Ik heb een aantal heel goede en mooie boeken geschreven, die totaal zijn doodgezwegen, zodat ik nu als pure noodmaatregel moet overgaan tot het zelf uitgeven van allerlei boeken onder de sinistere naam Pereo-Pers. Dat pereo betekent in het Latijn “ik ga te gronde”, dat heeft opa zeker niet geweten. Die dacht geloof ik dat het iets heel verhevens betekende.
Eigenlijk ben ik godvergeten kwaad, een angry old man, die denkt dat hij zijn leven bijzonder slecht heeft ingedeeld, onder het motto: “slim gedacht, stom gedaan”. Een mens zou toch een soort proefleven moeten krijgen. Natuurlijk is veel mijn eigen schuld, maar een flink deel ligt, met permissie, ook aan de lulligheid van mijn medemensen. In een brief uit juli 1888 aan Carl Spitteler, schreef Nietzsche met een beroep op Stendhal dat je om in de maatschappij te slagen vooral moet beginnen met het duel. Dat is natuurlijk onzin, daar ben ik inmiddels wel achter. Nou ja, misschien een echt duel, als je dat wint tenminste. Maar mensen in sleutelposities moet je met rust laten. Dat heb ik me gerealiseerd naar aanleiding van het geval-Van Deyssel. Als je kijkt naar die beroemde scheldkritieken, dat waren allemaal heel minne mannetjes die hij aanpakte. Het was alleen demonstratief, zo van: hé denk erom, als je met mij te doen krijgt, dan zwaait er wat. Invloedrijke types liet hij met rust.’
Ook al ergert hij zich nog steeds aan de leugenachtigheid en stompzinnigheid van veel medemensen, dr. E. M. Janssen Perio windt zich er, naar eigen zeggen, niet meer over op. 'Uiteindelijk blijf ik, in het diepst van mijn gedachten, toch een aanhanger van Schopenhauer. Ik begon hem al te lezen toen ik twintig was. Mijn kijk op de medemens is allesbehalve vrolijk. Echt mild zal ik nooit worden. Als mijn oordelen mild worden, is dat een reden om mij zorgen te maken, dan is het einde nabij.’