Hoofdcommentaar

De grondwetzombie

Een jaar geleden zeiden de Fransen en Nederlanders in meerderheid nee tegen de Europese grondwet. Omdat het erop leek dat de Britten, Denen en wellicht nog andere EU-naties dat voorbeeld zouden volgen, besloten de regeringsleiders tot een pan-Europese denkpauze van een jaar. In die tijd zou men zich beraden op «toekomstige stappen», oftewel op een fatsoenlijk excuus om zich te ontdoen van dat vijfhonderd bladzijden dikke blok aan het been.

Vorige week besloten de 25 lidstaten in Brussel om de denkpauze met nog een jaar te verlengen. Tegen die tijd zijn de nodige hoofdrolspelers afgevallen – Jacques Chirac en Tony Blair zijn waarschijnlijk afgelost door Nicholas Sarkozy en Gordon Brown en ook Jan Peter Balkenende is er vermoedelijk niet meer bij. En misschien heeft bondskanselier Angela Merkel over een jaar de grote vorm gevonden die haar al zo lang wordt toegedicht. Maar wat maakt het uit? Wanneer de regeringsleiders over een jaar opnieuw bijeenkomen, zal die mislukte grondwet hun evengoed weer toegrijnzen.

Het dilemma van de Europese grondwet is eigenlijk het dilemma van de hele Europese constructie. Niemand neemt verantwoordelijkheid voor een mislukking, niemand wordt ervoor verantwoordelijk gehouden, niemand heeft zelfs het lef het woord «mislukking» in de mond te nemen. De regeringsleiders durven de grondwet niet dood te verklaren omdat ze dan in hun eigen vlees snijden, maar ze durven hem ook niet in leven te houden omdat ratificatie de steun van alle lidstaten vereist. Kortom, er waart vandaag de dag geen spook door Europa, maar een levende dode, gehuld in een blauw kaft met gele Europa-sterretjes. Het is de grondwetzombie.

Zoals bekend eten zombies de hersenen van hun slachtoffers waarna dezen eveneens veranderen in zombies, gedoemd om te dwalen en begerig te reiken naar de hersenen van weer nieuwe slachtoffers. In Nederland vielen de eerste slachtoffers al op de avond van het geflopte referendum. Dat gebeurde op de eerste verdieping van het Hilversumse hotel Lapershoek, waar de Nederlandse bewindslieden in afwachting van de uitslag voor de buis zaten. Toen de eerste prognose van 62 procent tegenstemmen binnenkwam, wilde staatssecretaris Atzo Nicolaï, eerstverantwoordelijk voor de grondwetcampagne en dus voor de mislukking, aftreden. De minister-president weerhield hem daarvan.

Een eventueel aftreden van Nicolaï – zo hield de premier hem voor – zou ook de positie van minister van Buitenlandse Zaken Ben Bot en die van hemzelf, Balkenende, in gevaar brengen. Dat kon zelfs leiden tot de val van het kabinet. Stel je voor. Daar is een referendum niet voor bedoeld. Op dat ogenblik moet Nicolaï hebben beseft dat het te laat was. Hij was omringd door zombies. Ministers die een paar dagen tevoren nog waarschuwden dat een afwijzing van de grondwet zou resulteren in armoede en oorlog in Europa, haalden hun schouders op en bestelden een glaasje alsof er niets aan de hand was.

In de daaropvolgende dagen en weken vrat de grondwetzombie zich gestaag een weg door de hersenen van de regeringspartijen. Ook uit Parijs kwamen berichten over grote aantallen slachtoffers, onder wie de president en de voltallige regering-De Villepin. In Londen verklaarde Tony Blair dat de Britten uiteraard per referendum over de grondwet mochten beslissen en tegelijk stelde hij dat referendum zo lang uit dat het niet meer hoefde. Voor de arme Nicolaï zat er weinig anders op dan het spelletje mee te spelen.

Hij deed dat met verve: hij sprak met de omfloerste stem van de balkenendiaanse eurozombie over een «nieuwe uitdaging» en gaf een of ander bureau opdracht om een belachelijke internet-enquête te houden. Intussen bleven zijn hersenen onaangetast, zoals blijkt uit het boekje Nederland Europa, van droom naar daad dat hij afgelopen week publiceerde. Het heeft een oranje kaftje, geheel in neonationalistische zombietrant, maar het bevat het meest lucide proza over Europa dat Nederland in jaren heeft gezien.

Waar andere auteurs hele boeken nodig hebben, analyseert Nicolaï in een paar zinnen het democratisch tekort van de EU: «Fundamentele kwesties worden vaak stapsgewijs doorgevoerd. Bij iedere volgende stap wordt verwezen naar wat eerder is afgesproken. De onomkeerbaarheid van het proces wordt zo de legitimatie van het eindresultaat.» Terecht constateert hij dat een grotere invloed van gekozen volksvertegenwoordigers in de EU daaraan weinig zal veranderen. Waar het op aankomt, is het openbaar en transparant maken van al die bijna heimelijke beslissingstrajecten, te beginnen met openbaarheid van de Europese ministerraden.

Zijn strategische blik reikt verder dan de recente ophef over dienstenrichtlijnen, corrupte europarlementariërs en ander klein Europees leed. Niet de Poolse loodgieters of de Turkse boeren, maar landen als China en India zijn de economische uitdagers van de toekomst. Het gebrekkige Europese tegenspel tegen de Verenigde Staten relativeert hij met een verwijzing naar de geschiedenis van dat land, dat meer dan twee eeuwen met zichzelf worstelde alvorens een rol op het wereldtoneel te spelen. De Europese samenwerking is evenmin opgezet met als doel van Europa een wereldspeler te maken, aldus Nicolaï.

De staatssecretaris is een man die weet hoe Europa werkt en hoe je die werking moet veranderen om gebreken te ondervangen – niet hoe je die gebreken moet verkopen aan een slecht voorgelichte achterban. Op zulke diplomaten moeten we zuinig zijn. En Nicolaï zelf doet er goed aan zich niet na middernacht op het Binnenhof te wagen.