Michael Moore over de gestolen American Dream

De grootste bedreiging voor de wereld

Een mengeling van Chomsky en Fortuyn, dat is de Amerikaanse schrijver Michael Moore in ‹Stupid White Men›. Hij is woedend over de hem ontstolen American Dream, bekommert zich echt om «gewone Amerikanen», en roept op tot actie.

Die titel, die kon nu niet meer. Het hoofdstuk over hoe Bush jr. de verkiezingen gestolen in plaats van gewonnen heeft, moest er natuurlijk sowieso uit. En de toon van de rest van het boek? Tja, Michael Moore kon toch wel begrijpen dat hij gezien het veranderde politieke klimaat heel wat moest herschrijven?

Maandenlang heeft de kwestie vorig jaar gesleept, en al die tijd lagen de vijftigduizend exemplaren van Stupid White Men, and Other Sorry Excuses for the State of the Nation! die op 11 september al waren gedrukt, klaar om tot pulp te worden vermalen. Zoiets kost geld, maar ook daarvoor hadden ze bij uitgever HarperCollins een oplossing bedacht: ze stelden Moore voor dat hij honderdduizend dollar van zijn royalty’s zou inleveren.

Schrijver en filmmaker Michael Moore piekerde er niet over. Maar pas nadat er een en ander was uitgelekt over de dreigende banvloek kwam het boek in februari alsnog uit. Het was onmiddellijk een superhit. Nu zijn we dertig drukken verder, en staan Moores domme blanke mannen al meer dan een half jaar in de nonfictie-toptien van The New York Times.

En dat terwijl het boek boordevol snoeiharde kritiek op Amerika staat en de lezer voortdurend oproept en aanzet tot protest en actie. Typisch dingen die al heel lang eigenlijk alleen populair zijn in een beperkt kringetje van linkse intellectuelen zoals Noam Chomsky. Hoe krijgt Moore het voor elkaar daar ver buiten te treden?

Om te beginnen: je kunt geweldig met hem lachen. Stupid White Men is een doldwaas boek vol grappen en oneliners over bloedserieuze zaken. En op zich is het ook allemaal niet zo nieuw: het gaat over de zwarte bevolking, die nog steeds gemiddeld 61 procent minder verdient dan de blanke, net als in 1880. Het behandelt de toestand in het onderwijs (163 New Yorkse scholen begonnen in 2000 het schooljaar zonder directeur, acht miljoen scholieren kijken elke dag naar een schooltelevisieprogramma dat voor tachtig procent uit sport en reclame bestaat), maakt je bang voor gekkekoeienziekte, vervuild water, de klimaatopwarming. Het geeft nog maar eens cijfers over het in huis hebben van wapens «voor je veiligheid» (in niet meer dan twee procent van de keren dat er met zo’n ding wordt geschoten, zijn inderdaad inbrekers of andere onverlaten het slachtoffer) en meet keer op keer de feilen uit van Bush jr. en zijn regering vol vriendjes van zijn vader en vriendjes van de grote industrieën.

Het is de vorm waarin Moore het giet. Veel wordt vet aangezet. Amerika is nummer 1? Nou, dat kun je wel zeggen. In de top twintig van geïndustrialiseerde landen is Amerika inderdaad nummer 1 in… volgt een lijst met tientallen voorbeelden, variërend van «de laagste verkiezingsopkomsten» via «doden en gewonden in het verkeer» tot «het aantal tienermoeders». De zwarte bevolking gevaarlijk? Hijzelf gaat een straatje om als er een groepje blanken aankomt. Want de dronkelap die hem het ziekenhuis in reed, de schoolmeester die hem straf gaf, het jongetje dat een steen in zijn oog gooide, de meisjes die hem in de steek lieten, de baas die hem ontsloeg, de vent bij NBC die besloot op te houden met zijn serie TV-Nation (hier nog een tijdje te zien geweest bij de VPRO trouwens), degene die zijn chequeboek leeghaalde — stuk voor stuk waren ze blank.

Domme blanke mannen (George W. Bush voorop natuurlijk) zijn de grootste bedreiging voor het land en de wereld. Altijd al geweest. Want wie anders is er verantwoordelijk voor de H-bom, voor PVC en al die andere gevaarlijke chemicaliën, voor de genocide op indianen, voor massaontslagen, voor stembiljetten waarin je een gaatje moet prikken? En wat dacht je van de holocaust? Die vent heeft de blanken pas een slechte naam bezorgd!

Niks is heilig bij Moore, en dat is een verademing. Hij draait zaken om, speelt slim met clichés, en houdt zijn lezers en passant spiegels voor. Zo vertelt hij over de enorme verontwaardiging die een scène in zijn eerste film opriep: er werd een konijntje in doodgeslagen. Hoe hij dat erin had kunnen laten! Walgelijk, foei en schande, riep iedereen. Maar helemaal niemand, merkt Moore op, uitte ook maar enig bezwaar tegen wat er twee minuten later te zien was: hoe de politie een zwarte man neerschoot die een Supermancape droeg, en een speelgoedgeweer in zijn hand had. Ach ja, dat is wat we gewend zijn, dat is wat die zwarten immers altijd doen: schieten en neergeschoten worden.

Af en toe weet je overigens niet hoe serieus Moore precies is. Zo hangt hij ergens een prachtige redenering op over het Zuiden van de Verenigde Staten, dat volgens hem alsnog de Burgeroorlog heeft gewonnen en wel uitsluitend en alleen door de uitvinding van de airconditioning. En zou hij echt uitsluitend nog zwart personeel aannemen, zoals hij overigens iedereen aanbeveelt? Hij slaat soms in elk geval behoorlijk door. Zwarte autorijders die niet aldoor aangehouden willen worden, raadt hij bijvoorbeeld aan een blanke opblaaspop op de passagiersstoel te zetten. Dan denkt de politie: oké, dat is een chauffeur. En een van zijn tips om benzine te sparen luidt: steel het uit auto’s op de parkeerterreinen van vliegvelden, want mensen gebruiken het dan toch niet.

Enfin, alle overdrijvingen en meligheid staan blijkbaar zijn succes niet in de weg. En dat moet veel te maken hebben met zijn oprechte boosheid over de hem ontstolen American Dream, en het feit dat hij zich daadwerkelijk bekommert om «gewone Amerikanen», de rode draden in zijn werk.

Hij zag in de jaren tachtig zijn geboortestad Flint (in de staat Michigan) volkomen naar de knoppen gaan omdat General Motors tienduizenden mensen ontsloeg, hoewel het concern enorme winsten maakte. Daar wilde hij wel eens over praten met de directeur, Roger Smith. Zijn vergeefse pogingen die te pakken te krijgen, legde hij vast in de film Roger & Me, waarmee zijn naam in één klap was gevestigd (wat natuurlijk niet wilde zeggen dat hij voortaan overal terecht kon).

Het komt erop neer dat Michael Moore — zelf een prototypische Amerikaan, te dik van het fastfood en eeuwig met een baseballpetje en in spijkerbroek — de woede en verontwaardiging van veel van zijn landgenoten vertolkt. Hij doet in dat opzicht op sommige momenten sterk aan Pim Fortuyn denken. Zeker als hij mensen oproept niet meer in alle flauwekul te geloven en het land weer terug te veroveren. Door zelf, op lokaal niveau de politiek in te gaan (en zo te helpen van de Democratische Partij weer een echte oppositiepartij te maken) of andere dingen te organiseren. Zijn tips daarvoor zijn praktisch en to the point.

In die grassroots-aanpak klinkt weer de overtuiging van activisten als Chomsky door. Ook diens methode om uit verschillende openbare bronnen te putten voor een afgerond verhaal werkt bij Moore uitstekend. De hele geschiedenis van de presidentsverkiezingen, die door de gevestigde Amerikaanse media uiteindelijk maar marginaal is behandeld, is er een huiveringwekkend en zeer leesbaar voorbeeld van. Moore heeft ondertussen totaal niet de intellectuele afstandelijkheid van het gewone linkse establishment. Hij vertelt veel over zichzelf, en over zijn eigen zwakheden (dol op zijn minivan, minder dol op douchen), en spreekt zijn lezers ook voortdurend aan alsof het zijn vrienden zijn.

Precies datzelfde doet hij in zijn e-mails, waarop je je gratis kunt abonneren. Zo deelde hij onlangs uitgebreid zijn verdriet over de plotselinge dood van zijn moeder. Op typisch Amerikaanse wijze: met veel tranen, en veel eerbetoon. Op zijn website (www.michael moore.com) staan bijna dagelijks simpele dingen die je als burger kunt doen om ergens een misstand aan te kaarten (bijvoorbeeld helpen voorkomen dat er alweer een Michael Moore de doodstraf krijgt). Hoeveel Amerikanen daar gehoor aan geven, is natuurlijk de vraag, net zoals niet te voorspellen valt hoe ver het uiteindelijk allemaal zal reiken.

Moore probeert niets minder dan een soort volksbeweging in gang te zetten. Dat is nogal wat. Maar de voortekenen dat het echt wat kan worden, zijn niet slecht. Overal waar hij signeert en voorleest, loopt het storm, vaak moet hij twee keer achter elkaar optreden. De wijze waarop hij tekeergaat tegen de president van zijn land (die hij in een hilarische brief aanspreekt met «governor Bush», en in de rest van het boek staat het woord «president» overal tussen aanhalingstekens) is in elk geval ongehoord. Niemand hoeft meer te denken dat de hele Verenigde Staten zijn ondergedompeld in Bush-minnend patriottisme.

Michael Moore

Stupid White Men, and Other Sorry Excuses

for the State of the Nation!

Uitg. HarperCollins, 277 blz., $24,90

zie ook: www.michaelmoore.com