Zomerserie: De klokkenluider van de Notre-Dame

De grootste gebeurtenis in de geschiedenis

Victor Hugo zag de uitvinding van de boekdrukkunst als de moeder van alle revoluties. De ware gevolgen van de introductie van de vrije pers deden zich pas gelden in 1789 in Frankrijk.

Over Quasimodo, de gebochelde held van zijn roman De klokkenluider van de Notre-Dame, schrijft Victor Hugo: ‘Het leek wel een in stukken gebroken reus, die verkeerd weer in elkaar was gezet.’ Hetzelfde geldt voor dit boek, dat Hugo voltooide in 1831, nauwelijks 28 jaar oud. Het is een monsterlijke historische roman: omvangrijk, ongeloofwaardig, met het vijftiende-eeuwse Parijs als overkokend decor, met onmenselijk schematische personages (zoals de zigeunerin Esmeralda, waar elke man verliefd op wordt), krankzinnige plotontwikkelingen, theoretische terzijdes en onhandige auteursinterventies. Als Hugo gedachten wil weergeven, verontschuldigt hij zich door te benadrukken dat het personage een ‘echte toneelschrijver’ is, van nature geneigd tot innerlijke monologen. Bij een zoveelste spectaculaire wending, noteert hij: ‘De omwenteling, hoe aanlokkelijk ook, was inderdaad schokkend.’ En om er geen misverstand over te laten bestaan introduceert hij de aartsdiaken van de kathedraal als volgt: ‘En werkelijk, Claude Frollo was geen gewoon iemand.’

Voor een stuk vallen deze kwesties Hugo moeilijk te verwijten; het zou nog een kwart eeuw duren vooraleer Flaubert met Madame Bovary het moderne realisme in de Franse literatuur perfectioneerde. Rond die tijd werkte Hugo echter al aan Les Misérables, zijn andere grote roman, en een boek dat Notre-Dame de Paris – zoals de originele titel luidt – overtreft op het vlak van pathetiek, melodrama en gothic grandeur. Het was succesvol in het Europa van die tijd – in een recente studie noemt David Bellos het met niet weinig overdrijving ‘the novel of the century’, waar Hugo trouwens een gigantisch voorschot voor verwierf, ook omdat er voor voltooiing al vertalingen op stapel stonden.

Als er één schrijver het musicalgenre heeft aangekondigd, dan is het Hugo, en het is niet toevallig dat de musicalversie van Les Misérables al twintig jaar de wereld rond reist, en in 2012 werd verfilmd. Van Notre-Dame de Paris werd in 1996 een Disney-film gemaakt, waarin ook heel wat wordt gezongen, en waarin zoals te verwachten een aantal wijzigingen is aangebracht ten opzichte van de brontekst. De mensen zijn vriendelijker, de religieuze thema’s zijn grotendeels verdwenen, en op het eind mogen enkele personages in leven blijven, zoals Esmeralda en Quasimodo, die door de maatschappij wordt aanvaard, en zich niet langer in de Notre-Dame moet verschuilen.

Victor Hugo, gefotografeerd door zijn zoon Charles, Jersey, ca. 1854 © Charles Hugo

Van de elf delen waaruit Hugo’s roman is opgebouwd, is het vijfde volledig afwezig in de Disney-film, terwijl de zwart-wit filmversie uit 1939 ermee opent. Het gaat om een passage die de auteur in 1832 aan de tweede druk heeft toegevoegd, zonder invloed op de plotontwikkeling, en als een zoveelste uitwas op het al niet erg harmonieuze lichaam van zijn roman. En toch vormen deze fascinerende bladzijden de kern van De klokkenluider van de Notre-Dame, of de belangrijkste reden om het boek vandaag te lezen. Frollo, de aartsdiaken van de kathedraal, is kerkelijk rechter en zowel pleegvader als bewaker van Quasimodo. Op een avond ontvangt hij bezoek ‘in zijn eenzame cel in het klooster van de Notre-Dame’. Voor de deur staat de lijfarts van koning Lodewijk XI, vergezeld van een vreemde, half vermomde man – pas als het bezoek vertrokken is, zal Frollo beseffen dat niemand minder dan de koning om raad is komen vragen. De echte reden voor deze gebeurtenis ligt bij de schrijver: Hugo laat Frollo op haast nietzscheaanse wijze tegen zijn bezoekers delireren over recente ontwikkelingen en gebeurtenissen in de vijftiende eeuw, zoals de uitvinding en de verspreiding van de boekdrukkunst. De koning is verbaasd, een beetje geërgerd, maar ook geïntrigeerd. ‘Hemel!’ roept hij uit, ‘wat zijn dat toch, die boeken van u?’ Frollo wijst door het raam naar ‘de machtige kerk van Notre-Dame die met haar twee torens, haar stenen vleugels en haar monsterlijke rug als een zwart silhouet afstak tegen de sterrenhemel’.

En dan volgt deze beslissende en beroemde passage: ‘Een tijdlang keek de aartsdiaken zwijgend naar het gigantische bouwwerk; toen strekte hij met een zucht zijn rechterhand uit naar het gedrukte boek dat open op tafel lag, zijn linkerhand naar de Notre-Dame en zei, terwijl zijn droeve blik van het boek naar de kerk ging: “Helaas! Dit zal dat doden.”’ De lijfarts fluistert meteen tegen de koning: ‘Hij is gek’, en Lodewijk XI beaamt: ‘Dat geloof ik ook.’ Het bezoek vertrekt, en op het eerste hoofdstuk van het vijfde boek van Notre-Dame de Paris volgt een tweede, met als Latijnse titel Ceci tuera cela – dit zal dat doden. Het bestaat uit een essay van bijna twintig bladzijden waarin Hugo de woorden van Frollo probeert te verklaren. ‘Onze lezers’, zo begint hij aandoenlijk, ‘zullen het ons wel vergeven dat wij even stilstaan bij de vraag welk idee er zou kunnen schuilen achter die mysterieuze woorden van de aartsdiaken: Dit zal dat doden. Het boek zal het bouwwerk doden.’

Dat idee is nochtans relatief eenvoudig: tot de vijftiende eeuw was architectuur de voornaamste uitdrukkingsvorm van een door religie gedomineerde maatschappij. De katholieke kerk als instituut kon gelovigen toespreken, beïnvloeden en ook onderdrukken dankzij de monumentale bouwkunst, die traag en duurzaam de macht zichtbaar maakte. De uitvinding van de boekdrukkunst heeft het, aan het eind van de vijftiende eeuw, mogelijk gemaakt om moderne en kritische ideeën sneller en breder te verspreiden. Dat is het wat de loop der dingen en de geschiedenis is gaan bepalen: waarden en overtuigingen worden op papier kenbaar gemaakt, en vervolgens hebben ze verstrekkende politieke en persoonlijke gevolgen. ‘De uitvinding van de boekdrukkunst’, aldus Hugo, ‘is de grootste gebeurtenis in de geschiedenis. Het is de moeder van alle revoluties.’

Natuurlijk speelt voor de Franse schrijver het heden daarin een even belangrijke rol. Met De klokkenluider van de Notre-Dame heeft Hugo een historische roman over de vijftiende eeuw geschreven, waarmee hij de wortels wou blootleggen van gebeurtenissen die zich eind achttiende en begin negentiende eeuw voltrokken. Met andere woorden: de ware gevolgen van de introductie van de vrije pers – door Frollo visionair voorspeld in de vijftiende eeuw – deden zich pas gelden in 1789 in Frankrijk, toen niet toevallig de Bastille en allerlei andere gebouwen en sculpturen bestormd werden door revolutionairen met verlichte inzichten en democratische eisen. Vandaar dat Frollo zo zwartgallig besefte dat de moderniteit en de laïcisering voor de deur stonden, en dat de dagen van zijn dominante klasse geteld waren.

‘Iedere geest is een metselaar. Ook de nederigste vult een gat of draagt zijn steen bij’

Natuurlijk is het in de eeuwen daarna niet zo zwart-wit verlopen. Als romanpersonages ernstig over hun uitspraken zouden nadenken, dan zouden wij als lezers de wereld minder goed begrijpen. Het haast lachwekkend schematische oordeel van de aartsdiaken – het is gedaan met gebouwen, voortaan tellen enkel nog teksten op papier – wordt ook door Hugo gerelativeerd: ‘Wij moeten het door de architectuur geschreven boek steeds opnieuw bewonderen en doorbladeren’, zo benadrukt hij. Maar toch is het ontegensprekelijk zo dat de ‘vrije pers’ het in principe mogelijk heeft gemaakt dat om het even wie het woord kan nemen om haar of zijn ideeën te verkondigen, zonder dat kerk of staat daar toestemming voor moet verlenen.

‘Iedere geest is een metselaar’, zegt Hugo met dan toch nog een bouwkundige metafoor. ‘Ook de nederigste vult een gat of draagt zijn steen bij.’ Zonder boekdrukkunst geen democratie.

Een boek over de vijftiende eeuw, geschreven in de negentiende eeuw, herlezen in de 21ste? Het wordt in dat geval moeilijk om Hugo’s essayistische uitweidingen niet te lezen als aankondiging van iets anders. Hoewel het in de eerste helft van de negentiende eeuw toch nog bijna een volle dag duurde om een boek of een krant van pakweg Parijs naar Amsterdam te brengen, is Hugo lyrisch over de mogelijkheden van het tijdperk waarin hij leeft. ‘Nu wordt de gedachte een vlucht vogels, waaiert uit naar de vier windstreken en beheerst overal tegelijk de lucht en de ruimte.’ Als dat al waar was voor de gedrukte pers, wat dan te denken van internet en Twitter, niet toevallig met een vrolijk lichtblauw vogeltje als logo? Heeft aan het begin van onze eeuw internet de boekdrukkunst niet onttroond als ‘grootste gebeurtenis in de geschiedenis’? En welke groep mensen staat er in dat geval op het punt de macht te verliezen, zoals destijds de geestelijke Frollo, die meer dan een half millennium geleden nog houvast zocht bij de waardige standvastigheid van zijn geliefde kathedraal?

De boeken die toen als duivelse herauten van het begin van het einde werden gezien, kunnen nu worden aangeroepen als sterkhouders van een ancien régime dat ooit vrijheid, broederlijkheid en gelijkheid beloofde. Maar tegelijkertijd geeft die vergelijking ook aan hoe internet een geoptimaliseerde, meer efficiënte en alomtegenwoordige versie is van die ouderwetse ‘pers’: online kunnen de ambities en de implicaties van de machine van Gutenberg – wereldwijde en snelle verspreiding, spreekrecht voor iedereen, direct en taboeloos debat, makkelijk consulteerbaar archief – pas echt de vrije loop krijgen. Met nog een vraag van Hugo: ‘Waarom zouden wij ons dan verbazen dat de menselijke geest langs deze helling voortstroomt?’

Vlak voordat hij de draad van zijn verhaal over de bultenaar weer opneemt, besluit Hugo zijn spreekbeurt als mediatheoreticus door ook te wijzen op de onoverzienbare gevolgen van al die stilaan industrieel vervaardigde boeken, kranten en pamfletten. ‘Ook dit is een bouwwerk dat in eindeloze spiralen doorgroeit; ook hier is spraakverwarring, onafgebroken activiteit, onvermoeibare werkdrift, een verbitterde wedloop van de hele mensheid, de belofte van een toevlucht bij een nieuwe zondvloed, bij een nieuwe stormloop van barbaren. Het is de tweede toren van Babel van de menselijke soort.’ Een Frollo van de 21ste eeuw zou er wel weg mee weten: de toren van de boekdrukkunst is al weer een paar jaar ingestort; aan het Babel van internet bouwen we allemaal samen, hoewel we nog niet weten welke hoogtes we willen bereiken. Samenvattende en alom bekende meesterwerken, zoals een kathedraal of een onvergetelijke roman, zal het echter niet meer opleveren, en in zekere zin is dat zelfs de bedoeling.