De grootste kunstenaar

Wat is kunst? De Zweedse schrijver Torgny Lindgren (1938) laat zijn lezer diep over deze vraag nadenken in zijn jongste roman Het groene glas.

Hoofdpersoon is de Zweedse kunstschilder Klingsor, een topkunstenaar met enorm belangrijk werk, die toch altijd verbonden is gebleven aan het Noord-Zweedse plattelandsgemeenschapje waar hij geboren is. Zijn schilderscarrière begon met de vondst van een scheefgezakt groen glas. Opa bezoop zich een keer per jaar diep in het bos aan zelf gestookte sterke drank, en Klingsor vindt decennia later ‘door zijn aangeboren, buitengewone gevoel voor vorm’ opa’s glas op een stronk. ‘En plotsklaps was het hem duidelijk dat de dode materie niet dood is. Dit was het moment waarop hij kunstschilder werd.’

Small anp 46348820

Lindgren is een meester in het zintuiglijk maken van abstracte, filosofische vragen. In zijn voorlaatste roman De bijbel van Doré deed hij dat door de geloofskwestie te verbinden met de impressie die de tekeningen van Gustave Doré maakten op de autistische hoofdpersoon. In Het groene glas gaat het om de vraag wat echt is en wat niet, wat ‘echte kunst’ is als sowieso alles wat gemaakt is kunstmatig is, en hoe iets wat dood is tot leven kan komen in een ‘stilleven’. Wat is dood en wat is leven? Wekt kunst, een roman, een schilderij, zijn onderwerp tot leven?

Maar hij vermijdt alles wat zweemt naar een essay: Lindgren maakt gehakt van alle abstracties door een levensverhaal te vertellen. De filosofie mag de lezer er zelf bij bedenken. Intussen laat hij ook de kunstmatigheid van de roman zelf zien, die geschreven lijkt door Klingsors biografen (een anoniem ‘wij’). Voor hen is de vraag wie Klingsor bezocht op zijn ‘grande tour’ naar Parijs net zo belangrijk als wie de vroedvrouw was die de navelstreng doorknipte in zijn Norrlandse geboortehuis. Dat huis is nu overigens de vervallen winkeldochter van een sappelende makelaar. ‘Jullie kunnen het huis krijgen. Als jullie het onderhouden’, probeert hij het de biografen vergeefs aan te smeren.

Hier komt een andere meesterlijke kant van Lindgren als schrijver om de hoek: zijn gevoel voor humor. De grap is de beste manier om de moeilijkste levensvragen te benaderen.

Klingsor is, als we zijn biografen mogen geloven, een vreemd mannetje. Hij komt uit een plattelandsfamilie van houtzagers en weefsters, maar de biografen vinden heroïsche figuren in zijn bloedlijn, zoals de oer-Klingsor die nog tegen Napoleon zou hebben gevochten. Diens oorlogsbuit, een gietijzeren kookpot die hij helemaal naar Norrland versleepte, is door de kunstschilder twee keer getekend. ‘Waar de gietijzeren kookpot nu is, weten we niet’, concluderen de biografen plechtig.

Is Klingsor een echte kunstenaar of een mislukte amateur? Zijn zuster meent dat haar broer ‘niets kon’

Klingsor volgt zijn studie tot schilder aan het ‘correspondentie-instituut’: hij doet de cursus Tekenen I-II vanuit zijn ouderlijk huis, onverstoord door de wereld om hem heen (‘Zijn zuster moest naar een sanatorium. Hitler pleegde zelfmoord. De schaapskooi bezweek onder een dik pak sneeuw’). Zijn jarenlange begeleidster van het instituut, de aquarellenschilderes Fanny, zal later zijn vrouw en pleitbezorger worden. Met haar voert hij per brief discussies over de mate van bezieling van de materie. Zijn lerares is streng: ‘Simpel gezegd: de werkelijkheid is niet bezield! Wij hier op het correspondentie-instituut zijn het daar roerend over eens.’

In zijn Parijse tijd ‘had hij wezenlijk deel aan het vitaalste en meest vooruitstrevende kunstleven van Europa’, al blijkt dat voornamelijk te bestaan uit bij de ingang van beroemde schildersopleidingen naar de binnenkomende studenten gluren. Zijn enige vriend duikelt hij daar op, en als die jaren later naar Zweden komt, ‘het moment waarop het existentialisme Västerbotten bereikte’ en in een kwartier een expressionistisch schilderij maakt, hangt Klingsor ontgoocheld zijn penselen aan de wilgen.

Klingsor zou nu zonder meer het etiket ‘zwaar autistisch’ op zich geplakt krijgen, net zoals Van Gogh ongetwijfeld medicijnen tegen zijn psychoses voorgeschreven zou hebben gekregen.

Is Klingsor eigenlijk een echte kunstenaar of een mislukte amateur? Zijn zuster meent dat haar broer ‘niets kon’ en zegt tegen de biografen: ‘Daar zal niet veel in staan, in dat boek.’ Maar de biografen antwoorden: ‘Hij is onze grootste kunstenaar.’ Dat geldt in ieder geval zijn belangrijkste expositie, in de oude school van Avabäck, waar de dorpelingen hún grootste kunstenaar bewonderen. Daar zien ook zijn latere biografen de tentoonstelling, de eerste in hun leven. Ze worden ‘tot trillens en bevens’ toe aangegrepen, en vergelijken de ervaring met de uitvinding van het Higgsdeeltje. ‘Maar wij waren de enigen die dat allemaal echt zagen. Alle anderen zagen iets anders of niets.’

Twee verglaasde schaaltjes tegen een zwarte achtergrond, geroofd door een overvaller die het doek voor duizend kronen met een vervalste handtekening verbeurde, is het enige schilderij dat tijdens zijn leven verhandeld is. Is er eigenlijk nog werk van hem dat niet door de muizen opgegeten of verbrand is, en zo ja, waar? Juist op die voor een kunstenaarschap wezenlijke vraag geven de biografen geen antwoord. Bestaat die hele Klingsor eigenlijk wel?

Met ijzeren geduld proberen de biografen ‘zijn leven en zijn kunst aan elkaar te schrijven’. Verbanden zien, oorzaak en gevolg duiden: schrijvers zijn immers op zoek naar verklarende grootheden en proberen hun lezers de wereld uit te leggen. Zo niet Lindgren. Hij schopt alle mythes over ‘grote kunst’ in de war, en creëert een nieuw, omgekeerd kunstuniversum, waarin zondagsschilder Max Doerner oneindig veel belangrijker is dan Cézanne, Matisse of Picasso, en waarin de ware kunstenaar zich niet ontwikkelt maar juist altijd hetzelfde schildert. Ja, dat is grappig. En toch, en toch. Tijdens het lezen van de roman verlangde ik er in toenemende mate naar schilderijen van Klingsor te zien. Was hij een soort Morandi, met zijn prachtige stillevens? Of een soort Mark Rothko, aangezien ook Klingsor kunst maakte ‘die echt overal doorheen kijkt, een kunst zonder buitenkant’? Volgens mij is deze door Lindgren tot leven geroepen Klingsor echt onze grootste kunstenaar.


Beeld: Torgny Lindgren schopt alle mythes over ‘grote kunst’ in de war ( Lars Lindqvist / DN / TT News Agency / ANP)