Lee Siegel tegen de elektronische maffia

‘De grootste schreeuwlelijken zijn de baas’

Het internet heeft de westerse cultuur gedegradeerd tot een populariteitswedstrijd waarin de middelmaat regeert, vindt de Amerikaanse schrijver Lee Siegel. Hij legt zich er niet bij neer. ‘Er is gelukkig nog tijd om een tegencultuur te vormen.’

TOEN HIJ DOOR EEN ANONIEME bezoeker van zijn blog op de website van opinieblad The New Republiceen kinderneuker werd genoemd, kon Lee Siegel (51) zich niet langer beheersen. De cultuurcriticus, net voor het eerst vader geworden, besloot naar het niveau van zijn anonieme belagers af te dalen: onder het pseudoniem ‘Sprezzatura’ mengde hij zich in de discussie op zijn eigen blog. ‘Je mag Siegels schoenveters nog niet eens strikken’, zou een van zijn meest geciteerde postings worden.
Want Siegels ‘bedrog’ kwam in de herfst van 2006 aan het licht. Het betekende de geboorte van de Sprezzatura-rel in mediagek New York. Onder aanvoering van media-roddelsite Gawker.com maakte de blogosfeer gehakt van Siegel, waar The New Republic op reageerde door hem te schorsen – volgens Siegel ‘geen fraaie blijk van journalistieke standvastigheid’.

Inmiddels publiceert hij weer in The New Republic, sinds kort ook op nieuwsblogThe Daily Beast. Siegel heeft verschillende boeken geschreven, waaronder Not Remotely Controlled: Notes on Television (2007). In 2002 ontving hij de National Magazine Award for Reviews and Criticism voor zijn essays in onder meer The Atlantic Monthly, Harper’s en The New Yorker. Zelf heeft Siegel altijd volgehouden dat zijn anonieme interventies op zijn eigen blog juist ‘humoristische pogingen waren om het verbale wangedrag van middelmatige lafaards op het internet aan de kaak te stellen’. En het moet gezegd, een post als ‘Siegel is een genie; moedig, briljant en veel geestiger dan Jon Stewart’ moet bijna wel humoristisch bedoeld zijn.
Tegelijkertijd was het ook een leermoment: ‘Het gaf me inzicht in hoe het internet je emoties kan beïnvloeden. Ik werd zo kwaad toen ik las wat er allemaal over me werd geschreven dat ik mezelf verloor. En dat is ook weer typisch voor het internet: als je alleen voor dat scherm zit, geef je sneller toe aan je impulsen.’
Er was ook een positief neveneffect voor Siegel: ‘Dankzij de publiciteit die de rel genereerde, kreeg ik eindelijk het contract voor het boek dat ik al jaren wilde schrijven.’
Dat boek, Race against the Machine, kwam vorig jaar uit. Het is een inktzwarte kritiek op de internetcultuur geworden, die Siegel definieert als ‘het geheel van alle regels, gebruiken en uitingen die je op het web aantreft – of dat nu in e-mails, op Facebook of op het forum van de New York Times-website is’.
Sindsdien is de internetcultuur verrijkt met Tweets, zoals de 140 karakters tellende berichten op de populaire webdienst Twitter heten. Voor het overige heeft Siegels boek niet aan actualiteit ingeboet.
Bij hem thuis, in Brooklyn, legt hij nog eens uit wat er allemaal mis is met de internetcultuur.

IN DE INLEIDING van ‘Race against the Machine’ vergelijkt u het internet met de auto-industrie in de vroege jaren zestig. Is dat niet een beetje vergezocht?
Lee Siegel: ‘In die tijd stierven jaarlijks vijftigduizend mensen bij auto-ongelukken, maar wie de autocultuur bekritiseerde, was ouderwets en zelfs ondemocratisch. Auto’s waren immers niet alleen een wonder van gemak, zo werd het publiek verteld, maar stonden ook voor ultieme persoonlijke en sociale transformatie. Het internet is natuurlijk geen death trap als de auto-industrie, maar je mag er om vergelijkbare redenen geen kritiek op leveren. Later bleek dat automakers al jaren op de hoogte waren van de gebreken aan auto’s. Ze hadden stelselmatig de waarschuwingen van hun ingenieurs genegeerd om de productiekosten laag te houden.’
Waarom wordt kritiek op het internet niet getolereerd?
‘De commercie houdt dat tegen. Kijk, je mag best iets zeggen over zaken als bashing, of privacy, of pornografie. Maar je mag de zegeningen van het internet niet in twijfel trekken. Er is te veel geld in het internet geïnvesteerd, te veel carrières zijn ervan afhankelijk. Wie dat toch doet, wordt weggehoond door wat ik de elektronische maffia noem – de mensen en bedrijven die leven van het internet.’
Hoe kan die elektronische maffia zo overheersend zijn?
‘Het internet nodigt mensen uit om hun privé-leven in een marketable, publieke stijl te presenteren – denk aan YouTube, Facebook of datingsites. Zo is een omgeving gecreëerd waarin alles en iedereen continu in de etalage staat. Tegelijkertijd wordt ons een nepidee van interactiviteit voorgehouden: je mag op allerlei websites en in televisieprogramma’s als American Idol “stemmen”. Zo ontstaat een populariteitscultuur, waarin continu verwezen wordt naar wat de meerderheid leuk vindt. Dat is ook hoe Google werkt: de populairste sites komen het hoogst in de resultaten. Alsof we voor altijd op de middelbare school zitten. In een dergelijk klimaat zijn mensen banger dan ooit om publiekelijk bekritiseerd te worden.’
Wat is er nog meer mis met het internet?
‘Voor alle duidelijkheid: ik houd van het internet. Zonder internet was ik nu nog niet klaar geweest met dit boek. Ik gebruik het voor research, of om reizen te boeken, en ik ben verslaafd aan e-mail. Het is, kortom, een wonder van gemak. Maar meer is het ook niet. Wat de elektronische maffia bejubelt als connectiviteit is onzin: het internet brengt mensen helemaal niet dichter bij elkaar. Mensen die in hun eentje voor hun computerscherm zitten, dat is juist isolatie. Het internet is de eerste sociale omgeving die in de behoeften van het geïsoleerde en asociale individu voorziet. En snel: als je iets wilt, hoef je alleen maar met je muis te klikken en je creditcard te trekken. Dat verklaart ook het succes van online pornografie.’
En het internet als het ultieme platform voor zelfexpressie – spreekt dat u wel aan?
‘Het is waar dat iedereen op het internet kan roepen, schrijven en publiceren wat hij wil. Maar is dat interessant? Het is meestal platvloers en middelmatig, en heeft zelden iets met kunst te maken. Van veel uitingen weet je niet eens of ze authentiek zijn. Herinnert u zich nog de Lonelygirl15-affaire? Massa’s mensen volgden op YouTube de wederwaardigheden van een “eenzaam” meisje dat later een actrice bleek te zijn – nota bene vertegenwoordigd door het Creative Artists Agency.’

WAT VINDT U van de claim dat het internet ‘democratisch’ is?
‘Stel, er staat tijdens een toespraak van president Obama iemand op die begint te brullen dat Obama een kutmoslim en een nikker is. Dat is uitgesloten, dat zouden de mensen om die persoon heen niet pikken. Maar online kun je dat soort dingen gerust roepen, beschermd door je anonimiteit. En dat gebeurt dus ook. Op het internet zijn de grootste schreeuwlelijken en negatievelingen de baas. Al die onzingeruchten dat Obama in zijn jeugd een drugsdealer was, worden ook via het internet verspreid. Zo transformeert het internet de democratie – en niet op een positieve manier.’
U fulmineert nogal tegen de blogosfeer. Wat is uw probleem met bloggers?
‘Zo heel af en toe is er eens een blogger die de politiek of de media correct berispt of anderszins met een interessant inzicht komt. Maar voor het overige wordt de blogosfeer gedomineerd door middelmatige figuren die het internet gebruiken om hun kwaadaardige sentimenten ten opzichte van succesvolle mensen te ventileren. Het heeft geleid tot een zwart soort humor, die je ook op tv terugziet. Neem Saturday Night Live: dat was in de jaren van John Belushi en Al Franken een spitsvondig en creatief humoristisch tv-programma. Nu zijn het platte grappen en flauwe persiflages die ten koste gaan van talentvolle en hard werkende mensen.’
Is dit echt allemaal de schuld van het internet?
‘Nee, dat ook weer niet. Het internet versterkt slechts een cultuur die al bestaat. Het maakt die luider en gemener. Uiteindelijk biedt technologie geen oplossing voor de menselijke natuur; ze is er slechts een versterking van.’
Wordt serieuze journalistiek bedreigd door de internetcultuur?
‘Ja, want het haalt het niveau naar beneden. Onder invloed van de internetcultuur wordt populariteit opeens een maatstaf die meeweegt bij het bepalen van de nieuwswaardigheid. Zelfs The New York Times heeft prominent de rubriek Most E-mailed Stories op de website staan. Wat is dat nou voor een criterium? Mij kan het niets schelen wat het meest gelezen wordt: ik verwacht van de Times-redactie dat die haar keuzes onafhankelijk maakt, niet op basis van populariteit. Typisch is trouwens dat de columns van Maureen Dowd vaak het populairst zijn. Die zijn heus goed geschreven en geestig, maar ook “nasty” – altijd ten koste van anderen, of dat nou Hillary Clinton of George Bush is.’

DE CHEF VAN de ‘Wall Street Journal’-website verklaarde onlangs dat de grootste zegen van het internet de enorme snelheid van het nieuws is. Bent u het daarmee eens?
‘Nee, want wie kan dat echt wat schelen? Ja, de uitgevers misschien, die besparen geld door snel nieuws online te zetten in plaats van kundige journalisten een goed stuk erover te laten schrijven. The Wall Street Journal zou niet moeten concurreren op het gebied van snel nieuws brengen. We hebben solide publicaties nodig, die niet in die snelheidsrace meegaan. Want zodra het scherm domineert, zoals bij het internet, dan beweegt de berichtgeving zich al snel richting amusement. En dat heeft minder impact.’
Wat zou u graag aan het internet veranderen?
‘Ik zou willen dat er een website bestond die alleen gewijd is aan heel goed schrijven, zonder enig commercieel oogmerk of om nieuws te brengen. Zo begon het online magazine Salon ooit, maar inmiddels heeft Salon Media een beursnotering en appelleert ook Salon aan wat de mensen willen lezen. Ik denk dat alleen iemand uit de categorie Bill Gates of Warren Buffet, dus iemand die zoveel geld heeft dat hij niet meer door de commercie kan worden verleid, mijn wens zou kunnen realiseren.’

UW ANDERHALF JAAR oude zoon groeit op in een door het internet gedomineerde cultuur. Maakt u zich daar zorgen over?
‘Ja, absoluut. Maar er is gelukkig nog tijd om een tegencultuur te vormen. Milieuactivist Ralph Nader schreef in 1965 Unsafe at Any Speed, waarin hij de praktijken van de auto-industrie openbaar maakte. Onder druk van de publieke opinie bleken de automakers vervolgens best in staat om auto’s veiliger te maken. Iets dergelijks gebeurt hopelijk ook met het internet. Het is een geweldig medium, maar niet iedereen hoeft klakkeloos aan te nemen dat het een zegen is voor de democratie en de vooruitgang. De dingen hoeven niet te zijn zoals ze zijn.’


Op verzoek van lee Siegel is in de online versie onderstaande toegevoegd (31-08-2009):

Dit interview met Lee Siegel is afgenomen op 5 maart 2008. Daarnaast sprak Siegel op het einde van het gesprek over kranten in het algemeen, en niet specifiek over de Wall Street Journal. Dit is wat hij zei: “Kranten moeten optimaal gebruik maken van de mogelijkheden die het internet biedt teneinde te doen wat ze het beste doen: het produceren van solide, verantwoordelijke, accurate en weldoordachte journalistiek.”

Lee Siegel, Race against the Machine: Being Human in the Age of the Electronic Mob. Spiegel & Grau, 182 blz., $ 22,95