Essay - De markteconomie bestaat niet

De grootste show op aarde

De markt vormt het kloppend hart van de westerse maatschappij – geloven we. Maar wat als dat niet waar is? Wat als de markteconomie een mythe is? Tijd om ons economische wereldbeeld op z’n kop te zetten.

Medium hh 49951227

Stel je voor dat een buitenaards wezen vanuit het donkere heelal onze blauwe planeet nadert. En stel dat het doel van zijn reis niet is om al het leven op de aardkloot te vernietigen, van onze hersenen te smullen of een van de andere gebruikelijke sciencefiction-scenario’s. Laten we ten slotte aannemen – ik geef toe, hier wordt het onwaarschijnlijk – dat onze vreedzame ruimtetoerist bijzonder geïnteresseerd is in de aardse economie. Om daarover meer te weten te komen beschikt hij over een speciale telescoop. Die toont sociale structuren. Bedrijven en andere organisaties lichten groen op. Markttransacties tonen zich als rode lijnen.

Het voorbeeld is afkomstig van de Amerikaan Herbert Simon (1916-2001). Simon was wat je met recht een wetenschappelijke alleskunner kunt noemen: psycholoog, computerwetenschapper, politicoloog, socioloog – en dus ook econoom. In die hoedanigheid stond hij aan de basis van een aantal baanbrekende inzichten, die hem de officieuze Nobelprijs voor de economie opleverden. In een van zijn bekendere teksten gaat hij nader in op het wezen van onze economie. Waarmee we terug zijn bij de buitenaardse bezoeker.

Wat, zo vroeg Simon zich namelijk af, zou die zien door zijn magische telescoop? Welke kleur zou er uitspringen, rood of groen? Het antwoord ligt voor de hand. ‘Of onze bezoeker nou de Verenigde Staten of de Sovjet-Unie zou naderen, stedelijk China of Europa, het grootste deel van het land onder hem zou binnen de groene vlakken liggen. (…) Organisaties zouden het meest in het oog springende kenmerk van het landschap zijn.’ Dáár vindt het leeuwendeel van de productie plaats. Daar ook brengen mensen een cruciaal deel van hun leven door, de meesten als werknemer.

De markt is, met andere woorden, slechts één van de vele manieren waarop mensen hun activiteiten onderling coördineren. In plaats van via de markt en haar prijsmechanisme stemmen ze hun plannen en wensen ook vaak af door met elkaar te onderhandelen, zoals werkgevers en werknemers doen als ze cao’s afsluiten. In de politiek zijn er op gezette tijden verkiezingen. En in het leger en bij de politie, maar ook in andere organisaties, wordt regelmatig een beroep gedaan op autoriteit; bevelen uitdelen dus.

In tegenstelling tot wat meestal gesuggereerd wordt, speelt het grootste deel van onze economie zich dus af búiten de markt. Dat is nogal wat. De markt lijkt in onze maatschappij op het eerste gezicht alom aanwezig én oppermachtig. Van de supermarkt tot de arbeidsmarkt, van de woningmarkt tot de relatiemarkt: zelfs over de liefde wordt steeds vaker gesproken in termen van vraag en aanbod. We leven tenslotte in een markteconomie – toch? Daarin zou volgens sommigen zelfs de democratie gehoorzamen aan de wensen van de financiële markten.

Dit marktdenken is een hardnekkig misverstand met enorme – soms fatale – consequenties. Het rechtvaardigt bijvoorbeeld groeiende ongelijkheid. De razendsnel stijgende beloningen aan de top, of het nu in de Verenigde Staten is of in Nederland, zouden het gevolg zijn van een internationale arbeidsmarkt voor ‘toptalent’. De boodschap: aan zo’n natuurkracht valt verder weinig te doen. In werkelijkheid worden topinkomens niet bepaald in een anonieme, vrije markt. Het zijn vooral beloningscommissies en raden van commissarissen – mensen van vlees en bloed dus – die hierover beslissen. De bestuurders om wier beloning het gaat, verkeren in de uitgelezen positie om dat proces te beïnvloeden.

Maar misschien wel de gevaarlijkste uitwas van het marktdenken is dat we politiek zijn gaan beschouwen als een keuze tussen aan de ene kant ‘de staat’ en aan de andere ‘meer markt’. Wie zich verdiept in de reëel bestaande markten ziet dat die twee volledig met elkaar verstrengeld zijn. Staten creëren, onderhouden en stimuleren markten. Kijk naar de financiële sector. De overheid heeft er de afgelopen jaren alles aan gedaan om deze nog enigszins te laten functioneren als de gedroomde markt. ABN Amro moest helaas genationaliseerd worden om erger te voorkomen. Maar bij de eerste de beste gelegenheid zal de bank weer teruggebracht worden naar de beurs.

Het feit dat dit alles zo contra-intuïtief klinkt, provocerend zelfs, toont hoe invloedrijk het idee is van economie als een optelsom van meer of minder vrije, spontaan naar evenwicht neigende markten. Dat is niet enkel aan de economische wetenschap te wijten. Zeker, er is iets grondig mis met het dominante discours in dit vakgebied, doorgaans voor het gemak samengevat onder de noemer ‘neoklassieke economie’. En inderdaad, deze heeft een buitenproportioneel grote invloed, zeker als het om het denken over markten gaat. Maar daar is ook onder economen zelf meer dan genoeg kritiek op. Helaas dringen die wel degelijk bestaande amendementen op het traditionele beeld van de markt zelden door tot het grotere publiek. In het politieke debat blijft dan ook een fictief beeld overheersen van markten en markteconomieën. Een sprookje, inclusief onzichtbare handen en andere hocus pocus.

***

In wat voor economie leven we dan wél? Het voorbeeld van de buitenaardse bezoeker schreeuwt erom uitgediept en uitgebreid te worden. Om te beginnen de door Simon aangestipte groene vlakken: organisaties. Op de overheid, die natuurlijk ook één grote verzameling organisaties is, kom ik verderop terug. Voor nu ga ik er, anders dan Simon, van uit dat de groene vlakken enkel bestaan uit niet-overheidsorganisaties. Uit bedrijven, om precies te zijn.

Zij vormen misschien wel het meest onderbelichte deel van de economie. Dat betoogde althans een andere Nobelprijswinnaar, Ronald Coase. In zijn rede ter gelegenheid van de prestigieuze onderscheiding toonde hij zich bescheiden. Nee, Coase vond zichzelf geen Grote Econoom. Hij stond niet aan de wieg van cruciale theoretische doorbraken. ‘Mijn bijdrage aan de economie’, zo blikte hij terug op zijn lange carrière, ‘is geweest dat ik ervoor pleitte om rekening te houden met kenmerken van ons economische systeem die zó voor de hand liggend zijn dat ze (…) doorgaans over het hoofd gezien worden.’ Coase, die enkele jaren geleden op de gezegende leeftijd van 102 jaar overleed, hekelde de ‘blikvernauwing’ van de economie. Dat was het resultaat van een eenzijdige ‘focus op de bepaling van prijzen’. De markt dus. Met rampzalige gevolgen. ‘Wat bestudeerd wordt is een systeem dat bestaat in de gedachten van economen, maar niet op aarde.’

Zijn kritiek spitste zich toe op de omgang van economen met het fenomeen ‘bedrijven’. Die werden volgens hem beschouwd als een soort zwarte doos. ‘Dit is buitengewoon vreemd’, merkte Coase op, ‘aangezien de meeste middelen in een modern economisch systeem worden ingezet binnen bedrijven. Daarbij hangt de wijze waarop deze middelen worden ingezet af van bureaucratische beslissingen, en niet direct van de werking van de markt.’

Met zijn kritiek raakte Coase een gevoelige snaar. Neem een bedrijf als Walmart. De Amerikaanse supermarktketen heeft meer dan twee miljoen werknemers in dienst. Dat is vier keer zo veel als de totale bevolking van Luxemburg. Of denk, dichter bij huis, aan Shell. Het olieconcern draaide in 2014 een omzet van 370 miljard euro. Dat betekende een forse daling ten opzichte van voorgaande jaren, maar het is nog altijd bijna het dubbele van het bbp van Ierland.

‘Wat bestudeerd wordt is een systeem dat bestaat in de gedachten van economen, maar niet op aarde’

Zulke bedrijven zijn machtige spelers in onze economie. Des te belangrijker is het om te beseffen dat binnen ondernemingen niet dezelfde spelregels gelden als in een markt. Het zijn verschillende universa, waar andere wetten gelden. Wat firma’s namelijk doen, merkte Coase op, is niets minder dan het prijsmechanisme stopzetten. Binnen al die groene vlakken vindt, met andere woorden, geen marktwerking plaats. Niks rode lijntjes. Het zou te denken moeten geven. Zo’n economie waarin prijzen niet van onderop tot stand komen door het vrije spel van vraag en aanbod, maar van bovenaf opgelegd worden door bureaucraten – waar kennen we dat van? Precies. De antropoloog David Graeber noemt het provocerend ‘een van de schandalen van het kapitalisme dat de meeste kapitalistische bedrijven intern communistisch opereren’. Ook de heel wat conservatievere Coase wees hierop. Hoe, zo vroeg hij zich af, rijmen economen dit ongemakkelijke feit met hun overtuiging dat economische planning altijd en overal gedoemd is te mislukken? Wordt onze eigen ‘markteconomie’ niet net zo goed gekenmerkt door planning? Met andere woorden: zijn bedrijven in zekere zin niet gewoon kleine planeconomieën?

***

Tot zo ver de grote onbekende van de economie, het bedrijfsleven. Maar er zijn in mijn versie meer kleuren dan groen en rood te zien door de buitenaardse telescoop. Blauw, bijvoorbeeld. Dat is de overheid. Zoals gezegd bestaat die ook uit organisaties. Maar er zijn goede redenen om haar apart te behandelen. Al is het alleen al omdat burgers, via verkiezingen, meer over de overheid te zeggen hebben dan over commerciële bedrijven. Die streven bovendien naar winst. De overheid heeft andere prioriteiten.

Het is een hoop blauw dat onze ruimtereiziger voor zich ziet. Staten zijn economische reuzen. De uitgaven van de Nederlandse overheid beslaan ruim vijftig procent van het totale bbp. Dat betekent dat zij elke twee jaar evenveel spendeert als heel Nederland in één jaar aan inkomen weet te produceren. Daarmee is Nederland geen uitzondering. Buurlanden kennen soortgelijke percentages. In België ligt het meestal net iets hoger, in Duitsland wat lager.

Ook andere cijfers laten zien dat de rol van de overheid veel te groot is om af te doen als een ‘verstoring’ die van buiten de ‘echte economie’ komt. De overheid neemt een fors deel van zowel de consumptie als de productie in Nederland voor haar rekening. Zij behoort daarnaast tot de allergrootste werkgevers. Bijna één miljoen mensen werken in Nederland in de publieke sector. In 2013 ging het om minstens elf procent van alle mensen die hier aan de slag zijn. Zoals gezegd: in andere westerse landen is het niet veel anders.

Blauw dus. En daarmee is het beeld nog niet compleet. De laatste kleur die ik aan het palet wil toevoegen, is geel. Die wordt vrijwel altijd over het hoofd gezien. Het zijn dan ook geen gele vlakken die de buitenaardse bezoeker waarneemt, maar kleine stipjes. Héél veel stippen, overal. Wie dat zijn? Vrouwen, vooral. Zij runnen dit onzichtbare, vergeten deel van de economie. Zij zorgen doorgaans voor de kinderen, maar ook voor zieken en ouderen van dagen. Zij maken het huis schoon. Ondanks een eeuw vrouwenemancipatie zijn zij het die er in veel gezinnen nog altijd voor zorgen dat er eten op tafel staat als de man ’s avonds terugkeert uit de groene, blauwe of rode zones van de economie. In arme landen is deze double X economy nog veel groter. De term is van Oxford-econome Linda Scott. ‘We beschouwen economische principes als voor de hand liggend, of van God gegeven, maar ze zijn geconstrueerd op een manier die vrouwen uitsluit’, zei ze hierover in een interview. ‘We waarderen dingen op basis van hun geldwaarde. Dus als vrouwen niet betaald worden voor hun werk, als ze niks mogen erven en het ze niet is toegestaan om bankrekeningen en creditcards te hebben, dan worden ze weggelaten. En als je een theorie van de economie hebt die is opgebouwd rond geld, worden ze daar ook uit weggelaten.’

Zodra er betaald wordt voor dit werk, hoe weinig ook, kan het met enige moeite onder een van de andere kleuren worden geschaard. Probleem is wel dat zulk huishoudelijk werk doorgaans zwart is. Het komt daardoor niet terug in de economische graadmeters, voorop het bbp. Denk aan de Filippijnse schoonmaakster in Saoedi-Arabië of de Bulgaarse nanny in Wassenaar. Maar bij de gele stippen gaat het om economische activiteiten waar helemaal geen geld tegenover staat. Meestal omdat het binnen het gezin plaatsvindt. Maar soms ook in een groter verband, zoals vrijwilligerswerk voor de plaatselijke voetbalclub of een goed doel.

Helaas valt het onmogelijk te zeggen hoeveel procent die gele stippen van de totale economie uitmaken. Juist omdát er geen prijskaartje aan hangt, blijft het gissen. Maar via een omweg kunnen we wel een indruk krijgen van hoe belangrijk dit werk is. Zo voert het Sociaal en Cultureel Planbureau geregeld studies uit naar hoe Nederlanders hun tijd doorbrengen. Daarbij kijken de onderzoekers naar het aantal uren en minuten dat mensen besteden aan activiteiten als slapen of televisie kijken. Ze zoeken ook uit hoeveel tijd er op gaat aan betaald werk enerzijds (de rode, groene en blauwe kleuren van de telescoop) en aan onbetaald zorgen, schoonmaken of vrijwilligerswerk anderzijds (geel). Dat blijkt elkaar niet heel veel te ontlopen. Bij de laatste meting, in 2011, besteedden Nederlanders in de werkzame leeftijd wekelijks gemiddeld ruim 25 uur aan betaald werk. In huishouden en zorgtaken ging 18,6 uur zitten, als je daar het vrijwilligerswerk bij optelt (gemiddeld 2,3 uur) kom je op een kleine 21 uur per week uit.

Het betekent dat, puur naar tijd berekend, de gele stippen ruim 45 procent van onze economie uitmaken! Uiteraard – helaas, mag ik wel zeggen – is de uitkomst voor mannen en vrouwen afzonderlijk totaal anders. Vrouwen nemen het overgrote deel van de onbetaalde, dus onzichtbare economie voor hun rekening. Mannen doen daarentegen nog altijd bijna twee keer zo veel betaald werk.

De reden dat deze economie een aparte kleur krijgt, ligt voor de hand. Juist omdat er geen beloning tegenover staat, gelden hier andere principes dan op de markt, in bedrijven en bij de overheid. Concurrentie speelt nauwelijks een rol. Winst evenmin. Machtsverhoudingen doen er weer wel toe, met name die binnen het gezin tussen mannen en vrouwen. Een onderwerp waarvoor de economie zelden aandacht heeft. Maar ook altruïsme is belangrijk in de informele economie, net als empathie, idealisme, wederkerigheid en al die andere, ongrijpbare fenomenen.

Softe waarden, ongetwijfeld. Maar interessant genoeg is het juist dit informele deel van de economie waar de commerciële economie op steunt. Zij profiteert van al het (gratis) werk dat hier verricht wordt, en zou waarschijnlijk niet zonder kunnen. De kleur geel lijkt bovendien bezig aan een opmars. Een goed voorbeeld is de hernieuwde populariteit van een van de onderdelen van de informele economie: de zogeheten commons, oftewel het gemeengoed. Traditioneel gaat het om gemeenschappelijk beheerde visgronden of landbouwareaal. Daarvoor gelden noch de wetten van de markt of het bedrijfsleven, noch het primaat van de staat. In de economie van de commons ligt de nadruk niet op competitie, maar op samenwerking. Gezamenlijk beheer in plaats van particulier eigendom. Eigen initiatief en verantwoordelijkheid gaan boven gehoorzaamheid aan autoriteiten. En nee, het gaat niet om winst.

Altruïsme is belangrijk in de informele economie, net als empathie, idealisme, wederkerigheid en al die andere, ongrijpbare fenomenen

Het klinkt bijna te mooi om waar te zijn. Toch is het nieuwe gemeengoed overal om ons heen. De kans is groot dat je computer of laptop open source software bevat. Een andere beweging pleit voor open science. Zij wil wetenschappelijke publicaties bevrijden uit de greep van de grote, commerciële uitgevers. Ik maak bij het schrijven dankbaar gebruik van deze groeiende, voor iedereen toegankelijke schat aan informatie. Maar het bekendste voorbeeld van een nieuwe common is ongetwijfeld Wikipedia. De digitale encyclopedie is de vrucht van vrijwillige samenwerking tussen mensen overal ter wereld. Een gemeenschappelijk onderhouden, voor iedereen toegankelijk terrein. Het is een typisch voorbeeld van hoe kennisproductie meer dan ooit een collectief, sociaal proces is geworden. Volgens sommige van de meest optimistische voorstanders van de commons is dat zelfs de essentie van onze creatieve economie. Veel bedrijven doen in die lezing weinig anders dan parasiteren op deze collectieve inspanningen.

Medium hh 49951224

Zo bezien gaat onder een dun laagje winststreven en concurrentie een dikke laag samenwerking en solidariteit schuil. Je zou het er bij wijze van spreken zo af kunnen krabben. Dan heb je ineens een heel ander soort economie.

Ik sprak daar een tijdje terug voor dit blad over met de Amerikaanse politiek-filosoof Michael Hardt. Hij schreef samen met zijn vriend en collega Antonio Negri een veelbesproken boek over de commons, Commonwealth. ‘Natuurlijk zijn er altijd wel bezwaren of struikelblokken denkbaar’, vertelde hij me. ‘Neem car sharing. Ja, uiteraard, je auto delen met buurtgenoten is iets wat altijd al gebeurde. Maar dat is het ’m juist! Wij lijden aan ideologische verblinding. De recente ontwikkelingen openen ons de ogen voor wat altijd al gemeengoed was. Liften is ook zo’n voorbeeld. Of couch surfing. Dat zijn eigenlijk heel traditionele vormen van generositeit.’

Die observatie zette me aan het denken. We zijn inderdaad gewend geraakt aan het idee dat de markteconomie en haar principes alom zijn. Boeken vol worden er geschreven over de ‘commodificatie’, oftewel de ‘vermarkting’ van ons leven. Sommige daarvan zijn positief gestemd, zoals het populaire Freakonomics, andere kritisch. Ik moet bekennen dat ik daar zelf ook in menig artikel een bijdrage aan geleverd heb. Maar ik vraag me steeds vaker af of dat niet veel te pessimistisch is. Lopen we niet het gevaar de dominantie van het marktdenken schromelijk te overschatten? Dat we het sterker maken dan het is? Het verklaart in elk geval waarom we doorgaans blind zijn voor de talloze alternatieve vormen van economie. Zelfs als die zich recht voor onze ogen afspelen, elke dag opnieuw.

De buitenaardse bezoeker kan de diversiteit daarentegen moeilijk ontgaan. Door zijn telescoop ziet hij een bonte planeet. Naast rode lijnen zijn er reusachtige groene en blauwe vlakken, en heel veel gele stippen. Die rijke variatie laat zich inderdaad moeilijk samenvatten met de term ‘markteconomie’.

Ik vermoed dat we dit zelf stiekem ook wel weten. Ga maar na welke maatschappelijke rollen je op een dag speelt. Als we werkelijk in een markteconomie zouden leven, moesten we ons de hele dag gedragen als consumenten. Of iets breder geformuleerd: als calculerende individuen. Ik kan me geen dag in mijn leven herinneren dat dit het geval was. Transacties spelen een vrij kleine rol in mijn dagelijks leven. Meestal ziet het plaatje er zo uit. ’s Ochtends, als ik opsta en bij het ontbijt, bevind ik me in de gele stippen. Ik dek niet de tafel voor mijn kinderen omdat ik er iets voor terugverwacht. Ook niet omdat ik daarmee hoop hun schoolprestaties en dus hun toekomstige salaris gunstig te beïnvloeden, zoals sommige economen zouden opperen. Eigenlijk gedraag ik me thuis als een soort communist: van ieder naar zijn vermogen, voor ieder naar zijn behoefte.

Vervolgens ga ik naar mijn werk. Natuurlijk sijpelt er iets van de markteconomie door in dat groene vlak, maar ook daar gedraag ik me vaak niet als een homo economicus. Ik ben een werknemer, een collega. ’s Avonds thuis of in de stad ben ik weer een vriend, geliefde of vader. Mijn directe betrokkenheid met de markteconomie blijft op zo’n dag beperkt tot een kwartier in de supermarkt en een aantal momenten op mijn werk. Het zijn bovendien niet de gebeurtenissen die me bijblijven. Dus: leef ik in een markteconomie? Oordeel zelf.

***

Zelfs de rode lijnen zien er, als je de tijd neemt om ze nauwkeurig te bekijken, anders uit dan gedacht. Tot nu toe ging het vooral over die delen van de economie die niet beheerst worden door de markt: bedrijven, overheid, huishoudens, maatschappelijke organisaties. Dat is nog maar de helft van het verhaal. Want ook ons beeld van de markt zélf is vertekend. De voorbeelden waarbij de werkelijkheid botst met het geïdealiseerde beeld van de markt zijn talrijk. In de echte economie draait veel om samenwerking en vertrouwen. Tegelijkertijd stikt het er van de kartels, (quasi-)monopolies en vriendjespolitiek; je krijgt er te maken met instabiliteit, onevenwichtigheden; en er is bureaucratie en macht. Vooral dat: heel veel macht. Het zijn stuk voor stuk zaken die de mainstream economie afdoet als ‘verstoringen’ of ‘imperfecties’. Als zodanig worden ze buiten de ‘pure’ markt geplaatst.

Maar: die zuivere norm is nooit in het wild waargenomen. De zogenaamde afwijkingen zijn dat wel. Wat ligt er meer voor de hand dan om ze als ‘normale’ ingrediënten van de markt te beschouwen? Het klinkt vanzelfsprekend, maar het is hoogst ongebruikelijk. Zouden we op die manier tot een nieuw, beter begrip van de markt kunnen komen dat er wél in slaagt de inconvenient truths van de echte economie te incorporeren? Of is zo’n onderneming tot mislukken gedoemd, en is het verstandiger om op zoek te gaan naar een geheel nieuwe term, zo niet voor de ‘markt’, dan toch wel voor de ‘markteconomie’?

Dat zijn geen nieuwe vragen. De afgelopen twee eeuwen zijn er, dwars door de verschillende scholen en bloedgroepen heen, telkens weer economen geweest die zich erop gestort hebben. ‘In de echte geschiedenis spelen zoals bekend verovering, onderdrukking, roofmoord – kortom: geweld – de grote rol’, merkte Karl Marx al op. ‘In de tedere politieke economie heerste sinds jaar en dag de idylle.’ Hij schreef in Das Kapital over de markt als het fraai ogende ‘podium’ voor de werkelijke hoofdrolspeler in de economie, het kapitaal. Zeker, als je de beschrijvingen van zijn vakgenoten mocht geloven is die markt een schitterend oord. Maar de werkelijkheid ziet er uiteraard anders uit dan dit gedroomde ‘Eden’.

Dat wist ook iemand als John Maynard Keynes, die voor de rest in alles de tegenpool was van Marx. Bij Keynes is de markt niet langer het wonderlijke, alwetende mechanisme dat neigt naar één optimaal evenwicht. Ze raakt geregeld in de greep van animal spirits, van ‘golven van optimistische en pessimistische sentimenten’. In Keynes’ economics of disorder, zoals zijn biograaf het heeft genoemd, zijn markten op z’n minst stroperig. Daardoor worden vraag en aanbod soms langdurig uit het lood geslagen. Het evenwicht dat uiteindelijk volgt, hoeft bovendien allerminst ‘optimaal’ te zijn, zoals de neoklassieke economen geloofden. Denk aan de blijvend hoge werkloosheid in Keynes’ eigen tijd – of in de onze.

Dit beeld van de manische markt is vervolmaakt door Hyman Minsky, de Amerikaanse econoom die met de crisis van 2008 postuum alsnog enige bekendheid verwierf. Hij actualiseerde het denken van Keynes voor een moderne, gefinancialiseerde economie. Daarin spelen geld, schulden en zeepbellen een veel belangrijkere rol dan voorheen. Minsky onderscheidde een reeks opeenvolgende fases in de economische cyclus. Het begint met bescheiden groei. Die doet het zelfvertrouwen toenemen: ‘Succes kweekt lef.’ Het gevolg is een steeds onstuimiger boom, uitmondend in een knal. Crisis. Daarna breekt een periode van ‘schulddeflatie’ aan. Iedereen probeert op hetzelfde moment van zijn schulden af te komen. Met als gevolg dalende bestedingen, dalende inkomens en dus relatief nog meer schuld. Dat kan resulteren in stagnatie. Maar hoe lang die ook duurt, uiteindelijk zal het herstel inzetten. Dan groeit het zelfvertrouwen ten koste van het historisch besef en neemt het risico op een nieuwe boom toe. En zo begint alles weer van voren af aan.

Met haar razendsnel omslaande stemmingen heeft de markt iets weg van een psychiatrische patiënt. Ze is niet stabiel, maar labiel

Waar het om gaat, aldus Minsky, is dat ieder stadium de kiem in zich draagt voor de volgende fase. Hij vatte die eindeloze beweging van boom en bust samen in twee woorden: ‘stabiliteit destabiliseert’. Dat betekent paradoxaal genoeg ook dat uitgerekend goed functionerende markten het meest labiel kunnen zijn. Juist het idee dat het wel snor zit, werkt hoogmoed in de hand, en ondergraaft zo het eigen succes.

***

Het is een radicaal ander beeld van de markt dat hier oprijst. De markt van Marx, Keynes en Minsky – en met hen vele andere, vaak onbekendere economische denkers – is niet het alwetende, evenwichtige wezen dat met zijn onzichtbare hand het aardse gebeuren in goede banen leidt. Met haar razendsnel omslaande stemmingen heeft ze meer weg van een psychiatrische patiënt. Ze is niet stabiel, maar labiel. Neigt niet naar langdurig evenwicht, maar kenmerkt zich door grilligheid. Is meer stroperig dan efficiënt. En in plaats van boven de partijen te staan, blijkt de markt door en door politiek te zijn. Niet alles draait er om macht en invloed. Maar wel veel meer dan we doorgaans denken.

Dat komt boven op het inzicht dat van alles wat wij ‘economie’ noemen de markt slechts één deel is. Bedrijven, overheden en organisaties zijn, evenals families en andere gemeenschappen, net zo goed van belang. Daar gelden heel andere spelregels.

Een markteconomie, dat is volgens de gangbare lesboeken ‘een economie waarin de wat, hoe en voor wie vragen betreffende de allocatie van middelen primair bepaald wordt door aanbod en vraag in markten’. Is dat de economie waarin wij onze dagen slijten?

Met de beste wil ter wereld kan ik die vraag niet bevestigend beantwoorden. Nee, we leven niet in een markteconomie. Het is een begrip als een oude, zwart-witte ansichtkaart van een dorp. Natuurlijk roept het warme gevoelens op. Iedereen kende elkaar. Elke woensdagavond vergaderde de raad in het dorpshuis. De samenleving als een hechte familie. Ik begrijp de aantrekkingskracht van zulke metaforen, maar het heeft weinig te maken met hoe de echte wereld functioneert.

De grote vraag is in welk systeem we dan wél leven. Telkens als ik de afgelopen jaren iemand sprak die ik een grote intelligentie toedichtte, heb ik die kwestie voorgelegd. De antwoorden liepen ver uiteen, maar dé oplossing zat er niet bij. ‘Bureaucratisch kapitalisme’, hoorde ik, ‘neoliberalisme’, ‘monopoliekapitalisme’. Er is de ‘organisatie-economie’ van Herbert Simon of, zoals Adam Smith het meestal noemde, de commercial economy. Al die begrippen zeggen wel íets over onze economie. Maar ze drukken niet de onderscheidende kern uit van dit systeem.

Daarin draait het uiteindelijk om kapitaal, dat ik opvat als een combinatie van geld én macht. Waar het in deze economie om gaat, is het doen groeien en naar jezelf toe kunnen trekken van dat kapitaal. Of dit via markten gebeurt of op een heel andere manier, dat maakt binnen dit systeem niet zo veel uit. Vandaar ook zijn enorme ideologische flexibiliteit: de vorige eeuw zagen we uiteenlopende ideologieën als keynesianisme, neoliberalisme en corporatisme, voorkomend in zowel democratieën als dictaturen.

Zo bezien verkies ik persoonlijk die andere, aloude term die tenminste al ingeburgerd is. Die anders dan ‘markteconomie’ de zaken niet mooier voorstelt dan ze zijn. Het is tijd om het sinds de jaren tachtig geldende taboe op het ‘k-woord’ te doorbreken. We leven in het kapitalisme. Plain and simple.

Maar nog belangrijker dan de precieze semantiek lijkt me dit: laten we een streep zetten door het woord ‘markteconomie’. Het beschrijft een wereld die niet bestaat. Een sprookje – een show. Het marktdenken is daarmee door en door idealistisch. Ik had nooit gedacht dat ik dit nog eens zou schrijven over economie, maar nu doe ik het toch.

Laten we alsjeblieft een beetje realistischer worden.

Dit is een bewerkte voorpublicatie van het nieuwe boek van Groene-redacteur Koen Haegens. De grootste show op aarde: De mythe van de markteconomie verschijnt op 17 september bij Ambo/Anthos


In welke economie leven we echt?

De markt is overal. Van de supermarkt tot de arbeidsmarkt, van de woning- markt tot de relatiemarkt. We leven tenslotte in een markteconomie. Maar wat als die alomtegenwoordige, mysterieuze markteconomie er heel anders uitziet dan we denken, of zelfs helemaal niet bestaat? Welke gevolgen heeft dat voor het politieke debat, van de topbeloningen tot de regulering van de financiële sector? En belangrijker: in welke economie leven we dan wél? Over deze vragen schreef Groene-redacteur Koen Haegens De grootste show op aarde: De mythe van de markteconomie, dat op deze avond wordt gepresenteerd. Samen met Jesse Frederik (De Correspondent) en Kees Vendrik (lid Algemene Rekenkamer, oud-Kamerlid GroenLinks) zal Haegens hierover in debat gaan. De discussie staat onder leiding van Groene-_hoofdredacteur Xandra Schutte._ Donderdag 17 september, Spui25, Amsterdam, Toegang gratis. Aanmelden: spui25.nl


Beeld: (1) Foto Martin Parr / Magnum / HH, (2) Patrick Zachmann / Magnum / HH